Posts tonen met het label Tot alles goed strak staat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tot alles goed strak staat. Alle posts tonen

vrijdag 9 december 2016

Ilja Pfeijffers 1000 en enige gedichten

Toen wij een waarachtige amazone ontmoetten
Ja, zegt B op haar zangeressentoon, zeg het maar Jane, en toen kwam er iets wat ik bijna niet kon verstaan, maar wat ik toch nog net dacht op te pikken. Je zei nog iets, zeg ik, zei je Laura of wat zei je? Ja dat zei ik, zegt ze, het is haar verjaardag 7 december, Laura’s verjaardag. Ik roep door de telefoon: weet je waarvoor ik bel? Laura’s gedicht staat in de Pfeijffer-bundel. Ik kijk er net naar en bel je dus. O wat hou ik van het toeval, wat is het niets ontziend, wat smaakt het, wat reikt het voorbij het verste vergezicht. Hoe het je toevalt. Ik heb het al zo lang niet meer gelezen, maar wat vind ik het goed, veel beter dan in mijn herinnering was blijven hangen. B en ik beginnen hard tegen elkaar te roepen dat het bizar is, Laura's verjaardag, haar gedicht waarvan B zegt dat ze het nog zeker twee keer per maand leest en hoe ik het geschreven heb, toen, jaren geleden, toen ze nog in Usquert woonde en ik onverwacht kwam eten en zij mij in haar leeskamer zette, want ze kon geen pottenkijkers gebruiken bij het koken. Het was de kamer met de schoorsteen die later na de aardbevingen diezelfde kamer onbewoonbaar maakte. Maar die middag zat ik op de bank en bladerde door de boeken en mijn oog viel op de foto van dat blonde meisje, ik werd gegrepen door het absoluut vrije, het absoluut onbezorgde van dat kind galopperend op haar paard door een uitgestrekte wei, haar haren in de wind.Toen B me later ophaalde want het eten was klaar, vertelde ze dat is Laura. Laura, mijn jongste dochter, ze leeft niet meer, er was een ongeluk, later. Ik kwam die avond niet meer over de schok heen, het vrije zó in de dood geklonken. Ik schreef het later op en het werd Toen wij een waarachtige amazone ontmoetten. B en ik lachen, het is nu 2016, hoeveel jaar is Laura nu al dood, is het twintig, vijfentwintig? Ze was veertien toen. Veertien en B die schreef : maar als je zoveel armen om elkaar hebt meegemaakt, als alles altijd is zoals het zeer doet, ben je qua vorm dan waar? Het gedicht dat ze naderhand zelf schreef en waaruit ik deze regels leende voor het mijne, het heeft zich in mijn ziel, mijn poriën, mijn leidingwerk vastgezet. We lachen, lachen hard van blijheid, om Laura, de pijn, het gedicht, die rare bundel waarin Laura nu voor de eeuwigheid verder leeft. (Tot alles goed strak staat-2011)

donderdag 22 november 2012

Ontmoet de dichter ...


50 gedichten van 50 dichters
die optraden in het Poëziecentrum Nederland
met 50 prenten van Gerrit Westerveld

http://nederlandsepoezie.wordpress.com/2012/11/14/ontmoet-de-dichter/

'In deze uitgave hebben wij de prenten van de eerste vijftig dichters die in 'Ontmoet de dichter ...' hun opwachting maakten, bijeengebracht', schrijft Wim van Til, oprichter van het Poëziecentrum, in het Voorwoord.
Het centrum vestigde zich in 2005 in Bredevoort Boekenstad, in een voormalige basisschool omgedoopt tot Boek op 't Zand. Ikzelf zat op een middag in 2008 bij Wim van Til aan tafel. Het klaslokaal stond barstensvol dichtbundels (Van Til is groot verzamelaar). Om de tafel zaten poëzieliefhebbers en - grote verrassing - mijn moeder, zus en haar partner - helemaal vanuit Arnhem afgereisd. Ook daardoor werd het een bijzondere middag: Wim van Til betrok mijn familie bij het gesprek. Van Til is een meester in wat hij zelf noemt 'loslippigheid': 'elke dichter was zonder uitzondering loslippig', schrijft hij ook in het Voorwoord. Hij vroeg de dichters om een gedicht en graficus Gerrit Westerveld maakte er een prent bij. Mooie en bijzondere prenten zijn dat geworden. Mijn moeder, zus met partner en ik gingen na afloop een hapje eten in een onderaards ogend restaurant in Bredevoort. Ik koester de herinnering aan die middag.
 
Mijn gedicht, dat uiteindelijk uitgroeide tot een reeks van acht gedichten die terecht kwam in Tot alles goed strak staat (2011) neem ik hier op:
 
 
Het is de vraag

 
Er zijn gedachten die geen ruimte of kiertje open laten

voor wat ook beendroge gedachten niet meer te plooien

nog gisteren met potlood neer-  en ingeschreven

 
vandaag is het gedicht een muur van metershoog levend

 
moest ik steeds naar bomen kijken zag

wat hij gezien had en schilderde een oeroud

landschap open verbinding waar jij en ik

ons kunnen vertreden boeiend uitzicht zomer

en winter in steigers van hedera helix

 
vandaag is het gedicht omwille geplukt

 
fixeert een dromende hond zijn wakkere vlucht

tot standbeeldje in zijn hart liggen herinneringen

te wachten op ontslaping er staat geen wind

de wind instinct schaap of wild zwijn

dat door de varens ruist.

 
vandaag is het gedicht een scheet in een netje

 
willen ook kleren bewoond worden

ze hebben je nodig herinneringen houden ze

vast al die lege kleren prachtige spullen

als een pratende verzameling stiltes

je onuitsprekelijkheid bewaart

 
vandaag is het gedicht potdicht gegroeid

 
zweet een vrouw met het puntje van haar tong

tussen haar lippen het verschil het schort hier

niet aan verbinding schrijft ze, ik zie niets

in het licht van bevroren conflicten

en omstandigheden

 
op  haar vleugels vatten dode schilders post

onder haar vleugels drijven schapenhonden

lege kleren snijden haar reliëf

de vraag is of ze vormt of mis-

woensdag 24 oktober 2012

Eppie Dam over 'Tot alles goed strak staat'


Als met een ganzenveer gebeiteld Een labyrint met spannende wendingen en omleidingen EPPIE DAM  Jane Leusink – Tot alles goed strak staat Kleine Uil, Groningen; 64 blz., €15 J e hebt dichters die werken vanuit de schaarste. Aan hun gedichten lees je bijna af dat het weinige waarmee ze begonnen, traag en mondjesmaat is aangegroeid. Anderen werken vanuit de overvloed. Wat niet wil zeggen dat daardoor het scheppingsproces alleen maar vloeiend verliep, maar bij wijze van spreken was alles op voorhand aanwezig.

 Jane Leusink (1949) behoort tot de tweede categorie. In haar in 2003 verschenen debuut ‘Mos en gladde paadjes’ – goed voor de C. Buddingh’-prijs – toonde zij zich al dichterlijk welbespraakt en gedreven. Wie er een bewijs van wil zien, leze uit genoemde bundel het gedicht ‘Om zware dagen te dragen’, door Gerrit Komrij opgenomen in zijn bekende bloemlezing.

 Onvoorspelbaar is Leusink als dichter, onconventioneel en levenslustig, soms tegendraads en opstandig. Wanneer ze de met toverkracht begiftigde Medea aan het woord laat, gelden de woorden evengoed haarzelf en haar poëzie: ‘geen duif ben ik getemd in een omsloten tuin / met aangeharkte paden geen gras / dat vers en buigzaam langs je enkels stroomt’. Jane Leusink schrijft geen aangeharkte poëzie, wel poëzie waaraan je blijft haken, dankzij de grillige barrières telkens opgeworpen in de stroomversnelling van ideeën.

