Dit jaar stelde Kathleen Ferrier, jury-voorzitter van de VSB Po-ezieprijs 2012 (de belangrijkste prijs voor dichters in het Nederlands taalgebied), De honderd beste gedichten samen. De selectie is gemaakt op basis van 122 ingezonden dichtbundels die verschenen tussen 1 september en 31 augustus 2011 (achterflap).
Op pagina 98 vindt u 'Toen wij een waarachtige amazone ontmoetten' uit Tot alles goed strak staat (verschenen in april).
Voor de volledigheid:
In de bundel van 2008 werd 'The lark ascending' opgenomen uit Er is weinig aan de lente veranderd', (pagina 62, samenstelling Rob Schouten) en in 2003 ' Sneeuw die tot juli blijft liggen' (III) uit Mos en gladde paadjes, dat in dat jaar ook de C. Buddingh' prijs won (p. 99, samenstelling Ad Zuiderent).
Posts tonen met het label Er is weinig aan de lente veranderd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Er is weinig aan de lente veranderd. Alle posts tonen
zaterdag 11 februari 2012
vrijdag 11 november 2011
Groninger Kroon
Voor de kunstenaarssociëteit de Groninger Kroon geef ik aanstaande woensdag (16 november) een lezing over een aantal gedichten uit Tot alles goed strak staat. Verder aandacht voor de gedichten uit eerdere bundels.
Thema: hoe lees je een gedicht oftewel: hoe krijg je een gedicht eigenlijk open?
Plaats: café Hammingh in Garnwerd, aanvang 20.00 uur.
Thema: hoe lees je een gedicht oftewel: hoe krijg je een gedicht eigenlijk open?
Plaats: café Hammingh in Garnwerd, aanvang 20.00 uur.
woensdag 17 maart 2010
Recensie 'Er is weinig aan de lente veranderd' , De Recensent, Edwin Fagel
Titel: Er is weinig aan de lente veranderd
Auteur: Jane Leusink
ISBN: 9789077487662
Uitgever: Uitgeverij Kleine Uil
Datum bespreking: 18 Februari 2009
Melancholisch, nuchter, lyrisch, mystiek, grappig, filosofisch, erudiet, plat en experimenteel
Het moest even opgezocht, maar nu weet ik het voortaan: het pantoen is een Maleisische dichtvorm, bestaande uit strofen van vier regels met gekruiste rijmen: de regels 2 en 4 van de eerste strofe worden regel 1 en 3 van de tweede strofe, en zo verder. In de derde bundel van Jane Leusink, de winnares van de C. Buddingh’-prijs 2003, fascineren vooral de pantoens. De herhaalde regels geven de gedichten een pregnante toon, een zekere urgentie, en ik heb het idee dat Leusink hier aan de kern komt van wat ze zegt met haar bundel Er is weinig aan de lente veranderd.
De pantoens staan in de reeks ‘Oefenplaats (dan is er weer vorm, en vorm)’. Lees bijvoorbeeld ‘Aan het reizen bij verdriet’, bij de Winterreise van Schubert:
Reis altijd licht: die Liebe liebt das Wandern
Ik hoor het in haar stem. God heeft haar zo gemaakt
En de natuur vanzelf, want het is god Natuur
Buig licht voorover als storm over velden woedt
Ik hoor het in haar stem. God heeft haar zo gemaakt
Zing pianissimo als ware het nat van tranen
Buig licht voorover als storm over velden woedt
Men regent hier, dan daar, het wordt voor ons besloten
Zing pianissimo als ware het nat van tranen
En de natuur vanzelf, want het is god Natuur
Men regent hier, dan daar, het wordt voor ons besloten
Reis altijd licht: die Liebe liebt das Wandern
(p. 37)
Er is weinig aan de lente veranderd. De titel leest als de verzuchting van iemand die rouwt (om een geliefde?) en ziet hoe in de lente alles weer begint te leven, onaangedaan door het verlies. De bewuste regel is afkomstig uit een gedicht ter nagedachtenis aan C.O. Jellema, maar ook elders in de bundel speelt de dood een rol. Toch is Er is weinig aan de lente veranderd geen bundel over rouw of sterfelijkheid geworden. Integendeel: de gedichten lezen als een stevige omarming van het leven en alles wat leeft – al gebeurt dat enigszins grimmig, wanhopig bijna. Er spreekt uit de zwierige, beweeglijke, en hier en daar hortende taal een nervositeit, alsof alle waarnemingen en gedachten tegelijk moeten worden uitgedrukt:
Anders is het op deze overschoten hoogte
overhoekje (van een kromme plek krijg je een kromme rug)
zouden we deze dimensie misschien met iets kleins
kunnen trotseren, een brekerig takje of een woord of zo waarop
iets zich heeft verschanst
of zich heeft terug getrokken?
(Uit: ‘Over het volgen van het verstand’, p. 17)
De bundel is opgedeeld in de afdelingen ‘Nu’, ‘Hier’ en ‘Dit’, en dit versterkt de gedachte dat het hier gaat om een dichteres die alle taal gebruikt die in haar macht ligt om vat te krijgen op het nu, het hier, het dit. Maar het ontglipt haar onmiddellijk – juist door die taal, zoals treffend wordt geïllustreerd door de enigszins absurde ondertitels van de afdelingen. Bij ‘Nu’ wordt bijvoorbeeld toegevoegd: ‘(vandaag is onverbiddelijk stil)’, en bij ‘Hier’: ‘(is het krimpend wind en vrouwen aan boord)’.
Op dezelfde manier ontglippen de gedichten van Jane Leusink je, op het moment dat je denkt dat je ze tussen duim en wijsvinger houdt. Hoe bijvoorbeeld het gedicht op p. 27 te typeren, het derde gedicht uit de reeks ‘Schuilplaats (een hand voor ogen)’. Is het:
· Melancholisch en fatalistisch?
Straks slapen wij naast elkaar in deze heuvel/de slingerende rouwstoeten hebben hun zwijgende/werk gedaan
· Nuchter en koel?
In de grond van de zaak/gaan wij naar de zoute oceaan
· Lyrisch?
liefste waar alles geboren wordt jij mij/ met zo’n sierlijke boog over je torso gooide/ dat ik aanspoelde in die smorende golf/van goud
· Mystiek?
straks is alles weer nu gelijktijdig en eeuwig/luidruchtig in deze moederaardse omhelzing/ aanwezig of niet of vruchtbaar weer gekeerd/ als gras bloemen goddelijk stof jij mij
En die cursieve gedichten na de genummerde gedichten in deze reeks, en die weer totaal anders van toon zijn, sterker nog: die het negatief vormen van de genummerde gedichten, hoe die dan te typeren?
Wat passeert hier nu eigenlijk
nuchter beschouwd een schare van lopers
van noord naar zuid met plakkerige
broodpakjes in hun Fjällraven rugtasjes
hun ademende waterafstotende Tenson
Soft Shell windstoppers
(…)
(p. 28)
De pantoens vormen wat mij betreft het hoogtepunt van deze bundel. Maar daarmee wil ik niets afdoen aan de kwaliteit van de overige gedichten. Waar Leusink enerzijds hooggestemd schrijft over mystieke ervaringen (Hadewijch wordt in deze bundel zelfs direct aangesproken), heeft ze het anderzijds in een anekdotisch gedicht over een nogal ongemakkelijk gesprek met ‘de rustige man van CPNB’ (in: ‘Gegroet wij zullen verder moeten’, p. 47).
Er is weinig aan de lente veranderd is kortom een melancholische, nuchtere, lyrische en mystieke bundel. Maar ook is de bundel grappig, filosofisch, erudiet, plat en experimenteel. En dat allemaal tegelijk. Dat maakt deze bundel ongrijpbaar, en rijk, en het lezen ervan een telkens herhaald avontuur.
