Posts tonen met het label Hond en trein. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hond en trein. Alle posts tonen

dinsdag 19 juni 2012

Hond en 'Bel ami' en trein (7)


Hond en Bel ami en trein (7)
Teneinde in Groningen te geraken moesten we in Zwolle overstappen en bij het uitvoeren van deze handeling (handeling?) belandde Hond in plaats van op het perron precies tussen trein en perron in. Alleen haar voorpoten haalden het, lijf en achterpoten zag ik in de vertraging het gevecht met de zwaartekracht verliezen. Vanuit de trein keek ik ongelovig toe. Gebeurde dit? Het volgende moment zag ik Hond heen en weer springen op de kiezels naast de rails. Het zag er daar donker uit, diep ook. Ik verliet zo snel mogelijk de trein. Op het perron boog ik me voorover, aanschouwde in de diepte veel grillig ijzerwerk en voelde de benen meteen slappig, het bloed meteen verdwijnen en iets misselijks zich in de maagstreek roeren. Hond keek naar me op en maakte een paar sprongen naar links en een paar naar rechts. De diepte leek zich nog te verdiepen, waardoor Hond kleiner leek. Ik riep, ze sprong tegen de perronmuur op, ik hoorde nagels krassen. Te hoog. Toen verdween ze met twee grote sprongen onder de trein door naar de andere kant. Ik zag haar niet meer. Ik zag alleen dat het daar licht was en dat je daar dan naar toe springt, logisch.Dit gebeurde echt. Ik sprong ook op.  Om mij heen stroomden mensen de trein uit. Ik keek wild om mij heen, riep, wat riep ik? Een man keek terug en liep door. Veel mensen liepen door. Daar verscheen godzijdank de conducteur. Ja, ik heb het gezien. Hij glimlacht, hij ziet er jong, goed en vriendelijk uit. Ik leg even mijn hand op zijn arm, voel de koele, gladde stof van het conducteurspak en zak weer door mijn knieën.
Iets lijkt maar langzaam tot me door te dringen, dat het nu allemaal op mij aankomt. Nu, denk ik, nu moet het, voordat de trein vertrekt omdat de conducteur de machinist misschien niet op tijd kan waarschuwen. Of omdat conducteur door een andere ramp wordt afgeleid. Of omdat de machinist geen zin heeft om z’n tijdschema’s door zo’n  hond in elkaar te laten donderen. Hond luistert in alle omstandigheden naar mijn stem. Ik buig me voorover, kijk onder de trein door en roep krachtig twee keer haar naam. De lieverd, ze verschijnt meteen, springt met twee elegante sprongen onder de trein door richting perron waar ze mij op mijn knieën aantreft. Tot twee keer toe voegt mijn stem daar:  kom op, spring! aan toe en ze is al in de aanloop. Ze neemt een werkelijk grootse sprong en belandt met vier poten tegelijk tegen de gemetselde muur van het perron. Maar dat heb ik verwacht. Ik grijp haar met mijn linkerhand stevig in de nek, met mijn rechterhand pak ik haar razendsnel onder linker oksel en voorpoot, trek, nee til haar met alle macht en kracht die ik bezit omhoog. Ik voel het dunne bot van de poot. Hond helpt erg mee zich zo licht mogelijk te maken. Tergend langzaam bereiken we het perron en het is voorbij. Ik tril, zal maar zeggen als een espenblad, en aai Hond. Een aardige dame zegt hebt u geen riem bij u. Ja zeg ik natuurlijk. Ik hou haar wel even vast zegt ze dan kunt u de riem pakken. Uw hond is er heel rustig onder. Goh, wat is de dame aardig. Dankuwel, tril ik verder, ze mag gaan nadenken over waarom ze die sprong nu opeens zo verkeerd heeft berekend, ze is tenslotte ervaren treinreizigster. En jij moet over uitstappen nadenken, spreek ik mezelf toe. Je doet haar juist dan nooit aan de lijn, zodat ze in alle vrijheid kan springen, zoals het haar het beste uitkomt. Maar nu gebeurde precies het tegenovergestelde. Misschien moet je in het vervolg zelf eerst uitstappen, Hond aan lijn, je omdraaien en spring! roepen en Hond een soort langzame zweefsprong laten uitvoeren. En te midden van al die opdringende reizigers onze poten stijf houden. Ik zie de conducteur nergens. Waar is de conducteur?
In de trein naar Groningen denk ik na over alle koekjes en appeltaartrestjes die mijn oude moeder en ik haar vanmiddag hebben toegeworpen op het terras van Oortjeshekken, het beroemde etablissement  in de Ooypolder, vlak onder Nijmegen. Zouden die haar soms dwars hebben gezeten?
Later roept de conducteur ‘voor wie het interesseert’ dat het 1-0 staat in de wedstrijd Nederland-Portugal, weer later dat het 1-1 is geworden. Eerst juicht dan kreunt de trein. Ik pak gauw mijn e-reader, ga verder op p. 221 van ‘Bel ami’.