Deze vierde bundel is nog taliger en ongeremder dan haar eersteling.

Door de jaren werd Leusink kariger met hoofdletters en leestekens, en vaker dan voorheen worden zinnen en gedachten niet afgemaakt. Het betekent dat de lezer in een labyrint wordt geleid, waaruit hij zelf een uitweg moet vinden. Maar het is er goed toeven, met al die spannende wendingen, doodlopende wegen, omleidingen en onverwachte openingen.

 Sommige gedichten doen denken aan die van Antjie Krog en Fritzi Harmsen van Beek, beiden ook dichters van de overvloed. De laatste wordt door Leusink bewonderd, en ze wijdt aan fascinerende Fritzi zelfs een in memoriam.

 Die pastiche is minder wervelend dan het werk van de geadresseerde, maar daar staan overtuigende verzen tegenover, zoals de negen wonderschone strofen bij de renovatie van de wierde Wierum. Leusink op haar best dicht losjes en doorwrocht, als werden haar regels met een ganzenveer gebeiteld.

 Eveneens een bijzonder mooi gedicht is ‘Wat dacht je dan ik hou’, over de antieke Thonet schommelstoel van oma Jet (‘ik zie waar ze zat / aan de kuil in de biezen’). In de wetenschap dat de haar geschonken stoel verstevigd moet worden, luidt Leusinks laatste strofe: ‘ik zit elke avond te zwoegen / oefen het maken / trek biezen door gaatjes steek er meteen / houtjes achter tot alles goed strak staat / pas als alles gedaan is haal ik ze los’. Als kleindochter moet ze geweten hebben: zo heb ik oma’s stoel gemat; als dichter: en zo bedrijf ik poëzie. Met vervlochten woorden die elkaar vasthouden.

 

woensdag 18 april 2012

Recensie Liter ´Tot alles goed strak staat´ door Mart van der Hiele

Hoe de letter de tijd doodt
of: het kraken van Leusink

Ram het er maar in, alsof we het nog niet wisten: ‘Het gedicht is een werkwoord’. Alle onderafdelingen van Jane Leusinks meest recente bundel Tot alles goed strak staat, acht in totaal, worden voorafgegaan door een vers dat zo heet en dat alleen al daarom de cyclus domineert. Schuin gedrukt ook nog, zodat zelfs de voordracht – want ik lees zulke gedichten gewoon hardop in een volle kamer – eraan moet geloven: ‘Vandaag zijn wij kneedbare zinnen die / kieren forceren voor wat ook of ooit’.
Zo begint ‘1. Het gedicht is een werkwoord’, op een overigens per abuis ongepagineerde bladzijde.
Wie Leusinks vorige bundel, Er is weinig aan de lente veranderd, heeft gelezen, herkent veel; zowel inhoudelijk als in structuur zijn er veel overeenkomsten. Opnieuw wordt de taal stevig onder druk gezet: de syntaxis kraakt aan alle kanten en associaties slaan keer op keer ongegeneerd op hol. Maar net voor je denkt ik kan niet meer, stuit je op een paar strakke, kraakheldere pantoens, nu met vertrouwde dieren als inzet, in de roerende cyclus ‘Hemelwaarts’.
Ook de zweem Kouwenaar die ik in haar vorige bundel detecteerde, is er nog – ‘doof geroest’, ‘begon toen de tijd’, woorden als ‘mes’ en ‘brood’ die verlost moeten worden van de dingen, net als de ‘ze’ van ‘zichzelf’. En ten slotte is ook de (royale) lay-out, met grijs doorschoten binnenwerk en een hoge horizon op het omslag, mutatis mutandis hetzelfde.
Om de nieuwe Leusink haar eigen zegje te kunnen laten doen, gaf ik Strak (zoals ik de bundel gemakshalve, maar eerder uit affectie dan gebrek aan respect ben gaan noemen) na de eerste kennismaking in juni een tijdje rust. In september pakte ik hem weer van de plank met bovenmaatse kunstboeken waarop ik poëzie-in-uitvoering tijdelijk parkeer.
De versregels die me destijds verrasten, bleken dat nog steeds te doen. Zonder de vaak treffende en meestal beklemmende context te willen verwaarlozen, noem ik: ‘slechts hier en daar een mus die vanzelf van zijn tak viel’; ‘achter mijn rug knapt parket uit zijn verschansing’; ‘zij moet alles nader bezien, begint er meteen aan / ontdoet het huis kalm van zijn gebunkerde grondvesten’; ‘o we hebben ontzettend veel zin aan de slag te gaan / met de tijd dat onze mannen nog leefden die / in crisistijd voor geen greintje vervaard waren / veel van het leven hielden ja ook van het onze’.
‘Auf die Spitze’ daarentegen en ‘Onder alles uit’ doen me nog steeds weinig. De vulling van deze verzen is voor mij te particulier, te cryptisch en het slotgedicht, ‘Inbraak’ geheten, komt geforceerd jolig op mij over.
Maar ‘Toen het ging kraken in de structuren’ (uit de cyclus ‘Het gras in de raai’) toont Leusink in bloedvorm. Hier ligt mijns inziens de kern van de bundel, waarin haar poëtica zich zonder terughouding uitspreekt in sublieme taal. Er wordt een lijntje uitgegooid en dan nog een, gretig gehengeld naar zin en betekenis. Onnozele kinderen vangen er een hoop van, ze spelen ermee en meteen komt de klad er al in: ‘het werd hersteltijd baggertijd grondverzet / mors en vertroebeling maakten vormloos landschap / ontdane wierde kaal meidoornverdriet / en wij in die eeuwige wind gekleefd’.
En dan komt het: ‘die nacht, wij snoven de aarde – wilden dicht / bij onze onrustige doden zijn – groeven ten slotte / het graf voor onszelf, wachtten / een ademloos wachten begon’.
Dit is in mijn ogen grootse poëzie: het verschil kunnen maken met een enkele t. Over strak staan gesproken! Zonder schaamte beken ik hier dat mijn stem stokte bij het voorlezen – terwijl ik toch een verklaarde hekel heb aan sentiment.
Valt ‘Groninger kroon’, waarmee de bundel opent, bewust buiten de (zwaar verontrustende) ruimte en (alsmaar aanvretende) tijd van het achtvoudige ‘Het gedicht is een werkwoord’? Ik citeer het hier in zijn compacte volledigheid en laat het antwoord aan de lezer, vooropgesteld dat die de bundel aanschaft, hardop leest en dan, bij het terugbladeren, opnieuw stuit op: ‘Als het vruchtvlees / om mijn rammelende zaad / zo sluit uw blote hand / zich om mij heen /
hier ben ik dan uw hand / mijn grazige land mijn thuis / mijn naam malus domestica / als appel van uw oog / in deze kroeg gekroond’
Als geheel verdient Strak beslist de kwalificatie die ik eerder (in Liter 53, blz. 74) toekende aan Er is weinig aan de lente veranderd, namelijk: ‘gespierd, eigenzinnig en overrompelend […] houdbaar tot lang na de kredietcrisis.’ Waarbij ik het verergeren van deze crisis in de tussenliggende jaren nadrukkelijk meeweeg.

Jane Leusink, Tot alles goed strak staat. Kleine Uil, Groningen 2011, 64 blz., € 15,00.

Mart van der Hiele


En hierbij ook de aankondiging van een nieuwe site: www.leesliter.nl

zaterdag 11 februari 2012

Amazone in 100 beste gedichten VSB-prijsbundel

Dit jaar stelde Kathleen Ferrier, jury-voorzitter van de VSB Po-ezieprijs 2012 (de belangrijkste prijs voor dichters in het Nederlands taalgebied), De honderd beste gedichten samen. De selectie is gemaakt op basis van 122 ingezonden dichtbundels die verschenen tussen 1 september en 31 augustus 2011 (achterflap).