Edwin Fagel
Auteur: Jane Leusink
ISBN: 9789077487662
Uitgever: Uitgeverij Kleine Uil
Datum bespreking: 18 Februari 2009
Melancholisch, nuchter, lyrisch, mystiek, grappig, filosofisch, erudiet, plat en experimenteel
Het moest even opgezocht, maar nu weet ik het voortaan: het pantoen is een Maleisische dichtvorm, bestaande uit strofen van vier regels met gekruiste rijmen: de regels 2 en 4 van de eerste strofe worden regel 1 en 3 van de tweede strofe, en zo verder. In de derde bundel van Jane Leusink, de winnares van de C. Buddingh’-prijs 2003, fascineren vooral de pantoens. De herhaalde regels geven de gedichten een pregnante toon, een zekere urgentie, en ik heb het idee dat Leusink hier aan de kern komt van wat ze zegt met haar bundel Er is weinig aan de lente veranderd.
De pantoens staan in de reeks ‘Oefenplaats (dan is er weer vorm, en vorm)’. Lees bijvoorbeeld ‘Aan het reizen bij verdriet’, bij de Winterreise van Schubert:
Reis altijd licht: die Liebe liebt das Wandern
Ik hoor het in haar stem. God heeft haar zo gemaakt
En de natuur vanzelf, want het is god Natuur
Buig licht voorover als storm over velden woedt
Ik hoor het in haar stem. God heeft haar zo gemaakt
Zing pianissimo als ware het nat van tranen
Buig licht voorover als storm over velden woedt
Men regent hier, dan daar, het wordt voor ons besloten
Zing pianissimo als ware het nat van tranen
En de natuur vanzelf, want het is god Natuur
Men regent hier, dan daar, het wordt voor ons besloten
Reis altijd licht: die Liebe liebt das Wandern
(p. 37)
Er is weinig aan de lente veranderd. De titel leest als de verzuchting van iemand die rouwt (om een geliefde?) en ziet hoe in de lente alles weer begint te leven, onaangedaan door het verlies. De bewuste regel is afkomstig uit een gedicht ter nagedachtenis aan C.O. Jellema, maar ook elders in de bundel speelt de dood een rol. Toch is Er is weinig aan de lente veranderd geen bundel over rouw of sterfelijkheid geworden. Integendeel: de gedichten lezen als een stevige omarming van het leven en alles wat leeft – al gebeurt dat enigszins grimmig, wanhopig bijna. Er spreekt uit de zwierige, beweeglijke, en hier en daar hortende taal een nervositeit, alsof alle waarnemingen en gedachten tegelijk moeten worden uitgedrukt:
Anders is het op deze overschoten hoogte
overhoekje (van een kromme plek krijg je een kromme rug)
zouden we deze dimensie misschien met iets kleins
kunnen trotseren, een brekerig takje of een woord of zo waarop
iets zich heeft verschanst
of zich heeft terug getrokken?
(Uit: ‘Over het volgen van het verstand’, p. 17)
De bundel is opgedeeld in de afdelingen ‘Nu’, ‘Hier’ en ‘Dit’, en dit versterkt de gedachte dat het hier gaat om een dichteres die alle taal gebruikt die in haar macht ligt om vat te krijgen op het nu, het hier, het dit. Maar het ontglipt haar onmiddellijk – juist door die taal, zoals treffend wordt geïllustreerd door de enigszins absurde ondertitels van de afdelingen. Bij ‘Nu’ wordt bijvoorbeeld toegevoegd: ‘(vandaag is onverbiddelijk stil)’, en bij ‘Hier’: ‘(is het krimpend wind en vrouwen aan boord)’.
Op dezelfde manier ontglippen de gedichten van Jane Leusink je, op het moment dat je denkt dat je ze tussen duim en wijsvinger houdt. Hoe bijvoorbeeld het gedicht op p. 27 te typeren, het derde gedicht uit de reeks ‘Schuilplaats (een hand voor ogen)’. Is het:
· Melancholisch en fatalistisch?
Straks slapen wij naast elkaar in deze heuvel/de slingerende rouwstoeten hebben hun zwijgende/werk gedaan
· Nuchter en koel?
In de grond van de zaak/gaan wij naar de zoute oceaan
· Lyrisch?
liefste waar alles geboren wordt jij mij/ met zo’n sierlijke boog over je torso gooide/ dat ik aanspoelde in die smorende golf/van goud
· Mystiek?
straks is alles weer nu gelijktijdig en eeuwig/luidruchtig in deze moederaardse omhelzing/ aanwezig of niet of vruchtbaar weer gekeerd/ als gras bloemen goddelijk stof jij mij
En die cursieve gedichten na de genummerde gedichten in deze reeks, en die weer totaal anders van toon zijn, sterker nog: die het negatief vormen van de genummerde gedichten, hoe die dan te typeren?
Wat passeert hier nu eigenlijk
nuchter beschouwd een schare van lopers
van noord naar zuid met plakkerige
broodpakjes in hun Fjällraven rugtasjes
hun ademende waterafstotende Tenson
Soft Shell windstoppers
(…)
(p. 28)
De pantoens vormen wat mij betreft het hoogtepunt van deze bundel. Maar daarmee wil ik niets afdoen aan de kwaliteit van de overige gedichten. Waar Leusink enerzijds hooggestemd schrijft over mystieke ervaringen (Hadewijch wordt in deze bundel zelfs direct aangesproken), heeft ze het anderzijds in een anekdotisch gedicht over een nogal ongemakkelijk gesprek met ‘de rustige man van CPNB’ (in: ‘Gegroet wij zullen verder moeten’, p. 47).
Er is weinig aan de lente veranderd is kortom een melancholische, nuchtere, lyrische en mystieke bundel. Maar ook is de bundel grappig, filosofisch, erudiet, plat en experimenteel. En dat allemaal tegelijk. Dat maakt deze bundel ongrijpbaar, en rijk, en het lezen ervan een telkens herhaald avontuur.
Edwin Fagel
dinsdag 16 maart 2010
Recensie 'Er is weinig aan de lente veranderd' In: Meander
Met taal bereid
door Joop Leibbrand
Jane Leusink
Er is weinig aan de lente veranderd
Uitgever: kleine Uil
Jaar: 2008
ISBN: 9789077487662
Prijs: € 14,50
64 blz.
Er is weinig aan de lente veranderd, de derde bundel van Jane Leusink, kwam al een jaar geleden uit, maar bleef helaas lang liggen op het verkeerde Meanderbureau. Wie zich er dan als recensent eindelijk over mag buigen, moet een flinke aarzeling overwinnen. In een jaar tijd zal immers het relevante wel gezegd zijn en al wat je dan achteraf zelf nog schrijft, dreigt over te komen als tweedehands. Dat het van een bespreking toch nog komt, zou je een daad van eenvoudige rechtvaardigheid kunnen noemen. Tegenover de uitgever, maar vooral tegenover de auteur. Een geflopte bundel nog eens extra neersabelen is een schandelijke daad van zelfbevlekking, maar een van de hoogtepunten uit de poëzie van het afgelopen jaar opnieuw onder de aandacht brengen is simpelweg gehoor geven aan de dure plicht het podium waarover je beschikt te gebruiken.
In weinig andere bundels van de afgelopen tijd valt zoveel te beleven als in deze. Hij is episch en lyrisch tegelijk, even uitdagend als toegankelijk, even experimenteel als beheerst, en daarbij is het opvallend hoe zelfbewust en met hoeveel overtuiging Leusink schrijft, zich nergens forceert, zich ook nergens behaagziek toont. Zij is duidelijk wars van simpele anekdotiek, lijkt allergisch voor gevoelsuitstortingen en waar je mag vermoeden dat haar particuliere bestaan aan de orde komt, neemt ze afstand, maar nooit zoveel dat ze de lezer buitensluit. Het belangrijkste: met taal bereidt zij haar gedichten, als taal dient zij ze op en vermijdt daarbij de makkelijke smaken, al gaat zij een enkele amuses niet uit de weg en is iets pesterigs haar niet vreemd. Het is een bundel waarmee je niet snel klaar bent, omdat je bij iedere herlezing in de meeste gedichten weliswaar nieuwe ontdekkingen doet, maar tegelijk een geheimzinnig, weerbarstig blijvend filosofisch ‘iets’ niet doorgrondt, hoe smakelijk en begripvol het in zijn coherentie ook wordt opgediend.