vrijdag 8 oktober 2010

Hond en en trein met Frank Westerman (6)


Eerst stapt het lange dunne meisje de trein in, dan hond en ik, dat wil zeggen hond schiet voor mij uit linksaf het gangpad in en wil in diezelfde beweging het meisje rechts inhalen. Het meisje ziet niet zo snel wat er bij haar benen gebeurt en trapt op honds poot. Ik denk tenminste dat het honds poot is, ook voor mij ging het te snel. Hond slaakt een ijselijke kreet die door merg en been gaat. Het meisje schrikt daar erg van, net als de hele coupé trouwens, ze zegt sorry tegen hond, draait zich om en zegt sorry tegen mij. Niks aan de hand roep ik tegen haar en tegen hond en glimlach geruststellend. Tegen hond zeg ik dat altijd als haar iets pijnlijks overkomt, dat heb ik geleerd uit de vele hondeninstructie- boeken die ik van mezelf moest lezen toen ze vanuit de Pyreneeën naar Nederland verhuisde en haar ruige geboorteplek, haar thuis met moeder, broertjes, zusjes, paarden, ganzen, kippen, katten en varkens, moest verlaten. Ik wilde hond leren begrijpen.

Hoe leer je een schapenhond, een werkhond dus, de ins en outs van het hectische bestaan in een land als Nederland? Hoe leer je hem wennen aan onze immense hoeveelheid auto’s en fietsers? Hoe leer je hem in de stad aan de riem lopen? Hoe voorkom je dat hij in het land schapen, eenden en andere honden opjaagt en aanvalt?

Hoe tem je zijn paniek? En die van jou?

Hoe vaak heb ik op zonnige dagen niet verzenuwd aan de kant van een weiland gestaan en hond als een schot hagel achter de haas, aan de horizon zien verdwijnen. Hoe vaak heb ik niet een almaar rondjes zwemmende hond aan haar halsband uit sloot of vaart moeten vissen, waar ze wel in kon duiken achter een stel wilde eenden aan maar waar ze, door reusachtige rietstengels en steile hoge oevers belemmerd, niet meer uit kon klauteren. Hoe vaak heb ik niet hevig geschrokken bejaarde dametjes moeten oprapen omdat zij ten onder dreigden te gaan in het gevecht dat hond leverde met hun Shelty of Jack Russell. Hoe vaak heb ik die honden zelf niet uit elkaar moeten halen, soms met een gang naar de dokterspost als beloning. Hoe vaak heb ik niet wanhopig aangeklopt bij andere hondenbezitters, de hondencursusleidster en de hondenpsycholoog.

Het mag een wonder heten, maar tegenwoordig rent en springt hond meestal riemloos voor mij uit, we kunnen dwars door de stad lopen, maar ze blijft naast me. Als ik fiets kunnen we de drukste kruispunten oversteken; als ik op de markt de wekelijkse boodschappen doe, snuffelt ze relaxed langs en onder de kramen. Iedereen vindt haar leuk.
Hond is een raszuivere bordercollie, een driekleur, o zo leerbaar, o zo graag werkend, o zo gericht op de baas. Helaas heeft ze geen papieren om dat aan te tonen.

Iemand zei: jij houdt haar in de gaten, maar zij houdt jou in de gaten, ze loopt of rent de hele tijd half naar jou toe- of omgedraaid, de minste beweging met je hoofd of lichaam registreert ze, ze anticipeert.