Op pagina 98 vindt u 'Toen wij een waarachtige amazone ontmoetten' uit Tot alles goed strak staat (verschenen in april).

Voor de volledigheid:
In de bundel van 2008 werd 'The lark ascending' opgenomen uit Er is weinig aan de lente veranderd', (pagina 62, samenstelling Rob Schouten) en in 2003 ' Sneeuw die tot juli blijft liggen' (III) uit Mos en gladde paadjes, dat in dat jaar ook de C. Buddingh' prijs won (p. 99, samenstelling Ad Zuiderent).

zaterdag 21 januari 2012

Recensie Edwin Fagel op 'De Recensent'.

  • Titel: Tot alles goed strak staat
  • Auteur: Jane Leusink
  • Uitgeverij: Kleine Uil
  • ISBN: 978-94-91065-05-7
  • Datum bespreking: 6 januar 2012

Talige constructies

wij openden die ochtend onze ogen gaapten wreven
zon tussen onze zorgvuldige woorden: dit is bij uitstek
de plaats waar onze verbeelding tot een vorm kan uitrijpen
(p.26)
De bundels van Jane Leusink zijn gemaakt uit taal en verbeelding. De wereld buiten de poëzie levert het materiaal voor die poëtische wereld uit taal en verbeelding. Dit gaat natuurlijk op voor (vrijwel) alle poëzie, maar zelden wordt dit zo expliciet onder woorden gebracht als in bijvoorbeeld bovenstaand citaat.
Leusink gebruikt in haar taal een heel gevarieerd palet aan tonen, aan stemmingen, aan observaties, aan vondsten. Haar taal is veelvormig. De veelheid ervan is overweldigend en door de veelal barokke regels zou je ten onrechte de indruk kunnen krijgen dat het vooral spierballenvertoon is. Maar neem een (veelzeggende) titel als ‘Tegenwoordig trek ik er in woorden op uit’, met regels als:
een vrouw tuurt naar je omtrek haar handen bladeren
dat ben jij zegt ze ik wil alles van je ontdekken
alsof je niet dood bent dat is de eerste gift van het woord
in het boek ik sla de bladzijden om naar achteren
en je ligt voor het grijpen daar en daar
junioren E werd kampioen dat jaar
ik stond voor het eerst langs de lijn te juichen
(p. 37)
Jane Leusink Als dat geen persoonlijke regels zijn. Net als in Leusinks vorige bundel, Er is weinig aan de lente veranderd (2008), speelt rouw in deze bundel op een onnadrukkelijke manier een hoofdrol. Er staan verschillende gedichten in die als ‘in memoriam’ zijn geschreven (opvallend is het gedicht voor Fritzi Harmsen van Beek, in een taal die aan dat van Van Beek zelf doet denken). Ook wordt in verschillende gedichten de dood van een kat beschreven, en regels als bovenstaand lijken op de dood van een geliefde te wijzen.
Zowel Leusinks vorige bundel als deze nieuwe hebben een titel die zowel mismoedig als optimistisch opgevat kan worden, en ze hebben ook een vergelijkbare vormgeving. Maar bij de titel van haar nieuwste bundel moet ik toch vooral aan laarzen denken. Aan spijkers en hamers. Aan touw. Aan samengeknepen ogen. Aan waterpassen, losjes gehanteerd met een sigaret die tussen de lippen bungelt. Goed aantrekken nu, jongens. Tot alles goed strak staat. Maar wat is dat ‘alles’? Letterlijk: alles? Of zijn het toch zeilen om mee weg te varen? Of moeten we de titel meer talig opvatten en gaat het erom de regels strak te zetten?
De anekdote prevaleert in de gedichten van Leusink nergens boven de taal. De gedichten blijven, nadrukkelijk en expliciet, talige constructies. Dat wordt bijvoorbeeld benadrukt in de gedichten uit de afdeling ‘Tot alles goed strak staat’. Een reeks over familie, het verleden en het bestaan als dichter. De cursieve regels, die als een soort motto onder de titels staan, vormen een naadloze verbinding tussen de titels en de ‘normale’ regels:
Wat dacht je dan ik hou
nu eenmaal van dingen je weet wel
te kleine potloodjes die niet meer geslepen gestreepte
bloesjes met één knoopje eraf kopjes zonder oortjes
en andersom stoelen die hoognodig gemat
het op orde houden van spulletjes
en familieleden daar hou ik het allermeest van
de antieke Thonetschommelstoel van oma Jet
(de opkoper stond erbij te juichen)
en oma Jet
ik zie waar ze zat
aan de kuil in de biezen
(p. 39)
Jane Leusink - Tot alles goed strak staatEn net als in eerdere bundels bevat Tot alles goed strak staat pantoens, de Maleisische versvorm met een strakke vorm waar Leusink steeds bijzondere gedichten mee weet te maken. Zo veelvormig haar regels zijn, zo veelvormig zijn ook de gedichten als geheel. En zo veelvormig zijn haar bundels als geheel. Want ook deze is weer strak gecomponeerd, hetgeen in deze bundel wordt benadrukt doordat alle afdelingen, bestaande uit telkens drie gedichten, worden samengebonden door een overkoepelende reeks met als titel ‘Het gedicht is een werkwoord’.
Hoe divers ook, de gedichten hebben altijd nadrukkelijk een vorm en altijd wordt daar de aandacht op gevestigd. Natuurlijk zijn uiteindelijk alle gedichten constructies. Maar ik geloof dat dit geconstrueerde juist bij Leusink van wezenlijk belang is. De wereld buiten het gedicht speelt een belangrijke rol in het gedicht. Maar uiteindelijk heeft die wereld geen zeggenschap over wat er in de wereld van het gedicht gebeurt. Leusink bouwt in taal haar persoonlijke schip. Tot alles goed strak staat en de muze er de regels in kan blazen:
iemand zegt: mevrouwtje je zit met je Groningse bril
aan het stamtafeltje hebt behoefte aan een liefdevolle
maar flexibele plek voorzien van internetverbindingen
en eenvoudige kantoorvoorzieningen waar je durf
met behoedzaamheid kunt mixen verlegenheid
met vastberadenheid, let op nu gaat het out of the box
zodat bomen massaal in blad kunnen alles kruipen
vliegen boeien gaat de houtduif nestelt de zwaluw
metselt, iemand zegt: mevrouwtje je kletst de borreltafel vol
waar het op aankomt kijk op het moment dat ze
het minst wordt verwacht staat daar Erato of welke
muze dan ook het over deze boeg te gooien.
(p. 45)
In haar vierde bundel bouwt Leusink verder aan wat verdacht veel op een eigen, eigenzinnig en veelvormig bouwwerk van taal begint te lijken. Een indrukwekkend bouwwerk waarbinnen de bezoekers hun ogen uit kunnen kijken.
Edwin Fagel
Lees ook:
Jane Leusink - Er is weinig aan de lente veranderd

vrijdag 11 november 2011

Groninger Kroon

Voor de kunstenaarssociëteit de Groninger Kroon geef ik aanstaande woensdag (16 november) een lezing over een aantal gedichten uit Tot alles goed strak staat. Verder aandacht voor de gedichten uit eerdere bundels.

Thema: hoe lees je een gedicht oftewel: hoe krijg je een gedicht eigenlijk open?

Plaats: café Hammingh in Garnwerd, aanvang 20.00 uur.

Teunis Bunt over 'Tot alles goed strak staat'.