De bundel kent in zijn strakke opbouw een stevig fundament, dat gevormd wordt door de titelgedichten van de drie afdelingen. Dat zijn (zonder de toevoegingen tussen haakjes die alle titels krijgen): eerst ‘Nu‘, onderverdeeld in ‘Vrijplaats‘ en ‘Schuilplaats‘, dan ‘Hier‘, met de afdelingen ‘Oefenplaats‘, ‘Buitenplaats‘ en ‘Werkplaats‘ en tenslotte ‘Dit‘, dat moederziel alleen de laatste afdeling vormt. Alsof Leusink een eigen variatie van Van der Heijdens Het leven uit een dag uitprobeert, en alles inkadert en samenbalt in een kortstondig, maar verhevigd hier en nu, maar met alle ruimte om te vertragen en stil te staan bij een veelheid aan onderwerpen die tezamen het leven maken. Centraal daarin staat, hoe kan het ook anders in werk dat de moeite waard is, de tijd.
‘Nu [vandaag is onverbiddelijk stil]‘ opent arcadisch met de regels ‘Vandaag is onverbiddelijk stil het grijze strand/ een dag waarop het landerig verstand bevallig/ aan boord springt atletisch meelift en focust [...] op warme beelden en geuren [...]‘; even verder is er sprake van ‘romige melk’ en ‘herderinnenharten’, van ‘rozen op stille plekken waar geliefden rusten’ en het gedicht eindigt met:
[...] vandaag loopt
het verstand niet achter feiten aan
en werkelijk alles mag je dragen en eten
als je met een schuin oog omkijkt ziet je geluchte
geheugen de tijd niet ook al was het gauw om
dit duurt lang hier
In het volle besef van de beperktheid en tijdelijkheid van het bestaan is dit de sublieme weergave van de tijdloze geluksroes van een haast mystiek eenheidsgevoel. Wat een genot te mogen leven!
In ‘Hier [is het krimpende wind en vrouwen aan boord]‘ staat levensdrift eveneens centraal, hetgeen ruimte biedt om zelfs onbekommerd, in ‘opgeruimde gang’ te huilen om dode geliefden, want leven is weten dat alles verandert, je eeuwig voelen, de tijd vol schrijven en vaststellen: ‘lief wij zijn dit nu’.
Het afsluitende gedicht ‘Dit [op zo'n stille grijze stranddag]‘ beschrijft de gesteldheid van de mens die het gegeven is schuld- en zondeloos, vrij van iedere predispositie te leven: verlangens ervaren los van hun oorzaak, hartstocht voelen zonder aandrift, noch angst voor straf kennen, noch behoefte aan beloning en niets dat voort of achterwaarts woekert. Het is, schrijft Leusink, voor ons allen ‘wennen aan deze nieuwe positie’, ‘[...] maar een dag als vandaag/ is zo voorbij al duurt hij lang, zijn wij/ daar nu’. Het zijn de laatste woorden van de bundel.
Urenlang kun je als lezer alleen al in deze drie gedichten ronddwalen, omdat er heel verleidelijk ook allerlei religieuze connotaties meespelen. Bij herders en bij termen als straf en beloning is het van oudsher oppassen!
‘Heeft die lenige vrouw met haar taal u gesnapt/ of genaast’, vraagt het openingsgedicht (’Zulke blikken’) van ‘Vrijplaats (zoekt een hand een hart om te aaien)‘, de eerste onderafdeling. Je zou de vraag aan het slot van de bundel verwachten, omdat de lezer dan pas kan zeggen of hij zich door dit werk van deze vrouw heeft laten inpakken, maar het is typisch Leusink om het uitdagend vooraf te doen. Ze kent haar kwaliteiten, weet dat zij ongrijpbaar blijft als de lezer zich waagt aan haar bestaan:
in het blikveld
is het een passen en meten
zij is tussen in
zij is verderop
geraakt hijgend
ergens tussen rand en veld
van vallende taal hebt u zich omgedraaid
haar bloeiende schaduw de vorm bij het diep in november
Lange, uitgesponnen gedichten staan er in deze afdeling, zoals ‘Hadewych’, dat voer is voor ontwikkelingspsychologen, en ‘Wit-Russische grootvader’, waarin het leven van nu verklaard wordt aan een oudere generatie:
we zappen door de werkelijkheid
we komen op en gaan
over de tong, schrapen
onze schoenen over ijzer
snuiven bloemen van dansvloeren
waarop nog tot in november taal gewicht en beeld
verovert of uitgroeit tot de nieuwste
politieke stellingnamen:
In ‘Wat we niet wisten’ is die lenige ‘vrouw met haar taal’ een biografische vrouw geworden, die in een indrukwekkend in memoriam de dichter Jellema bijpraat over de wereld van na zijn dood: ‘er is weinig aan de lente veranderd, de zon scheen maar/ het kon niet op, alle narcissen stonden uit den treuren hun rokken/ te oefenen, nergens stierf de neiging of nood tot benoemen/ nergens stierf de hang naar fixeren’.
De gedichten in ‘Schuilplaats (een hand voor ogen)‘ hebben een landschappelijk uitgangspunt, maar vertellen uiteindelijk een persoonlijk verhaal. In ‘Wij geven het profiel van een wierde hersteld’ is dat in stem en tegenstem haar plaats in het Groningse landschap, waar zij zich op een wierde ‘verstrooi[t]‘ tussen de doden en dan vaststelt: ‘ik vind het niet nodig dat God hier rondzwerft als vogel/ en vleermuis waken want dit is het moment/ van de gevleugelde zandloper// maar in deze groene kamer steekt altijd een windvlaag/ symbolen de kroon, ik waai in al die onsterfelijkheid/ van mij stadwaarts, [...]‘
Met ‘Oefenplaats (dan is er weer vorm, en vorm)‘ zijn we dus na Nu in het Hier aangeland, en daarin wordt de toon duidelijk anders. In deze afdeling laat Leusink met een vijftal pantoens vooral haar speels-ambachtelijke kant zien. Het pantoen (een soort op hol geslagen rondeel) is een van oorsprong Maleise dichtvorm, die in de uitwerking die Leusink eraan geeft, bestaat uit strofen van vier regels waarbij de regels 2 en 4 van een eerdere strofe regel 1 en 3 van de volgende strofe worden, en zo verder. In de laatste strofe keren regel 1 en 3 van de eerste strofe dan in omgekeerde volgorde terug als regel 2 en 4, zodat het gedicht eindigt met de beginregel. Het is uiteraard een heel geknutsel, maar het bleek aanstekelijk en leidde op de Recensent zelfs tot een kleine hype. Doordat Leusink de inhoud o.a. relateert aan Brecht, Beaudelaire en Schuberts Winterreise, bereikt ze dat de gedichten meer zijn dan slechts een technisch hoogstandje. Twee sonnetten bij cartoons van Peter van Straaten voltooien deze afdeling.
‘Buitenplaats (groen, beweeglijk)‘ opent met een hilarisch gedicht over de wijze waarop zij door ‘de man van de CPNB’ van de toekenning van de C. Buddingh’-prijs op de hoogte werd gebracht. Daarnaast zijn er mooie beschrijvingen van enkele Amsterdamse locaties en vooral van de oude Groningse Prinsenhoftuin, waarvan het renaissancekarakter haar filosofisch stemt. Zij vraagt zich af: ‘leven wij waar we willen, praten/ wij tegen elkaar in keukens, wassen wij/ kruiden tegen straks als tijd ons toekomt/ (als getrokken glas)?’ Het gedicht vervolgt:
we lezen lokale zonnetijd
we leunen tegen de zonnepoort
we slenteren langs rozen
naar het eeuwenoud nu
dat vorm is, een diertje
dan weer een mooie vrouw
met haar wang aan het hart van een slapende man
een schaduw wijst van de andere kant:
zorg dat je wat van jou is niet kwijt
raak! de tuin is leeg
tenzij je er een Nietzsche in denkt
God is afwezig, maar als je dit levensbesef het van hem overneemt, is dat geen slechte ruil.