Ik hou van die hond.
Hond en ik gaan op het tussenbalkon zitten. Mensen draaien hun hoofden naar ons om en lachen aardig. Met hond lijkt niets aan de hand, ze strekt zich languit over de vloer en kijkt met haar hartverscheurend lieve ogen naar me op. Ik denk bij mijzelf dat het mijn schuld is. Ik had het kunnen voorkomen. Ik had moeten anticiperen op haar actie of haar aan de lijn moeten houden. Ik ken haar toch het beste. Arme hond. Ik geef haar een Pedigree en maak een foto.



Een pedigree masseert het tandvlees en hond vindt dat lekker. Sinds ik Frank Westerman’s adembenemende boek Dier, bovendier over de Lipizzaner paardengeschiedenis heb gelezen weet ik dat een pedigree een stamboom is en dat daarin de bloedlijnen van een dier zijn vastgelegd. Het is belangrijk om zoiets te weten als je met je paard (of je hond) wilt gaan fokken. Fascinerend is het bij Westerman de raszuiverheidstheorieën van Hitler en Stalin op paarden toegepast te zien. Of moet ik het andersom zeggen: de raszuiverheidstheorieën van Hitler en Stalin konden zij ontwikkelen dankzij het bestaan van het Lipizzaner paard dat al vanaf de zestiende eeuw werd gefokt en veredeld tot het zijn volmaaktheid vond in de levado’s en caprioles zoals die in Wenen in de Spaanse Hofrijschool werden opgevoerd. Hitler legde bij het fokken de nadruk op de biologie, Stalin op de omstandigheden van het dier.

Keelsnoerend spannend beschrijft Westerman trouwens de ontsnapping van de Lipizzaner kudde van Hostau in Tsjecho-Slowakije (de Rus) naar de Amerikaanse zone in Duitsland; dat was Operatie Cowboy, een logistiek kunststukje met honderden merries en tientallen hengsten, over veertig kilometer, we schrijven 1945.

De drang om betere mensen te kweken, leefde, schrijft Westerman, zowel in Europa als in Amerika, zowel onder links en rechts, progressief en conservatief. In 1920 voorzag de voorzitter van de Amerikaanse eugeneticabeweging de grootst denkbare revolutie voor de mensheid ‘wanneer de menselijke paring op hetzelfde hoge niveau wordt getild als die van de paardenteelt.

Duitse kinderen leerden in de dertiger jaren het volgende versje opzeggen:

Houd je bloed puur!
Het is niet van jou alleen
Het komt van ver, het vloeit veel verder
Duizenden voorvaderen geven het gewicht
De hele toekomst stroomt erin

Achter in hun leerboek zaten voorgedrukte bladzijden waar elke pupil zijn eigen stamboom moest invullen – als een pedigree’ .

dinsdag 31 augustus 2010

Hond en trein met Billy Collins (5)

Een hond mag de hele dag voor drie euro reizen maar zijn kaartje wilde vandaag de automaat niet uitkomen. Mijn bankpas stond het apparaat kennelijk niet aan, ook niet bij mijn tweede poging. Ik had nog zeven minuten en meteen een licht gevoel van paniek in het lijf. Bij de stationsvraagbaak (ja, ja, die lui bestaan tegenwoordig) zeiden ze dat ik naar het loket moest. Het loket was een heel eind verderop. Toen ik aankwam stond er een rij. Ook allemaal probleemgevallen natuurlijk. Ik rende opnieuw door de stationshal terug naar het perron. Daar stond ook een automaat. Ik beademde, wreef en poetste de bankpas blinkend over mijn mouw en stopte hem erin. Yesss. Hond en ik gered. We renden naar de gereed staande trein. Hond had mij bij al mijn bewegingen gevolgd. Goede hond, houdt zijn baas in de gaten. Goede, lieve trouwe hond.

Maar wist ik dat wel zeker?