In de gedichten van Jane Leusink is altijd veel te beleven. Meestal geven ze zich niet zomaar prijs. Je moet ze langzaam lezen, in je hoofd de mogelijke interpunctie invullen en dan voel je al wel wat de onderlaag van het gedicht is. Daarna moet je zo´n gedicht meestal nog een paar keer lezen en dan opent het zich.
De gedichten zijn fraai van taal, waarbij Leusink gemakkelijk wisselt van register. Vaak heb ik de neiging zinnen aan te strepen, omdat ze me treffen. ´Toen het ging kraken in de structuren´ begint met: ‘Wij openden die ochtend onze ogen gaapten wreven / zon tussen onze zorgvuldige woorden’.

Het is een eenvoudige zin, die verbazend effectief is. Na het openen van de ogen en het gapen, komt het wrijven, waarbij je automatisch denkt aan de slaap die uit de ogen wordt gewreven. Leusink hoeft dat niet eens meer te noemen en gaat meteen naar de zon.

Ik zie al voor me wat voor ochtend dat is. Twee mensen die naast elkaar wakker worden en ze zien meteen de zon. Maar er zijn ook ‘zorgvuldige woorden’. Woorden die je niet zomaar uitspreekt, dus. Omdat je op je woorden moet letten of omdat er moeilijk woorden te vinden zijn voor wat je wilt zeggen. Maar daar is de zon tussen gewreven en dat is dus altijd aangenaam.

Nog in dezelfde strofe:

‘zover we kijken maakt niets het landschap eenzaam
de verte is overal even ver
wij zijn de eersten’

Daarna zwaait het gedicht van de wij-vorm naar de zij-vorm. In het begin zijn er nog ‘vruchtbare vrouwen waaruit roze kinderen stroomden / het spelen met snorrebotjes hellebaardjes bikkels / hopsasa speelman laten we dansen!’

Aan het eind van het gedicht is het anders:

‘het werd hersteltijd baggertijd grondverzet
mors en vertroebeling maakten vormloos landschap
ontdane wierde kaal meidoornverdriet
en wij in die eeuwige wind gekleefd

die nacht, wij snoven de aarde – wilden dicht
bij onze onrustige doden zijn – groeven ten slotte
het graf voor onszelf, wachtten
een ademloos wachten begon’

Dat vormloze landschap, met die eeuwige wind is voor mijn gevoel een stuk minder aangenaam dan het landschap dat door niets eenzaam gemaakt wordt en waarin je je als de eerste mens voelt.

Maar dat dicht bij je doden zijn, ook al zijn ze onrustig, dat heeft iets intiems. Het wachten is ademloos, niet alleen omdat de dood nu eenmaal ademloos is, maar ook omdat er zoveel te verwachten is.

Er staat nog veel meer in ‘Toen het ging kraken in de structuren’ (het gedicht vult bijna twee pagina’s) en je kunt er lekker lang op kauwen.

Laat ik besluiten met een gedicht over het breken van een arm. Het eindigt met een ironische zin, zoals er zoveel staan in de gedichten van Leusink. Ik moest er bij dit gedicht om grinniken en die verse plag in de eerste strofe beviel me ook uitermate goed. Dat bedje van vlammende pijn verraadt het restaurantverleden van Leusink.

Een huis steekt op als de noordenwind

Ik zie de pas ontgonnen grond onder mijn voeten
voor het eerst bewegen: te klein plekje
onder aan die te steile trap
ben ik de verse plag die in de akker past?

de arm paste niet en brak als de kaprijpe tak van de lariks
je hoorde het kraken nog dagen later
je voelde het golven van kapotte opperarmbeenbotten
je zag het ontspringen van regenbogen
(zeezieke zee op een kleurrijk bedje van vlammende pijn)

was ik ontarmd en brakerig bang
moesten de vrienden komen extra sleutels
yoghurt muesli en banaan mijn trouwe hond
moest uit logeren gaan de katten bleven liever
(hun oude haren vielen lelijk uit)

materie slaat je het lichaam in, de spiegel
voor je mond beslaat van schaamte: heb ik
of ben ik arm? een woord verkent een hoofd

na zes jaar zen en yoga viel het vallen stevig tegen.

Kopen dus die bundel. Eerst voor jezelf en daarna voor een ander. En nog weer later alle andere bundels van Leusink, voor zover ze nog te krijgen zijn. Geniet!



http://teunisbunt.blogspot.com/

dinsdag 1 november 2011

Recensie Bouke Vlierhuis op Hanta http://www.hanta .nl: 'Tot alles goed strak staat'

Zomerpoëzie (1): De Crée, Goudeseune, Leusink en de huisdichters van de RuG


18/07/2011
door Bouke Vlierhuis
Gepubliceerd in poëzierecensies

Wat is een mooiere manier om de zomer door te komen dan met een stapel dichtbundels? Hanta heeft er nog wel een paar en brengt dus vanaf nu in drie afleveringen Hanta Zomerpoëzie. In deze eerste aflevering: Marleen de Crée, Koenraad Goudeseune, Jane Leusink en de eerste tien huisdichters van de Rijksuniversiteit Groningen.

Het is niet de lava van De Crée is weer zo’n prachtig uitgevoerd exemplaar zoals alleen Uitgeverij P. ze kan
maken. Een dun boekje (30 gedichten) in een bijna-vierkant formaat, gedrukt op dik glanzend papier en geïllustreerd met vervreemdende close-ups van gestolde lava.

Het cliché dat Vlaamse poëzie emotioneler en barokker is dan Nederlandse gaat ook nu weer op. Zo sterk zelfs dat ik, Hollander, vind dat het er wel een beetje dik bovenop ligt. Vooral de donkere, onheilspellende natuurbeschrijvingen, met een hoofdrol voor de wind, zijn wat veel van het goede. Al op de eerste paar pagina’s komen we wind tegen die ‘naar de laatste dag’ ruikt en ‘een lage wind’ die ‘onrust in de takken’ brengt. In ‘Nul-uur’ lezen we: ‘wolkenplooien hangen tussen de heuvels. / lucht betwist het bos. hier en daar / drupt een flard tussen de stammen. / zwijgen rekt zich als een luie deken.’

Het is mooi, maar het geeft, ook door het gebruik van al die punten, heel weinig lucht. ‘De honden van de nacht’, ‘brandend zielvuur’, ‘vlinders van slapeloosheid’, ze maken van Het is niet de lava een loodzware bundel.

‘De laatste poète maudit van Nederland’ noemt uitgeverij Atlas Koenraad Goudeseune. Het zal wel, en hij heeft zeker zijn momenten, maar over het algemeen vind ik zijn poëzie behoorlijk aan de flauwe kant. Dichters na mij is daarop geen uitzondering. Het gedicht ‘Mijn avonden’ (dat, zoals veel gedichten uit deze bundel, ook op het weblog van de dichter te lezen is) deed mij in mijn notitieboekje zelfs de uitroep ‘Aargh’ noteren, een eer die tot nu toe slechts Karel ten Haaf te beurt was gevallen.

Goudeseune schrijft af en toe best een aardig gedicht, maar zelfs dan heeft hij de behoefte om alles met een flauwe punchline weer te verpesten. Of door bijvoorbeeld aan te komen met ‘iemand die diep in de jungle leeft en geen tamtam maakt’. Hij sluit de bundel af met ‘De definitie van poëzie’. Oordeel zelf:

De definitie van poëzie

Is een bouwvakker die niet fluit naar een mooie vrouw
een soort dichter?
Gesteld dat hij die vrouw werkelijk mooi vindt,
fluiten kan en niet neerkijkt op fluiten naar mooie vrouwen.

Is een gedicht een mooie vrouw die door een bouwvakker
niet wordt nagefloten?
Gesteld dat ze werkelijk mooi is
en niet zou neerkijken op fluitende bouwvakkers.