‘Werkplaats (nieuwsgierig naar plekken was er veel te zien)‘ ten slotte biedt vijf gedichten naar aanleiding van verschillende kunstwerken. Leusink toont erin krachtig en indringend een visuele wereld te kunnen oproepen, al stel je je bij deze poëzie altijd wel de vraag of het gedicht los van beeld of schilderij bestaansrecht heeft. Zo’n passage in ieder geval wel: ‘Als je heel erg je best doet kunnen je zenuwen/ om het ogenblik heen groeien zo heb ik het kijken/ geleerd zo schraagt zich het sterfelijke’ (’Wij drinken op het dak van Toscaanse smidse IV’, naar aanleiding van een schilderij van Edwin Aafjes).
Is er op deze bundel niets aan te merken? Enige punt van kritiek zou kunnen zijn dat de versvorm wat onrustig is. Leusink is zuinig met komma’s en punten plaatst ze niet. Tientallen keren zet ze iets cursief, veel staat ook tussen haakjes, ze strooit tamelijk overvloedig met vraag- en uitroeptekens, haar enjambementen zijn vaak gewaagd. Je kunt er een sterke neiging tot emfase uit afleiden, maar dan wel voortdurend getemperd door een even sterke behoefte aan relativering. Wat aanvankelijk soms geforceerd lijkt, blijkt altijd een mooi evenwicht voorbereid te hebben.
Er mag dan zogenaamd weinig aan de lente zijn veranderd, het poëzielandschap ziet er met deze bundel beslist wel anders uit: rijker, weidser en beslist met meer diepte. Om met graagte in te verdwalen.
*****
Jane Leusink (Velp, 1949) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de UvA, enkele jaren kunstgeschiedenis aan de RUG en is met enkele korte onderbrekingen van 1975 tot 1995 werkzaam geweest aan respectievelijk het Spinozalyceum te Amsterdam en aan de faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit te Groningen, Emmen en Utrecht. Van 1995 tot 2003 had ze een taaladviesbureau. Leusink woont in Winsum en drijft met een compagnon het ook voor 2010 met een Michelinster gewaardeerde restaurant Het Schathoes Verhildersum in Leens. Voor Mos en gladde paadjes kreeg zij in 2003 de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut van dat jaar. In 2005 verscheen Erato. Beide bundels kwamen uit bij uitg. Mozaïek te Zoetermeer. Zie hier en hier voor interview en gedichten van Leusink.
Auteur: Joop Leibbrand
door Joop Leibbrand
Jane Leusink
Er is weinig aan de lente veranderd
Uitgever: kleine Uil
Jaar: 2008
ISBN: 9789077487662
Prijs: € 14,50
64 blz.
Er is weinig aan de lente veranderd, de derde bundel van Jane Leusink, kwam al een jaar geleden uit, maar bleef helaas lang liggen op het verkeerde Meanderbureau. Wie zich er dan als recensent eindelijk over mag buigen, moet een flinke aarzeling overwinnen. In een jaar tijd zal immers het relevante wel gezegd zijn en al wat je dan achteraf zelf nog schrijft, dreigt over te komen als tweedehands. Dat het van een bespreking toch nog komt, zou je een daad van eenvoudige rechtvaardigheid kunnen noemen. Tegenover de uitgever, maar vooral tegenover de auteur. Een geflopte bundel nog eens extra neersabelen is een schandelijke daad van zelfbevlekking, maar een van de hoogtepunten uit de poëzie van het afgelopen jaar opnieuw onder de aandacht brengen is simpelweg gehoor geven aan de dure plicht het podium waarover je beschikt te gebruiken.
In weinig andere bundels van de afgelopen tijd valt zoveel te beleven als in deze. Hij is episch en lyrisch tegelijk, even uitdagend als toegankelijk, even experimenteel als beheerst, en daarbij is het opvallend hoe zelfbewust en met hoeveel overtuiging Leusink schrijft, zich nergens forceert, zich ook nergens behaagziek toont. Zij is duidelijk wars van simpele anekdotiek, lijkt allergisch voor gevoelsuitstortingen en waar je mag vermoeden dat haar particuliere bestaan aan de orde komt, neemt ze afstand, maar nooit zoveel dat ze de lezer buitensluit. Het belangrijkste: met taal bereidt zij haar gedichten, als taal dient zij ze op en vermijdt daarbij de makkelijke smaken, al gaat zij een enkele amuses niet uit de weg en is iets pesterigs haar niet vreemd. Het is een bundel waarmee je niet snel klaar bent, omdat je bij iedere herlezing in de meeste gedichten weliswaar nieuwe ontdekkingen doet, maar tegelijk een geheimzinnig, weerbarstig blijvend filosofisch ‘iets’ niet doorgrondt, hoe smakelijk en begripvol het in zijn coherentie ook wordt opgediend.
De bundel kent in zijn strakke opbouw een stevig fundament, dat gevormd wordt door de titelgedichten van de drie afdelingen. Dat zijn (zonder de toevoegingen tussen haakjes die alle titels krijgen): eerst ‘Nu‘, onderverdeeld in ‘Vrijplaats‘ en ‘Schuilplaats‘, dan ‘Hier‘, met de afdelingen ‘Oefenplaats‘, ‘Buitenplaats‘ en ‘Werkplaats‘ en tenslotte ‘Dit‘, dat moederziel alleen de laatste afdeling vormt. Alsof Leusink een eigen variatie van Van der Heijdens Het leven uit een dag uitprobeert, en alles inkadert en samenbalt in een kortstondig, maar verhevigd hier en nu, maar met alle ruimte om te vertragen en stil te staan bij een veelheid aan onderwerpen die tezamen het leven maken. Centraal daarin staat, hoe kan het ook anders in werk dat de moeite waard is, de tijd.
‘Nu [vandaag is onverbiddelijk stil]‘ opent arcadisch met de regels ‘Vandaag is onverbiddelijk stil het grijze strand/ een dag waarop het landerig verstand bevallig/ aan boord springt atletisch meelift en focust [...] op warme beelden en geuren [...]‘; even verder is er sprake van ‘romige melk’ en ‘herderinnenharten’, van ‘rozen op stille plekken waar geliefden rusten’ en het gedicht eindigt met:
[...] vandaag loopt
het verstand niet achter feiten aan
en werkelijk alles mag je dragen en eten
als je met een schuin oog omkijkt ziet je geluchte
geheugen de tijd niet ook al was het gauw om
dit duurt lang hier
In het volle besef van de beperktheid en tijdelijkheid van het bestaan is dit de sublieme weergave van de tijdloze geluksroes van een haast mystiek eenheidsgevoel. Wat een genot te mogen leven!
In ‘Hier [is het krimpende wind en vrouwen aan boord]‘ staat levensdrift eveneens centraal, hetgeen ruimte biedt om zelfs onbekommerd, in ‘opgeruimde gang’ te huilen om dode geliefden, want leven is weten dat alles verandert, je eeuwig voelen, de tijd vol schrijven en vaststellen: ‘lief wij zijn dit nu’.
Het afsluitende gedicht ‘Dit [op zo'n stille grijze stranddag]‘ beschrijft de gesteldheid van de mens die het gegeven is schuld- en zondeloos, vrij van iedere predispositie te leven: verlangens ervaren los van hun oorzaak, hartstocht voelen zonder aandrift, noch angst voor straf kennen, noch behoefte aan beloning en niets dat voort of achterwaarts woekert. Het is, schrijft Leusink, voor ons allen ‘wennen aan deze nieuwe positie’, ‘[...] maar een dag als vandaag/ is zo voorbij al duurt hij lang, zijn wij/ daar nu’. Het zijn de laatste woorden van de bundel.