In de nieuwe Hollands Diep (sept/okt 2010) staan twee gedichten van de Amerikaanse dichter Billy Collins (1941), vertaald door Kees van Kooten. Met 24 andere verschijnen ze dit najaar in de bundel Zo wordt u gelukkig. Van Kooten bewondert in Collins vooral dat hij bijna principieel grappig wil zijn. Je moet maar durven, zegt hij. Hij schrijft zelf overigens bij elke vertaling commentaar dat op zijn minst dezelfde kwalificatie verdient.

Bij ‘The Revenant/De geestverschijning'(naar aanleiding van zijn vaststelling dat Collins meer een honden- dan een poezenman is):
‘Een kat kan je net zo strak aankijken als een hond, maar hij denkt intussen aan iets anders. Wie jij echt bent interesseert hem niet. Dat weet hij immers al jaren. Maar als een hond je aankijkt […] en je spreekt hem onverwacht toe, dan kijkt hij altijd terug op een manier waar een kat eenvoudig geen zin in heeft. De hond heeft op zo’n moment niets anders dan jou aan zijn hoofd en je ziet hem met al zijn energie proberen om dichter bij het raadsel te komen dat zijn baas voor eeuwig voor hem zal blijven. […]
In nachtelijke uren kan een man, vooral als hij lichtelijk aangeschoten is, vaak minutenlang op zijn beste vriend inpraten en nooit zal die hond afhaken. Terwijl een aangesproken kat […] al binnen een halve minuut de interesse verliest, blijft de hond ingespannen luisteren, zich nerveus en uit alle macht afvragend wat die op de vloer liggende meneer in hemelsnaam bedoelt te zeggen.'

Collins zelf licht ons daarover in maar liefst tien strofen in (‘The Revenant/De Geestverschijning’ is in origineel en in vertaling opgenomen in Hollands Diep):

Hier, in Van Kooten’s vertaling , de eerste twee, gevolgd door de slotregels:

Ik ben de hond die jij liet inslapen,
zoals jullie de naald van de vergetelheid graag noemen,
en ik kom terug om alleen nog dit te zeggen:
ik heb nooit van je gehouden – voor geen haartje.

Wanneer ik je in je gezicht likte,
dacht ik zal ik zijn neus eraf bijten.
Wanneer ik toekeek hoe jij jezelf droogwreef,
wilde ik opspringen om je met één hap te ontmannen.

[…]

en wat zul je blij zijn dat dit niet eerder speelde –
dat iedereen hier kan lezen en schrijven,
de honden poëzie, de poezen en alle anderen proza.

http://www.youtube.com/watch?v=Hvqipvqn8zE

zondag 11 juli 2010

Hond en trein (4)

Hond en ik zijgen neer onder en op een bank in de stiltecoupé van de trein richting Zwolle. Het is om half elf in de ochtend al aardig warm, maar toch ook nog lekker fris. Hond hijgt als een oude stoomlocomotief. Ik zit in de zon en dat is niet handig, aan de overkant van het gangpad is echter geen plek meer . Het is druk, maar iedereen houdt zijn gemak, overal verschijnen boeken en kranten. Ik aai Hond over haar kop, vertel haar dat er niks aan de hand is en denk meteen terug aan onze eerste keer in een stiltecoupé en het affairetje dat we meemaakten. Plotseling was het een krioelen van rolstoelen op het platformpje geweest.

We moesten erlangs zien te manoeuvreren om überhaupt de coupé te kunnen bereiken. Daar heerste een stiltecoupé onwaardige herrie, veroorzaakt door de eigenaren van de stoelen. De heisa duurde tot Utrecht, waar de leuke vrouw tegenover mij uitstapt. Ze moet naar een conferentie. Bij de deur draait ze zich om en dwars overal doorheen roept ze dat het hier een stiltecoupé is en of iedereen eigenlijk wel weet wat dat betekent.

De stilte die dan volgt is oorverdovend als de stilte die heerst in een schapenstal. De vrouw houdt er nog een heel betoog achteraan, maar dat hoor ik al niet meer. Hond en ik moeten onze volgende trein halen. Op het perron staan we te hijgen van bewondering. Zeker een docent, zegt een vriendin die ik het affairetje vertel.