Maak je een keuze of laat je je niet tot een keuze verleiden
als je een gedicht wil schrijven?
Loop je rond met grootse plannen
of hou je mooi zijn voor bekeken?

Ook Atlas maakt trouwens altijd hele mooie boekjes. Iets bescheidener vormgegeven dan die van P., maar consequent heel erg mooi.

Goed strak, dat is de opzet van Tot alles goed strak staat van Jane Leusink zeker. Het achtdelig gedicht ‘Het
gedicht is een werkwoord’ fungeert als rode draad. Ieder deel wordt gevolgd door drie gedichten die thematisch sterk verwant zijn. Acht minibundeltjes zijn het bijna, aan elkaar geregen tot een geheel, dat dan weer wordt ingeleid met een kort gedichtje over een appelboom en een kroeg. Ik weet niet wat ik daarvan moet denken. Van de meeste andere gedichten ook niet. Vooral ‘Het gedicht is een werkwoord’ is cryptisch en donker, weinig vrijblijvend en zeker niet ontspannen, maar mijn belangstelling is onmiddellijk gewekt: ‘Vandaag zijn wij kneedbare zinnen die / kieren forceren voor wat ook of ooit: / voor het hele idee van mixen wat boeide / de herrie bewerken, het gras snoeihard aan’.

Het is duidelijk dat Leusink – naast andere thema’s: de liefde, het moderne leven, de ontluikende vrouwelijkheid met de bijbehorende zoekende erotiek (die vaak op een of andere manier met paarden verbonden wordt) – ook een poëticale boodschap heeft. Maar ook die is niet makkelijk te ontcijferen. De rode lijn lijkt echter te zijn (‘het gedicht’ is tenslotte ‘een werkwoord’) dat dichten ploeteren is.

Het ploeteren heeft de, ondanks haar Buddingh’-prijs een beetje ondergewaardeerde, Leusink een mooie, strak gecomponeerde bundel opgeleverd.

woensdag 8 juni 2011

Geplaatst op de Contrabas

http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2011/06/studio-oudebildtzijl-7-lidewij-terwijl-zij-aan-haar-ijsje-likt.html

2-6-11
Studio Oudebildtzijl (7): Lidewij terwijl zij aan haar ijsje likt
Jane Leusink, Tot alles goed strak staat (Uitgeverij kleine Uil, Groningen 2011)

Je hebt, ruwweg, twee groepen dichters: taaldichters en ideeëndichters. De ene groep komt hoofdzakelijk tot een gedicht via taal, de andere groep via een idee. De Amerikaanse dichter Richard Hugo onderkende twee verschillende werkwijzen die een dichter kan kiezen. Wat ik nu maar noem de taalgroep huldigt het principe ‘all truth must conform to music’, wat bij Hugo zoveel wilde zeggen als: uit het spelen met de taal komt een poëtische waarheid tevoorschijn. De ideeëngroep werkt omgekeerd: ‘all music must conform to truth’. Deze dichters hebben al een waarheid gevonden en zoeken daar taalmuziek bij. Deze laatste methode, zei Hugo, werkt alleen bij de allergrootsten, zij die zeg maar de genade hebben ontvangen. Hij noemde W.H. Auden als voorbeeld. Gewone stervelingen, u en ik dus, kunnen slechts bidden en werken en hopen (op een gedicht als uitkomst van ons zwoegen).

Jane Leusink (62), hoewel winnares van de C. Buddinghprijs voor haar debuut in 2003, hoewel docente aan de Schrijversvakschool Groningen, is in bovenstaande zin geen genade geschonken. Nu is zo’n tweedeling van dichters natuurlijk nogal schematisch - behalve idee en klank (muziek) kan poëzie immers bijvoorbeeld ook een beeld of een anekdote of een herinnering als basis hebben – maar Leusink zou zeker een dichter naar Hugo’s hart zijn geweest. Haar nieuwste bundel, Tot alles goed strak staat, is gewonnen uit de Groningse klei die ze bewoont, maar tegelijkertijd zingt haar poëzie er zich los van.


Tot alles goed strak staat is een strak georganiseerde bundel, bestaande uit acht afdelingen van ieder drie gedichten, het geheel overkoepeld door de achtdelige cylus ‘Het gedicht is een werkwoord’. Steeds gaat een gedicht van die cyclus vooraf aan een afdeling. Motieven als het wonen in een dorp op het Groningse platteland, relaties, dood en een scheiding laten zich herkennen, maar dringen zich niet op; het werkelijke onderwerp van deze poëzie is de taal zelf.
De bundel is een onderkomen voor wat in een eerder stadium nog ‘kneedbare zinnen’ waren, ‘gedichten van voor ze dat waren’, gemaakt ‘op die morsige plek in je hoofd met tochtige hoeken’. Ze zijn door dichter tot gedicht gemaakt en ‘onderdak’ gebracht, de titel van de eerste afdeling. Die bestaat uit drie gedichten waarin subtiele verbanden worden gelegd tussen het samenwonen met een partner en (een mooie variant op Slauerhoff) het samenwonen met een gedicht. ‘Buiten’ (p. 13) zegt het zo:

Ook al wijzigen wij conflicten en landkaarten
en zijn onze foto’s altijd een beetje bewogen
ik breng je onderdak
ik begraaf ook foute ervaringen
ik doe ze in een plastic zak met stenen verdrink ze
ik doe het raam open smijt ze naar buiten
klim ik eerst op de stoel dan op de tafel
voor het raam, daarna oesters van de banken
halen puur serveren met champagne een opera
van het huis en de kaars die onvoorwaardelijk
je pagina verlucht

In het verleden kreeg Leusink het verwijt dat ze bepaalde stijlfiguren nogal overdadig toepaste (alliteratie), te zeer koerste op bijbelse en klassieke motieven, zich bezondigde aan ‘namedropping’ en zich te buiten ging aan jargon; Catharina Blauwendraad heeft daar op Poëzierapport over geschreven. Of Leusink het boetekleed heeft aangetrokken, doet niet veel terzake; op haar nieuwe bundel is de oude kritiek niet meer van toepassing. Op één dingetje na, dan toch: haar soms overdadige gebruik van, deze keer, assonantie.

Van een regel als ‘(..) Lidewij, / terwijl zij aan haar ijsje likt’ krijg ik een beetje de kriebels. Oorverdovend is bijvoorbeeld ook het aantal lange a’s in de eerste regels van het gedicht ‘Wat ik zou willen met paarden maar nooit heb gedaan’:

Ik zag twee paarden in de wei hun liefdesadem
die blauwe nacht in maart toen jij mij tweemaal riep
en ik toch naast je liggen mocht je schoof wat op
en maakte ruimte voor mijn schaamte
die warm geslingerd in je beslagen adem lag

Of in ‘Vergeet deuren en liften’: ‘(..) waakzaam / de slaapkamer waar we van alles hebben meegemaakt’. Of tel het aantal korte a’s in deze regel van ‘Een huis steekt op als de noordenwind’: ‘de arm paste niet en brak als de kaprijpe tak van de lariks / je hoorde het kraken nog dagen later’.

Deze overdaad heeft, zoals duidelijk moge zijn, te maken met het procedé dat Leusink volgt, met de motor van haar gedichten: klankassociatie, eerder dan beeld- of betekenisasscociatie. Bij haar wordt de keuze voor bepaalde woorden in hoge mate bepaald door hun klank. Zo staat het ook in het gedicht ‘Vakantie’: ‘ze verlost woorden van de dingen waar ze over gaan: / het mes van het mes / het brood van het brood / de blikken van de vrienden van de blikken en van de vrienden zelf’.