Urenlang kun je als lezer alleen al in deze drie gedichten ronddwalen, omdat er heel verleidelijk ook allerlei religieuze connotaties meespelen. Bij herders en bij termen als straf en beloning is het van oudsher oppassen!
‘Heeft die lenige vrouw met haar taal u gesnapt/ of genaast’, vraagt het openingsgedicht (’Zulke blikken’) van ‘Vrijplaats (zoekt een hand een hart om te aaien)‘, de eerste onderafdeling. Je zou de vraag aan het slot van de bundel verwachten, omdat de lezer dan pas kan zeggen of hij zich door dit werk van deze vrouw heeft laten inpakken, maar het is typisch Leusink om het uitdagend vooraf te doen. Ze kent haar kwaliteiten, weet dat zij ongrijpbaar blijft als de lezer zich waagt aan haar bestaan:
in het blikveld
is het een passen en meten
zij is tussen in
zij is verderop
geraakt hijgend
ergens tussen rand en veld
van vallende taal hebt u zich omgedraaid
haar bloeiende schaduw de vorm bij het diep in november
Lange, uitgesponnen gedichten staan er in deze afdeling, zoals ‘Hadewych’, dat voer is voor ontwikkelingspsychologen, en ‘Wit-Russische grootvader’, waarin het leven van nu verklaard wordt aan een oudere generatie:
we zappen door de werkelijkheid
we komen op en gaan
over de tong, schrapen
onze schoenen over ijzer
snuiven bloemen van dansvloeren
waarop nog tot in november taal gewicht en beeld
verovert of uitgroeit tot de nieuwste
politieke stellingnamen:
In ‘Wat we niet wisten’ is die lenige ‘vrouw met haar taal’ een biografische vrouw geworden, die in een indrukwekkend in memoriam de dichter Jellema bijpraat over de wereld van na zijn dood: ‘er is weinig aan de lente veranderd, de zon scheen maar/ het kon niet op, alle narcissen stonden uit den treuren hun rokken/ te oefenen, nergens stierf de neiging of nood tot benoemen/ nergens stierf de hang naar fixeren’.
De gedichten in ‘Schuilplaats (een hand voor ogen)‘ hebben een landschappelijk uitgangspunt, maar vertellen uiteindelijk een persoonlijk verhaal. In ‘Wij geven het profiel van een wierde hersteld’ is dat in stem en tegenstem haar plaats in het Groningse landschap, waar zij zich op een wierde ‘verstrooi[t]‘ tussen de doden en dan vaststelt: ‘ik vind het niet nodig dat God hier rondzwerft als vogel/ en vleermuis waken want dit is het moment/ van de gevleugelde zandloper// maar in deze groene kamer steekt altijd een windvlaag/ symbolen de kroon, ik waai in al die onsterfelijkheid/ van mij stadwaarts, [...]‘
Met ‘Oefenplaats (dan is er weer vorm, en vorm)‘ zijn we dus na Nu in het Hier aangeland, en daarin wordt de toon duidelijk anders. In deze afdeling laat Leusink met een vijftal pantoens vooral haar speels-ambachtelijke kant zien. Het pantoen (een soort op hol geslagen rondeel) is een van oorsprong Maleise dichtvorm, die in de uitwerking die Leusink eraan geeft, bestaat uit strofen van vier regels waarbij de regels 2 en 4 van een eerdere strofe regel 1 en 3 van de volgende strofe worden, en zo verder. In de laatste strofe keren regel 1 en 3 van de eerste strofe dan in omgekeerde volgorde terug als regel 2 en 4, zodat het gedicht eindigt met de beginregel. Het is uiteraard een heel geknutsel, maar het bleek aanstekelijk en leidde op de Recensent zelfs tot een kleine hype. Doordat Leusink de inhoud o.a. relateert aan Brecht, Beaudelaire en Schuberts Winterreise, bereikt ze dat de gedichten meer zijn dan slechts een technisch hoogstandje. Twee sonnetten bij cartoons van Peter van Straaten voltooien deze afdeling.
‘Buitenplaats (groen, beweeglijk)‘ opent met een hilarisch gedicht over de wijze waarop zij door ‘de man van de CPNB’ van de toekenning van de C. Buddingh’-prijs op de hoogte werd gebracht. Daarnaast zijn er mooie beschrijvingen van enkele Amsterdamse locaties en vooral van de oude Groningse Prinsenhoftuin, waarvan het renaissancekarakter haar filosofisch stemt. Zij vraagt zich af: ‘leven wij waar we willen, praten/ wij tegen elkaar in keukens, wassen wij/ kruiden tegen straks als tijd ons toekomt/ (als getrokken glas)?’ Het gedicht vervolgt:
we lezen lokale zonnetijd
we leunen tegen de zonnepoort
we slenteren langs rozen
naar het eeuwenoud nu
dat vorm is, een diertje
dan weer een mooie vrouw
met haar wang aan het hart van een slapende man
een schaduw wijst van de andere kant:
zorg dat je wat van jou is niet kwijt
raak! de tuin is leeg
tenzij je er een Nietzsche in denkt
God is afwezig, maar als je dit levensbesef het van hem overneemt, is dat geen slechte ruil.
‘Werkplaats (nieuwsgierig naar plekken was er veel te zien)‘ ten slotte biedt vijf gedichten naar aanleiding van verschillende kunstwerken. Leusink toont erin krachtig en indringend een visuele wereld te kunnen oproepen, al stel je je bij deze poëzie altijd wel de vraag of het gedicht los van beeld of schilderij bestaansrecht heeft. Zo’n passage in ieder geval wel: ‘Als je heel erg je best doet kunnen je zenuwen/ om het ogenblik heen groeien zo heb ik het kijken/ geleerd zo schraagt zich het sterfelijke’ (’Wij drinken op het dak van Toscaanse smidse IV’, naar aanleiding van een schilderij van Edwin Aafjes).
Is er op deze bundel niets aan te merken? Enige punt van kritiek zou kunnen zijn dat de versvorm wat onrustig is. Leusink is zuinig met komma’s en punten plaatst ze niet. Tientallen keren zet ze iets cursief, veel staat ook tussen haakjes, ze strooit tamelijk overvloedig met vraag- en uitroeptekens, haar enjambementen zijn vaak gewaagd. Je kunt er een sterke neiging tot emfase uit afleiden, maar dan wel voortdurend getemperd door een even sterke behoefte aan relativering. Wat aanvankelijk soms geforceerd lijkt, blijkt altijd een mooi evenwicht voorbereid te hebben.
Er mag dan zogenaamd weinig aan de lente zijn veranderd, het poëzielandschap ziet er met deze bundel beslist wel anders uit: rijker, weidser en beslist met meer diepte. Om met graagte in te verdwalen.
*****
Jane Leusink (Velp, 1949) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de UvA, enkele jaren kunstgeschiedenis aan de RUG en is met enkele korte onderbrekingen van 1975 tot 1995 werkzaam geweest aan respectievelijk het Spinozalyceum te Amsterdam en aan de faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit te Groningen, Emmen en Utrecht. Van 1995 tot 2003 had ze een taaladviesbureau. Leusink woont in Winsum en drijft met een compagnon het ook voor 2010 met een Michelinster gewaardeerde restaurant Het Schathoes Verhildersum in Leens. Voor Mos en gladde paadjes kreeg zij in 2003 de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut van dat jaar. In 2005 verscheen Erato. Beide bundels kwamen uit bij uitg. Mozaïek te Zoetermeer. Zie hier en hier voor interview en gedichten van Leusink.
Auteur: Joop Leibbrand
Recensie 'Er is weinig aan de lente veranderd' In: Reformatorisch Dagblad
Oosterse poëzie en Groningse wierden
28-01-2009 15:55 | Klaas Fraanje
”Er is weinig aan de lente veranderd” is alweer de derde bundel van dichteres Jane Leusink, die in 2003 met haar debuutbundel ”Mos en gladde paadjes” de C. Buddinghprijs voor het beste debuut won. In deze derde bundel lijkt Leusink meer bezig te zijn met taal dan met inhoud, waardoor de meeste gedichten wat minder toegankelijk zijn dan in haar eerdere werk.
Dat de gedichten in deze nieuwe bundel wat minder toegankelijk zijn, komt misschien wel vooral doordat de zinnen op het eerste gezicht vaak meer ’gestapeld’ lijken dan dat ze een syntactische eenheid vormen. De meeste gedichten bestaan wel uit strofen, maar verder dan dat gaat de vormvastheid van Leusink meestal niet. Vóór alles is ”Er is weinig aan de lente veranderd” echter een heel persoonlijke dichtbundel.
Jane Leusink (1949) is, samen met chef-kok Dick Soek, eigenaar van een restaurant met een Michelinster in het Groningse Leens. Zowel haar culinaire interesse als het noordelijke landschap met zijn geschiedenis, zijn wierden en zijn wandelaars, klinkt door in haar gedichten. Daarnaast vindt Leusink inspiratie bij andere cultuuruitingen, zoals gedichten, schilderijen en beeldhouwwerken, maar ze laat zich ook inspireren door cartoons of een toevallige ontmoeting. Tamelijk veel gedichten zouden kunnen worden gelezen als een bespiegeling op de wereld die zo weinig lijkt te zijn veranderd na een groot verlies. Ook de titel lijkt hierop te duiden. Om te zeggen dat dit het thema van de bundel is, zou echter te ver gaan.
De in totaal 29 gedichten in de bundel zijn verdeeld over drie delen met de titels ”Nu”, ”Hier” en ”Dit”, waarbij deze drie titels ook de titel zijn van een gedicht. ”Dit” bestaat slechts uit één gedicht, maar in ”Nu” en ”Hier” zijn de gedichten ondergebracht in respectievelijk twee en drie ”plaatsen”. De gedichten van ”Nu”, die veelal terugblikkend lijken te zijn, zijn onderverdeeld in ”Vrijplaats” en ”Schuilplaats”. In het deel ”Hier” voert Leusink haar lezers achtereenvolgens langs ”Oefenplaats”, ”Buitenplaats” en ”Werkplaats”.
In het gedeelte ”Oefenplaats” maakt Leusink gebruik van een verrassende vorm. In deze gedichten, die uit vierregelige strofes bestaan, worden de regels twee en vier uit een strofe herhaald als de regels één en drie van de volgende strofe. Deze vorm, die oorspronkelijk uit het Maleisië van de vijftiende eeuw stamt, heet ”pantoen” en werd daar ooit gezongen. In theorie zou een pantoen oneindig kunnen doorgaan, maar vaak laat Leusink de regels drie en één van de eerste strofe in de laatste strofe terugkeren, zodat het gedicht eindigt met de eerste regel. Zo vormt het als het ware een cirkel en is de pantoen op een andere manier oneindig. Het is goed gevonden dat dit uitproberen van een vorm juist plaatsvindt in ”Oefenplaats”.
In totaal zijn er vijf pantoens opgenomen, die allemaal vooraf worden gegaan door een strofe van een andere dichter. Door deze intertekstualiteit, maar vooral door de verrassende vorm, behoren deze gedichten tot de interessantste van de bundel. Het experimenteren met een voorgeschreven vorm en de noodzaak om binnen een dergelijk keurslijf toch speels en origineel te blijven, dwingen Leusink om zeer weloverwogen en daarmee bovengemiddeld te formuleren.
Zoals gezegd is deze bundel persoonlijk getint. Daardoor kunnen gedichten erg sprekend zijn, maar het gevaar ligt op de loer dat lezers die de gebeurtenis of persoon waarop het gedicht teruggrijpt niet kennen, buiten de intimiteit van het gedicht blijven. Sowieso is een aantal van Leusinks gedichten wel erg afhankelijk van de inspiratiebron (beeld, schilderij, houtsnede etc.) waarbij zij zijn geschreven. Of de taal van deze gedichten dan boeiend genoeg is om de aandacht vast te houden, is een kwestie van smaak.
In ”Er is weinig aan de lente veranderd” ligt de zinvolle betekenis niet voor het oprapen; misschien is de bundel daarvoor te zeer geworteld in het nu en hier van het noordelijke land. Wie echter openstaat voor de interesses van Leusink en raad weet met haar stijl en taal, heeft met ”Er is weinig aan de lente veranderd” een goed verzorgde bundel in handen, vol gedichten die meer gaan spreken naarmate ze vaker herlezen worden.
N.a.v. ”Er is weinig aan de lente veranderd”, door Jane Leusink; uitg. Kleine Uil, Groningen, 2008; ISBN 978 90 7748 766 2; 63 blz.; € 14,50.
28-01-2009 15:55 | Klaas Fraanje
”Er is weinig aan de lente veranderd” is alweer de derde bundel van dichteres Jane Leusink, die in 2003 met haar debuutbundel ”Mos en gladde paadjes” de C. Buddinghprijs voor het beste debuut won. In deze derde bundel lijkt Leusink meer bezig te zijn met taal dan met inhoud, waardoor de meeste gedichten wat minder toegankelijk zijn dan in haar eerdere werk.
Dat de gedichten in deze nieuwe bundel wat minder toegankelijk zijn, komt misschien wel vooral doordat de zinnen op het eerste gezicht vaak meer ’gestapeld’ lijken dan dat ze een syntactische eenheid vormen. De meeste gedichten bestaan wel uit strofen, maar verder dan dat gaat de vormvastheid van Leusink meestal niet. Vóór alles is ”Er is weinig aan de lente veranderd” echter een heel persoonlijke dichtbundel.
Jane Leusink (1949) is, samen met chef-kok Dick Soek, eigenaar van een restaurant met een Michelinster in het Groningse Leens. Zowel haar culinaire interesse als het noordelijke landschap met zijn geschiedenis, zijn wierden en zijn wandelaars, klinkt door in haar gedichten. Daarnaast vindt Leusink inspiratie bij andere cultuuruitingen, zoals gedichten, schilderijen en beeldhouwwerken, maar ze laat zich ook inspireren door cartoons of een toevallige ontmoeting. Tamelijk veel gedichten zouden kunnen worden gelezen als een bespiegeling op de wereld die zo weinig lijkt te zijn veranderd na een groot verlies. Ook de titel lijkt hierop te duiden. Om te zeggen dat dit het thema van de bundel is, zou echter te ver gaan.
De in totaal 29 gedichten in de bundel zijn verdeeld over drie delen met de titels ”Nu”, ”Hier” en ”Dit”, waarbij deze drie titels ook de titel zijn van een gedicht. ”Dit” bestaat slechts uit één gedicht, maar in ”Nu” en ”Hier” zijn de gedichten ondergebracht in respectievelijk twee en drie ”plaatsen”. De gedichten van ”Nu”, die veelal terugblikkend lijken te zijn, zijn onderverdeeld in ”Vrijplaats” en ”Schuilplaats”. In het deel ”Hier” voert Leusink haar lezers achtereenvolgens langs ”Oefenplaats”, ”Buitenplaats” en ”Werkplaats”.
In het gedeelte ”Oefenplaats” maakt Leusink gebruik van een verrassende vorm. In deze gedichten, die uit vierregelige strofes bestaan, worden de regels twee en vier uit een strofe herhaald als de regels één en drie van de volgende strofe. Deze vorm, die oorspronkelijk uit het Maleisië van de vijftiende eeuw stamt, heet ”pantoen” en werd daar ooit gezongen. In theorie zou een pantoen oneindig kunnen doorgaan, maar vaak laat Leusink de regels drie en één van de eerste strofe in de laatste strofe terugkeren, zodat het gedicht eindigt met de eerste regel. Zo vormt het als het ware een cirkel en is de pantoen op een andere manier oneindig. Het is goed gevonden dat dit uitproberen van een vorm juist plaatsvindt in ”Oefenplaats”.