Het gebruik van assonantie in gedichten zou ook een inhoudelijk-dynamische reden kunnen hebben, bijvoorbeeld wanneer de dichter een apotheose of een pointe of een wending in zijn gedicht met klank wil kronen of aankondigen, maar dat lijkt niet Leusinks opzet te zijn geweest. Jammer, want met een dergelijke toepassing was mijn lichte irritatie over de lange streken van Leusinks strijkstok vermeden.

Er is echter ook een keerzijde. De muzikaliteit van haar taal veroorzaakt behalve een grote rhetorische welluidendheid ook een verslapping van de grammaticale tucht, of, in waarderende zin: ze hanteert soepele, wendbare zinsverbanden, waardoor haar musiceren alle ruimte krijgt. Ook is het op die manier goed mogelijk om verbanden tussen diverse tekstwerelden te suggereren (landschap, taal, gedicht, relatie) en die sferen inelkaar te laten overlopen. ‘Het hele idee van mixen wat boeide,’ noemt ‘Het gedicht is een werkwoord 1’ dat. Een stijlvorm dus die hier zonder meer op z’n plaats is.

Tot alles goed strak staat is absoluut scheutig met prachtige gedichten, ik noem alleen al ‘Buiten’, ‘Toen wij een waarachtige amazone ontmoetten’, ‘Toen het ging kraken in de structuren’, ‘Wat dacht je dan ik hou’ en ‘Geen Medea ben ik’. Toch mag Leusink van mij de volgende keer wel een toontje lager zingen. Behalve tot overdadige assonantie leidt het zwoegen op het woord soms ook tot flauwe malligheden. Een schilder is een ‘man met het oog aan zijn hand’. Elders staat dit: ‘moe van het ophalen herinnert hij zich’. Ook komen we mannen tegen die ‘in crisistijd voor geen greintje vervaard waren’.

Maar dat zijn uitzonderingen. Jane Leusink dicht met een groot, klassiek gevoel voor compositie en voor de muzikale tover van poëzie. Mijn opmerkingen zijn kanttekeningen. Petje af.

© Abe de Vries, 2 juni 2011



Geplaatst door Chrétien Breukers op 2-6-11 | Permanente link
Reacties
U kunt deze conversatie volgen door in te schrijven op de reactiefeed van dit bericht.

wat is het probleem met assonantie? hier zeer welkom lijkt me. Verder word ik door deze onduidelijke bespreking niets wijzer van de bundel, zal hem zelf aanschaffen.

Geplaatst door: Adriaan Krabbendam | 3-6-11 om 0:11

"Toch mag Leusink van mij de volgende keer wel een toontje lager zingen."

Kunnen weinig hebben, die critici van tegenwoordig.

Geplaatst door: RHCdG | 3-6-11 om 4:15

@Krabbendam: Aanschaffen? Missie geslaagd.
@ RHCdG: Ze kunnen wel veel hebben, maar ze vinden ook overal iets van, dat zal het zijn.

Geplaatst door: Abe de Vries | 3-6-11 om 9:06

Recensie Joop Leibbrand op Meander

http://meandermagazine.net/wp/2011/06/die-lieverd-zei/

Meander / literair e-zine, sinds 1995
(s). Jane Leusink - Tot alles goed strak staat
Die lieverd zei
door Joop Leibbrand
Jane Leusink
Tot alles goed strak staat
Uitgever: Uitgeverij kleine Uil
Jaar: 2011
ISBN: 9789491065057

Jane Leusink gaf haar vierde bundel als titel mee Tot alles goed strak staat. Zou de lezer vergast worden op de zegeningen voor het vrouwenlijf van gezondheidskuren en fitnesstrainingen, of misschien van liposuctie en botoxbehandelingen? Fantasie heeft maar een enkel woord nodig om op hol te slaan, maar uiteraard blijkt het anders te zitten.
Nogal wat gedichten in deze bundel hebben een poëticale lading, zoals ‘Wat dacht je dan ik hou’, waarin beschreven wordt hoezeer de ik-figuur gesteld is op ‘het op orde houden van spulletjes‘, zoals bijvoorbeeld de antieke schommelstoel met biezen zitting van ‘oma Jet‘. Ze droomt erover, hij zit in haar ‘rommelige hoofd‘, en hoewel de stoel al lang weg is ‘(de opkoper stond erbij te juichen)‘, is het een extra reden om hem goed te bewaren, omdat het eigen bestaan afhangt van de dingen die er altijd geweest zijn. Vandaar: ‘ik zit elke avond te zwoegen/ oefen het maken/ trek biezen door gaatjes steek er meteen/ houtjes achter tot alles goed strak staat/ pas als alles gedaan is haal ik ze los.‘
Niet uitgesloten dat Leusink in haar vrije tijd aan handvaardigheid doet, maar dit lees je toch in de eerste plaats als een adequate beschrijving van wat ze als ‘ploeterende’ dichter doet: oefenen, het in de vingers krijgen, verbanden vlechten, ervoor zorgen dat alles klopt, dat het werk dankzij de vaste orde zo ’strak’ staat, dat het alle gewicht kan dragen.

De behoefte aan ordening blijkt in Tot alles goed strak staat zeker ook uit het vaste grondpatroon dat de bundel meekreeg. Er zijn acht betitelde afdelingen met telkens drie gedichten, die voorafgegaan worden door van 1 t/m 8 genummerde cursief gezette gedichten onder de titel ‘Het gedicht is een werkwoord’, een cyclus over het schrijven van poëzie. Het eerste gedicht is daarin tamelijk expliciet:


1. Het gedicht is een werkwoord

Vandaag zijn wij kneedbare zinnen die
kieren forceren voor wat ook of ooit:
voor het hele idee van mixen wat boeide
de herrie bewerken, het gras snoeihard aan

[...]

in de wankele zekerheid dat alles
van vorm is gemaakt op die morsige plek
in je hoofd met tochtige hoeken vol gedichten
van voor ze dat waren en je wist het niet
of ze uit gingen komen (in weelderig licht
van de maan of de tas van de postbode).

Vrijwel elk gedicht van deze cyclus begint ermee dat een ‘wij’ (een soort pluralis majestatis) in een bepaalde situatie wordt geplaatst: ‘Vandaag wij geven het toe hebben we/ een wild woekerende tuin bij de hand‘ (2), ‘Of zijn wij vandaag het geluid van hoog land/dat zucht onder opgedolven klei van elders‘ (3), ‘Morgen zijn wij geen twijfel mogelijk/ de deuren van luchthavens‘ (4). Wat volgt kan metaforisch gelezen worden als beeld voor het schrijfproces, voor inspiratie en stofvinding, maar dat dan niet op de simpele manier van beeld en toepassing van het beeld. In dat keurslijf laat Leusink zich niet dwingen, daar is haar aanpak te vrij voor. Ze verrast in bijna elk gedicht, geen moment is zij saai of voorspelbaar, maar maakt wel duidelijk dat dichten hard werken is, omdat datgene wat zich aandient, eerst toegankelijk gemaakt moet worden. ‘Hoe dan ook een dicht gedicht vandaag/ helaas potdicht zweet de zwangere vrouw/ met het puntje van haar tong/ tussen haar lippen‘.

De acht driedelige reeksen zijn een feest om te lezen. Het is krachtige poëzie, rijk van taal, gevarieerd van inhoud, soms glashelder en soms raadselachtig, op een gedoseerde manier persoonlijk, altijd intrigerend. En er spreekt een bepaald zelfvertrouwen uit, dat maakt dat Leusink ook dúrft te schrijven, de ruimte neemt – veel gedichten zijn bladvullend.