In totaal zijn er vijf pantoens opgenomen, die allemaal vooraf worden gegaan door een strofe van een andere dichter. Door deze intertekstualiteit, maar vooral door de verrassende vorm, behoren deze gedichten tot de interessantste van de bundel. Het experimenteren met een voorgeschreven vorm en de noodzaak om binnen een dergelijk keurslijf toch speels en origineel te blijven, dwingen Leusink om zeer weloverwogen en daarmee bovengemiddeld te formuleren.
Zoals gezegd is deze bundel persoonlijk getint. Daardoor kunnen gedichten erg sprekend zijn, maar het gevaar ligt op de loer dat lezers die de gebeurtenis of persoon waarop het gedicht teruggrijpt niet kennen, buiten de intimiteit van het gedicht blijven. Sowieso is een aantal van Leusinks gedichten wel erg afhankelijk van de inspiratiebron (beeld, schilderij, houtsnede etc.) waarbij zij zijn geschreven. Of de taal van deze gedichten dan boeiend genoeg is om de aandacht vast te houden, is een kwestie van smaak.
In ”Er is weinig aan de lente veranderd” ligt de zinvolle betekenis niet voor het oprapen; misschien is de bundel daarvoor te zeer geworteld in het nu en hier van het noordelijke land. Wie echter openstaat voor de interesses van Leusink en raad weet met haar stijl en taal, heeft met ”Er is weinig aan de lente veranderd” een goed verzorgde bundel in handen, vol gedichten die meer gaan spreken naarmate ze vaker herlezen worden.
N.a.v. ”Er is weinig aan de lente veranderd”, door Jane Leusink; uitg. Kleine Uil, Groningen, 2008; ISBN 978 90 7748 766 2; 63 blz.; € 14,50.
woensdag 10 maart 2010
Recensie 'Er is weinig aan de lente veranderd' In: Liter
Menno van de Beek
Onmatige voeten op de nek van de liefde
‘Heeft die lenige vrouw met haar taal u gesnapt/of genaast/zij is op minuscule aarden laarzen/zij heeft haar fiets met bloeiende rozen/zij is in november,’
zo begint het gedicht Zulke blikken waarmee de afdeling Vrijplaats (zoekt een hand een hart om te aaien) in de nieuwe bundel van Jane Leusink opent. Ik denk dan, dat de dichteres in deze wervelende, bijna wanhopig speels verlopende poëtica wil dat wij doorhebben dat zij zichzelf door onze ogen ziet en beseft, dat wij het vroeg of laat zullen laten afweten, als het even kan pas daar waar de taal ook haar ontvallen is:
‘in het blikveld
is het een passen en meten
zij is tussenin
zij is verderop
geraakt hijgend
ergens tussen rand en veld
van vallende taal hebt u zich omgedraaid
haar bloeiende schaduw de vorm bij het diep in november’
Volgen ruim veertig pagina’s aan hechte poëzie, waarin beelden over elkaar tuimelen, de syntaxis voortdurend op scherp staat en de semantiek stelselmatig wordt opgerekt. Voor wie haar eerdere bundels Mos en gladde paadjes (in 2003 bekroond met de Cees Buddingh’ prijs) en Erato (uit 2005) kent, geen verrassing, al heeft de hang naar het hermetische nu een nog hogere vlucht genomen. Gelukkig zijn er als structurerende elementen vijf afdelingen die een plaats verbeelden: het gaat van Vrijplaats via Schuilplaats (een hand voor ogen), Oefenplaats (dan is er weer vorm, en vorm), Buitenplaats (groen, beweeglijk) naar Werkplaats (nieuwsgierig naar plekken was er veel te zien). En wordt het geheel gedragen door drie meteen aansprekende gedichten, op grijs papier gedrukt, als ribben die een zwaar beproefd maar steeds weer opverend lijf overeind houden, achtereenvolgens Nu, Hier en Dit geheten. Zij situeren ons op een (inderdaad grijze) stranddag, waarop het zo ‘onverbiddelijk stil’ is dat er ‘ergens diep in je een en ander aan het schuiven gaat.’ Rouw dus, de keiharde trouw aan de doden (die ene dode) en aan de levenden (niet te vergeten jezelf), die noopt tot het opnieuw ontginnen van eerder prijsgegeven land. Je mag alles weer eten. Vragen wie er mee gaat zwemmen. Roepen: ‘lief wij zijn dit nu’. Met een schuin oog (naar de hemel, naar het strand) – dat wel. Maar toch.
Onderweg van Nu naar Dit komen we bij Hadewijch langs, staan we stil bij schilderijen (o.a. van Edwin Aafjes), maken een tocht door de binnenstad van Amsterdam, volgen nauwlettend de reconstructie van een wierde (een terp in het Groningerland) met om ons heen de snelle joggers en ondergaan een (lichtelijk bizarre) ‘kynetische impuls’ bij een cartoon van Peter van Straaten.
Alleen jammer, dat afbeeldingen van de beoogde kunstwerken ontbreken. Het gevaar dat poëzie dan verwordt tot een praatje bij een plaatje is toch niet aanwezig; daarvoor zijn de verzen eenvoudig te volwassen. Maar de neiging naar het cryptische zorgde er soms wel voor, dat het me moeite kostte om überhaupt een voorstelling te vormen van het beeld waarnaar de tekst zo indringend verwijst. In zo’n geval mag de lezer die tevens kijker is, best een handje geholpen worden. Al blijft het dan de vraag, of een zinsnede als: ‘ze heten cadmium-spetter of Lonneker gemanipuleerd’, naar aanleiding van een schilderij van Gertjan Scholte-Albers, er veel duidelijker op wordt.
Leusinks taal wordt terecht geroemd als beeldrijk en gespierd, eigenzinnig en overrompelend. Ze kan dollen als een Lucebert, hoteldebotel geraakt van eigenhandig gemunte frasen, en terughoudend reflecteren op een manier die aan Kouwenaar doet denken, tot de woordkeus aan toe (‘Zo schraagt zich het sterfelijke, zegt men een gek zijn naam als het al donker is […] pelt men een dood als van een ui zijn schillen.’). Ze bivakkeert op haar gemak in de directe schaduw van deze groten juist omdat ze zelf ook echt iets te bieden heeft – wat zeker niet van alle hedendaagse dichters gezegd kan worden, sommige meer bekende incluis. Die Leusink? Houdbaar tot ver na de kredietcrisis, als je het mij vraagt.
Soms is het misschien een onsje te veel van het goede en dreigt er van alles uit de bocht te vliegen, zoals in de volgende strofe (uit het al genoemde cadmium-spetter): ‘het huis […] zonder vast dak gemaakt van klein bos/met ernstige flanken van adem slikkende/hoekjes erdoor met ruimte en licht in de verte.’ En De goede kant van pijn eindigt met: ‘als alles anders is komt de taal los/als moedermelk langs het zenit gespoten/van haver tot god, weet u.’ Tja…kweenie.
Hoewel ik verdisconteer dat ik sowieso wat moeite heb met ongeremd experimentele verzen als Wit-Russische grootvader en De goede kant van pijn omdat ik persoonlijk meer van ingedikte dan van uitdijende taal houd (de sloopkogel is mij liever dan de clusterbom) denk ik toch dat regels als ‘gespleten, splijten, alles te kwijt, het snappen te klein en ja hoor, daar doemt het al […] niks fixeren, niks naar achteren we moeten door dat we dat doen (er was nergens gestokte adem te krijg)’ tot de minder geslaagde behoren.
Maar zinnen als:
‘Het was de tijd van inzaaiend gras, vrije regelval
tuinman die zilver laat stromen tussen zijn groenige vingers
vogels geplakt aan de sappige tak van tegenwoordige
bomen…’
‘…ik probeerde het aanpassen als een dier zijn pels voor de komende
winter maar zag het mezelf ja niet doen, er kwamen
weer Groningse wendingen
en ik ben vallen’
en:
‘je was geen tekst die brak onder interpretatie
of hoe van iets alles of anders te maken:
vlekken in tijd of geschiedenis, blad
dat op ijle dagen naar binnen waait
ik plant je een eeuwigheid aan brood en rozen
we plantten onze onmatige voeten op de nek
van de liefde, er was veel dreiging, we hebben
gelachen, maar alles bleef zuiver’ –
voor zulke prachtige, prachtige regels vergeef je een dichter verder alles.