‘Onderdak’, de eerste afdeling, legt de vermoedelijke basis van waaruit al het andere geschreven kon worden: een vaste, verrijkende liefdesrelatie, waarin onheil, onrust en onzekerheid haast bezwerend onschadelijk worden gemaakt. ‘het komt goed/ en anders komt het goed ik hou van je‘, staat er in het eerste gedicht.
In ‘Bewolkte tijd’ gaat het om afscheid. In het eerste gedicht van een dorp, waarschijnlijk Leens, waar ze geruime tijd gevestigd was en waarover ze zegt ‘Je slenterhaast er in een jaar of tien doorheen‘. In de twee andere gedichten staan gestorvenen centraal. Het ene is een erg mooi in memoriamgedicht voor ‘een waarachtige amazone‘, het andere is toegeschreven op het Egidiusmotief.
‘Het gras in de raai’ beschrijft in twee gedichten de impact van familieleven (’Feind hört mit‘, ‘de grazende orde van een onzichtbare waarheid‘). Het derde, ‘Toen het ging kraken in de structuren’, dat eerder verscheen in de Groninger verzamelbundel De wierde van Wierum, laat de wierde vorm krijgen terwijl het gedicht zich al het ware zelf opgraaft. Heel ingenieus gedaan.

Omdat de tot hier gevorderde lezer wel even een adempauze verdient, en de bundel ook wel wat lucht kan gebruiken, biedt Leusink in de vierde afdeling, ‘Hemelwaarts’, een drietal pantoens, die ze citaten meegeeft van achtereenvolgens T.S. Eliott, Houellebecq en Prévert. De eerste, met een titel die sterk aan Fritzi ten Harmsen van der Beek doet denken (aan de dichteres van Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten wordt later in de bundel nog eer bewezen), is verreweg de beste:


Over het sterven van Koepoes met het sterke hart

Met onze Koepoes naar de dierenarts die lieverd zei
Het oude lichaampje tot op de botten uitgedroogd
Het zakje botten gaf hij de narcosespuit
Na 5 minuten de injectie van de dood

Het oude lichaampje tot op de botten uitgedroogd
Ik aaide Koepoes, het duurt en duurt, je bent nu bijna vrij
Na 5 minuten de injectie van de dood
Het hartje klopte nog, de dokter gaf een nieuwe spuit

Ik aaide Koepoes, het duurt en duurt, je bent nu bijna vrij
De dokter zei: die heeft al voor een hond van 40 kilo
Het hartje klopte nog, de dokter gaf een nieuwe spuit
De adem stokt, ziel kruipt terug en strekt zijn pootjes uit

De dokter zei: die heeft al voor een hond van 40 kilo
Het zakje botten gaf hij de narcosespuit
En adem stokt, ziel kruipt terug en strekt zijn pootjes uit
Met onze Koepoes naar de dierenarts die lieverd zei.

Op een volkomen natuurlijke manier wordt hier door verschuiving en vertraging de lineaire tijd doorbroken, is al geweest wat nog moet komen, staat stil wat voorbijgaat. Knap.

Afdeling vijf draagt de titel van de bundel. Het is een reeks gelaagde gedichten die het letterlijke speelveld zijn van de kracht van herinnering en verbeelding, met een diepe reflectie op de grens tussen fictie en werkelijkheid waarin het dichten zelf centraal staat. Opmerkelijk is hoe Leusink de titels hier uitbreidt met een aparte, cursieve strofe die dus nog aan het gedicht voorafgaat. ‘Tegenwoordig trek ik er in woorden op uit’, is de titel van het eerste gedicht, en daaraan voegt ze toe: ‘die extra veel ruimte innemen als water of schuivende/ wolken in de natuur van een altijd durende roman/ die dan achteloos een luxe dingetje loslaat/ van lang geleden maar dat puntgaaf/ het heden indraagt‘. Het is een adequate omschrijving van wat er in deze poëzie gebeurt: ieder gedicht is een puntgave sequentie, een taalding van louter luxe.

De laatste drie afdelingen, waarin ze steeds persoonlijker gaat schrijven, houden het niveau moeiteloos vast.
In ‘Flexibele plekken’ gaat het achtereenvolgens over het afscheid van een levensfase, de onvermoede gevolgen van een armbreuk en een nieuw, moeilijk begin waar Erato – altijd weer de poëzie – haar doorheen zal helpen.
‘Brood en mes’ opent met ‘Afrekenen’, dat beschrijft hoe lezen en schrijven geblokkeerd kunnen worden door het besef iemand te missen. Vanwege het noemen van de naam Gerben, wordt de lezer sterk in de richting van C.O. Jellema gestuurd, over wie Leusink eerder schreef. Het slot luidt: ‘waarom is het lijden als het geluk je kunt er niet bij// wie brengt het naar zijn plaats/ zeg op! haar hart en nieren willen het weten// in verstand heerst de oogklep/ in haar neusholte ruist het en ruist het.’ Je proeft hier een heftigheid die even aan het werk van Anna Enquist doet denken. Ook voor de volgende twee gedichten geldt dat. In ‘Vakantie’ is er een zij die alles nader moet bezien, alles nieuw wil maken; ‘ze verlost woorden van de dingen waar ze over gaan:/ het mes van het mes/ het brood van het brood/ [...] opgelucht ontdoet ze zich van zichzelf/ tot boven haar armen tot boven haar hoofd‘. ‘Onder alles uit’ biedt in drie delen een indringend zelfportret van een zij die van zichzelf weet een vat vol tegenstrijdigheden te zijn. Iemand die altijd buiten de perken wil, vooral altijd wíl, die altijd gereed staat om haar kansen te grijpen, ruimte en tijd naar haar hand te zetten en toeval ‘koud’ te maken. Iemand met maniakale precisie, maar emotioneel een vergiet, want al bij trivialiteiten heftig ontroerd. Én als iemand die alles waarvoor ze staat zomaar impulsief onderuit kan halen op een manier die versteld doet staan:


eventueel is het mogelijk dat ze op een avond
zonder duidelijke reden haar ogen sluit zich stevig
vasthoudt aan de tafel sjort trekt en
een sneeuwwit laken onder alles uitrukt.

De bundel besluit met ‘Inbraak’, met daarin de gedichten ‘Geen Medea ben ik’, ‘Kassandra’ en ‘Inbraak’. De eerste twee stonden in een voorpublicatie in Meander, het laatste is een alleraardigst in memoriamgedicht voor F.H.v.B., die naast de bundels Geachte Muizenpoot en Kus of ik schrijf ook de verhalenbundel Neerbraak schreef.

Sinds haar debuut is Jane Leusink eigenlijk alleen maar beter geworden. Met deze bundel bewijst zij dat ze is uitgegroeid tot een van de toonaangevende dichters van ons taalgebied.

***
Jane Leusink (Velp, 1949) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde en enkele jaren kunstgeschiedenis Met enkele korte onderbrekingen was zij van 1975 tot 1995 werkzaam aan het Spinozalyceum te Amsterdam en aan de faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit. Van 1995 tot 2003 had ze een eigen taaladviesbureau en daarna dreef ze met een compagnon in Leens een exclusief restaurant. Momenteel is ze docent aan de Schrijversvakschool Groningen.
Haar debuut was Mos en gladde paadjes, in 2003 bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut van dat jaar. In 2005 verscheen Erato en in 2008 Er is weinig aan de lente veranderd.

vrijdag 27 mei 2011

Interview Dagblad van het Noorden door Joep van Ruiten

http://www.woestenledig.com/woestenledig/2011/05/jane-leusink-en-het-gebruik-van-verboden-woorden.html

Jane Leusink en het gebruik van verboden woorden door Joep van Ruiten
Jane Leusink (foto Dolf Verlinden) weet het nog, het moment waarop ze door de ‘muze' werd bezocht. Het was omstreeks 1994. Ze zat 's avonds in de auto op weg naar huis en luisterde naar de radio. Opeens hoorde ze een stem de volgende zin uitspreken: ‘Het is rustig hier op het eiland.' Zeven, tamelijk alledaagse woorden. En toch raadselachtig.

"Die zin appelleerde aan iets echts", herinnert Leusink zich. "Het voerde me terug naar Suriname, waar ik daarvoor een tijdje was geweest. Het was vooral een merkwaardige gewaarwording. Ik werd gegrepen door iets taligs. Het was een ervaring die ik niet eerder zó bewust had meegemaakt." Thuis zette ze de zin op papier. En de dagen daarna groeide er een gedicht uit.

Zie daar haar poëtica in een notendop, of althans een glimp van die poëtica. De gedichten van Jane Leusink (Velp, 1949) komen niet linea recta voort uit een anekdote, herinnering, gevoel, gelegenheid of beeld. Ze rijzen op de eerste plaats op uit de taal. Soms is een zin in de krant al voldoende als aanzet. Soms gebeurt het na woorden die ze bij toeval opvangt, op een bankje in het park.

"Ik las in de biografie van Vasalis dat zij op haar gedichten zat te wachten, alsof die ineens te voorschijn konden komen", vertelt ze. "Ik werk met een boekje waarin ik mooie zinnen noteer. Bij mij gaat er een besluit aan vooraf. Soms moet ik er dan ook nog voor op reis, research plegen. Bij mij is het een kwestie wíllen schrijven. Je moet voor een gedicht goed kunnen zitten."

Leusink was de vijftig gepasseerd toen ze als dichter debuteerde met de bundel Mos en gladde paadjes; ze kreeg er in 2003 de C. Buddingh'-prijs voor. In 2005 volgde Erato, in 2007 was ze betrokken bij de C.O. Jellema-hommage Kwam iemand in de tuin vanmiddag, in 2008 kwam de bundel Er is weinig aan de lente veranderd en in 2010 was ze mede-samensteller van De wierde van Wierum (2010).

De publicatie van Tot alles goed strak staat, kort geleden, maakt haar tot een van de meest productieve dichters in Noord-Nederland. "Ik heb heel lang gedacht dat ik een lezer was, geen schrijver," zegt ze. "Tegen ons, studenten Nederlandse Taal- en Letterkunden, werd gezegd dat wij allemaal mislukte dichters waren. Ik was diep onder de indruk van die mededeling. Het idee dat ik mij zou durven meten met Kloos, met Slauerhoff, met Nijhoff… Ik schreef wel, maar vooral stiekem."

Na de studie volgde het echte leven: een man, werk, kinderen, verhuizingen, een moestuin. Begin jaren negentig zette ze een punt achter haar werk voor de Open Universiteit en volgde een periode van zelfonderzoek. "Toen ben ik serieus gaan schrijven. Toen ontdekte ik hoe ik voorbij de rare particuliere aanleidingen kon komen als de dood van het konijn en de ziekte van een vriend."

Wat ze schreef, bleek beter dan ze zelf dacht. Toch voelde Leusink zich aanvankelijk als late dichter een zij-instromer. "Het deed denken aan wat ik meemaakte tijdens een studie kunstgeschiedenis: de docent is vooral geïnteresseerd in de jonge student, die hij nog kan vormen. Oudere studenten worden minder serieus genomen. Het is iets ongrijpbaars. Alsof je op latere leeftijd niet echt interessant bent. Gelukkig ben ik dat stadium voorbij."

Wat heet: inmiddels staat ze voor de klas, als docent poëzie bij de Schrijversvakschool in Groningen. "Toen ik was gedebuteerd, wees iemand mij op het gebruik van verboden woorden in mijn gedichten, zoals ziel, pijn en verlangen. Ik had ergens het woord strelen gebruikt. Een echte dichter zou voor aaien hebben gekozen. Nu mag ík het juiste gebruik van verboden woorden uitleggen. Dat het er om gaat ze bewust te gebruiken, op het juiste moment en de juiste plaats."

De geest is uit de fles. Tot alles goed strak staat vormt het bewijs, met lange gedichten, met veel woorden en veel aandacht voor ordening en structuur. "Ik ben geïnteresseerd in wat taal vermag, in ritmes en klankkleur, in het moment waarop de taal communiceert", zegt ze. "Vergelijk het met de eerste streken van een schilder op het doek: wat er dán gebeurt. Je kunt als dichter wel van alles vooraf willen bedenken, maar het gedicht zelf heeft ook wat te vertellen."

De bundel Tot alles goed strak staat van Jane Leusink is verschenen bij uitgeverij kleine Uil. Prijs €15 (64 blz.). Zie ook http://janeleusink.blogspot.com/

dinsdag 10 mei 2011

OOG-radio Blauwe Maandag Interview

http://www.radioblauwemaandag.nl/?p=96

knip en plak in de browser.

woensdag 13 april 2011

Flaptekst Tot alles goed strak staat

[Linkerflap]

Tot alles goed strak staat is de vierde bundel van Jane Leusink. Net als haar vorige bundel is ook deze weer van een stevige structuur voorzien: drietallen van gedichten, reeksen, worden bij elkaar gehouden door een overkoepelende reeks ‘Het gedicht is een werkwoord’. Vrij en gedurfd zou je Leusink’s werkwijze kunnen noemen.

In Tot alles goed strak staat experimenteert ze wederom met de ‘pantoen’, een strenge én speelse dichtvorm waarin de regels zich volgens een vast patroon herhalen en de betekenis verschuift hoewel de woorden precies hetzelfde blijven .

In het lange gedicht ‘Wat ik zou willen met paarden maar nooit heb gedaan’ begeeft ze zich op de rand van de kitsch met een gewaagde slotzin die bij een ander al gauw larmoyant zou worden. Met het gedicht ‘Fritzi’ schrijft ze een boeiende pastiche op de poëzie van Fritzi Harmsen van Beek waarin ze haar fascinatie en bewondering voor deze dichteres voluit verwoordt.


[Rechterflap]

Over Er is weinig aan de lente veranderd:
‘Verrassend is de verscheidenheid aan registers die ze in de bundel opentrekt. Het is niet één stem die hier klinkt […] Desondanks is er een strakke regie.’ Arie van den Berg in NRC Handelsblad.

‘In weinig andere bundels van de afgelopen tijd valt zoveel te beleven als in deze. Hij is episch en lyrisch tegelijk, even uitdagend als toegankelijk, even experimenteel als beheerst [ …]’ Joop Leibbrand op Meandermagazine.

‘Leusinks taal wordt terecht geroemd als beeldrijk en gespierd, eigenzinnig en overrompelend […].’ Menno van der Beek in Liter
Jane Leusink studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Amsterdam en was werkzaam aan het Spinozalyceum aldaar en aan de faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit. Ze had haar eigen taaladviesbureau en dreef samen met chef-kok Dick Soek het toprestaurant Het Schathuis Verhildersum in Leens. Momenteel is ze docent aan de Schrijversvakschool Groningen.
In 2003 ontving Jane Leusink de C. Buddingh’-prijs voor haar debuut Mos en gladde paadjes. Erato kwam in 2005 uit en in 2008 volgde Er is weinig aan de lente veranderd. Met Ton Meijer en Marjoleine de Vos stelde ze de bundel Kwam iemand in de tuin vanmiddag. Een poëtische hommage aan de dichter C.O. Jellema (2007) samen en met Remco Ekkers de bundel Wierde van Wierum, gedichten ter gelegenheid van de renovatie van een wierde (2010).

maandag 11 april 2011

Tot alles goed strak staat

Presentatie: Tot alles goed strak staat
Datum: 29 april aanstaande
Plaats: Erlenmeyerzaal Het Paleis, ingang Boterdiep `111, Groningen
Tijd: 16.00 uur
Bestellen: Uitgeverij kleine Uil.nl
Vanaf: 22 april