Een enkel woord over het omslag: zo’n panoramafoto van ruisend graan, tegen de bovenrand gedrongen door een fond van knetterhard modegroen – niet meer doen, heren van 247design! En van die flapjes met wervende teksten en een vette foto, dat hoort ook niet. Dit is poëzie van een hogere plank dan Borduren in tien stappen of Zelf paella maken. Het binnenwerk daarentegen is stukken beter: vooral de gekozen cursief is schitterend en het papier fijn van tint en structuur.
Jane Leusink, Er is weinig aan de lente veranderd, uitgeverij kleine Uil, Groningen, 2008.
ISBN 978 90 77487 66 2
Liter 2008
Onmatige voeten op de nek van de liefde
‘Heeft die lenige vrouw met haar taal u gesnapt/of genaast/zij is op minuscule aarden laarzen/zij heeft haar fiets met bloeiende rozen/zij is in november,’
zo begint het gedicht Zulke blikken waarmee de afdeling Vrijplaats (zoekt een hand een hart om te aaien) in de nieuwe bundel van Jane Leusink opent. Ik denk dan, dat de dichteres in deze wervelende, bijna wanhopig speels verlopende poëtica wil dat wij doorhebben dat zij zichzelf door onze ogen ziet en beseft, dat wij het vroeg of laat zullen laten afweten, als het even kan pas daar waar de taal ook haar ontvallen is:
‘in het blikveld
is het een passen en meten
zij is tussenin
zij is verderop
geraakt hijgend
ergens tussen rand en veld
van vallende taal hebt u zich omgedraaid
haar bloeiende schaduw de vorm bij het diep in november’
Volgen ruim veertig pagina’s aan hechte poëzie, waarin beelden over elkaar tuimelen, de syntaxis voortdurend op scherp staat en de semantiek stelselmatig wordt opgerekt. Voor wie haar eerdere bundels Mos en gladde paadjes (in 2003 bekroond met de Cees Buddingh’ prijs) en Erato (uit 2005) kent, geen verrassing, al heeft de hang naar het hermetische nu een nog hogere vlucht genomen. Gelukkig zijn er als structurerende elementen vijf afdelingen die een plaats verbeelden: het gaat van Vrijplaats via Schuilplaats (een hand voor ogen), Oefenplaats (dan is er weer vorm, en vorm), Buitenplaats (groen, beweeglijk) naar Werkplaats (nieuwsgierig naar plekken was er veel te zien). En wordt het geheel gedragen door drie meteen aansprekende gedichten, op grijs papier gedrukt, als ribben die een zwaar beproefd maar steeds weer opverend lijf overeind houden, achtereenvolgens Nu, Hier en Dit geheten. Zij situeren ons op een (inderdaad grijze) stranddag, waarop het zo ‘onverbiddelijk stil’ is dat er ‘ergens diep in je een en ander aan het schuiven gaat.’ Rouw dus, de keiharde trouw aan de doden (die ene dode) en aan de levenden (niet te vergeten jezelf), die noopt tot het opnieuw ontginnen van eerder prijsgegeven land. Je mag alles weer eten. Vragen wie er mee gaat zwemmen. Roepen: ‘lief wij zijn dit nu’. Met een schuin oog (naar de hemel, naar het strand) – dat wel. Maar toch.
Onderweg van Nu naar Dit komen we bij Hadewijch langs, staan we stil bij schilderijen (o.a. van Edwin Aafjes), maken een tocht door de binnenstad van Amsterdam, volgen nauwlettend de reconstructie van een wierde (een terp in het Groningerland) met om ons heen de snelle joggers en ondergaan een (lichtelijk bizarre) ‘kynetische impuls’ bij een cartoon van Peter van Straaten.
Alleen jammer, dat afbeeldingen van de beoogde kunstwerken ontbreken. Het gevaar dat poëzie dan verwordt tot een praatje bij een plaatje is toch niet aanwezig; daarvoor zijn de verzen eenvoudig te volwassen. Maar de neiging naar het cryptische zorgde er soms wel voor, dat het me moeite kostte om überhaupt een voorstelling te vormen van het beeld waarnaar de tekst zo indringend verwijst. In zo’n geval mag de lezer die tevens kijker is, best een handje geholpen worden. Al blijft het dan de vraag, of een zinsnede als: ‘ze heten cadmium-spetter of Lonneker gemanipuleerd’, naar aanleiding van een schilderij van Gertjan Scholte-Albers, er veel duidelijker op wordt.
Leusinks taal wordt terecht geroemd als beeldrijk en gespierd, eigenzinnig en overrompelend. Ze kan dollen als een Lucebert, hoteldebotel geraakt van eigenhandig gemunte frasen, en terughoudend reflecteren op een manier die aan Kouwenaar doet denken, tot de woordkeus aan toe (‘Zo schraagt zich het sterfelijke, zegt men een gek zijn naam als het al donker is […] pelt men een dood als van een ui zijn schillen.’). Ze bivakkeert op haar gemak in de directe schaduw van deze groten juist omdat ze zelf ook echt iets te bieden heeft – wat zeker niet van alle hedendaagse dichters gezegd kan worden, sommige meer bekende incluis. Die Leusink? Houdbaar tot ver na de kredietcrisis, als je het mij vraagt.
Soms is het misschien een onsje te veel van het goede en dreigt er van alles uit de bocht te vliegen, zoals in de volgende strofe (uit het al genoemde cadmium-spetter): ‘het huis […] zonder vast dak gemaakt van klein bos/met ernstige flanken van adem slikkende/hoekjes erdoor met ruimte en licht in de verte.’ En De goede kant van pijn eindigt met: ‘als alles anders is komt de taal los/als moedermelk langs het zenit gespoten/van haver tot god, weet u.’ Tja…kweenie.
Hoewel ik verdisconteer dat ik sowieso wat moeite heb met ongeremd experimentele verzen als Wit-Russische grootvader en De goede kant van pijn omdat ik persoonlijk meer van ingedikte dan van uitdijende taal houd (de sloopkogel is mij liever dan de clusterbom) denk ik toch dat regels als ‘gespleten, splijten, alles te kwijt, het snappen te klein en ja hoor, daar doemt het al […] niks fixeren, niks naar achteren we moeten door dat we dat doen (er was nergens gestokte adem te krijg)’ tot de minder geslaagde behoren.
Maar zinnen als:
‘Het was de tijd van inzaaiend gras, vrije regelval
tuinman die zilver laat stromen tussen zijn groenige vingers
vogels geplakt aan de sappige tak van tegenwoordige
bomen…’
‘…ik probeerde het aanpassen als een dier zijn pels voor de komende
winter maar zag het mezelf ja niet doen, er kwamen
weer Groningse wendingen
en ik ben vallen’
en:
‘je was geen tekst die brak onder interpretatie
of hoe van iets alles of anders te maken:
vlekken in tijd of geschiedenis, blad
dat op ijle dagen naar binnen waait
ik plant je een eeuwigheid aan brood en rozen
we plantten onze onmatige voeten op de nek
van de liefde, er was veel dreiging, we hebben
gelachen, maar alles bleef zuiver’ –
voor zulke prachtige, prachtige regels vergeef je een dichter verder alles.
Een enkel woord over het omslag: zo’n panoramafoto van ruisend graan, tegen de bovenrand gedrongen door een fond van knetterhard modegroen – niet meer doen, heren van 247design! En van die flapjes met wervende teksten en een vette foto, dat hoort ook niet. Dit is poëzie van een hogere plank dan Borduren in tien stappen of Zelf paella maken. Het binnenwerk daarentegen is stukken beter: vooral de gekozen cursief is schitterend en het papier fijn van tint en structuur.
Jane Leusink, Er is weinig aan de lente veranderd, uitgeverij kleine Uil, Groningen, 2008.
ISBN 978 90 77487 66 2
Liter 2008
Abonneren op:
Posts (Atom)