In Zwolle moeten we overstappen op de trein richting Roosendaal. Perron 7b zegt het gele bord. Nog twee minuten. Bij perron 7b is echter in geen velden of wegen een trein te bekennen. Een jongen vraagt waar ik naar toe moet. Arnhem. Volgens mij moeten we dan op 5b zijn, zegt hij. We hebben nog twee minuten. Ik spurt de trap af en merk onderaan dat Hond nog op perron 7b staat. Ik roep en ze racet naar beneden. Rechts, roep ik en we rennen de trap alweer op. En ja, daar staat de trein. Ik loop het trapje van de dubbeldekker op en zie uit mijn ooghoek dat de jongen naar beneden verdwijnt. Jammer. Ik zoek zorgvuldig de plek die voor Hond het prettigst is, waar dus geen passagiers over haar staart gaan struikelen of erger, erop gaan staan. Het blijft maar rustig deze reis. Hond ligt, ik lees in de roman van Franca Treur. Knap zoals ze met al die vergelijkingen de zinnen mooi maakt (soms bijna net zo lang als bij Proust). Gevoel blaast ze erdoorheen, droge feiten en een afstandelijke blik, zodat er humor, ontroering en herkenbaarheid (ik kom uit een gereformeerd nest) ontstaat. Ik snap het helemaal. Bij Wijhe en Olst ben ik bij de Jongste Dag-passage. Ik grinnik. Daar had ik wel bij willen zijn. Heel anders dan vroeger. Toen reden we ook vaak in de trein langs Wijhe en Olst. Op weg naar de oma en de opa.

maandag 12 april 2010

Hond en trein (3)

Hond en trein

De trein zou toch pas over een kwartier vertrekken, dus zocht ik in alle rust naar de stiltecoupé en een plaats waar ook Hond kon liggen zonder anderen lastig te vallen en ook zonder dat anderen haar lastig konden vallen (daar let ik tegenwoordig extra op: dat anderen Hond niet lastig vallen door op haar of zelfs maar op haar staart te trappen). Verderop zaten alleen twee oudere grijs gewatergolfde dames.
Ik pakte de krant, gaf Hond die allang uitgebreid over de vloer lag uitgestrekt een hondenkoekje en verdiepte me in de Culturele bijlage van de krant waarin prachtig over de kunstenaar Dennis Hopper geschreven werd. Dat verdiepen ging overigens moeizaam. Hoewel de dames drie banken verderop zaten kon ik verstaan waar ze het over hadden, hun dode mannen natuurlijk. Ik wilde mijn grote oren niet te luisteren leggen maar begon me wel onrustig te voelen.
Het is hier toch een stilte coupe, dacht ik, uitgelezen kans om mijn vaardigheden op dit terrein weer eens te beproeven, alleen nu nog niet, we reden nog niet eens, laat ze maar even. De trein liep vol, de dames verhieven hun stemmen. Nu dacht ik, nu is het moment, we vertrekken bijna. Voor ik er erg in had stond ik al, stapte op de dames af, wenste ze goedemorgen en vroeg of ik ze iets mocht vragen (altijd bij lastige vragen eerst vragen of je iets mag vragen, werkt altijd). Ze keken me stralend en afwachtend aan. Ze waren uit vandaag en hadden het naar hun zin.
Weet u wel dat het hier een stiltecoupe is, vroeg ik met een wat ik dacht vriendelijke open glimlach en zette me inwendig schrap. O natuurlijk, antwoordden ze weer even stralend, dan moeten we stil zijn hè, maar we gaan gewoon heel zachtjes praten. Ze zeiden het allebei afzonderlijk tegelijk, knikten vriendelijk. Ik was verbluft en taaide af, dank u wel knikkend met het vage gevoel dat ik in de maling genomen werd.
Toen de trein zowat vertrok sprongen er nog twee jongens in die op de bank naast de onze (Hond en mij, Hond zoals gezegd uitgestrekt op de vloer) gingen zitten. Ze pakten hun walkmannen en het voor omstanders zo bekende geluid van op schoolborden krassende krijtjes ( goed dat ze die rotborden niet meer hebben) en roestig keel schrapen begon. Ha, nog een kans, ik begon er nu echt lol in te krijgen. Ik boog me naar opzij en zei met een minstens zo stralende lach als die van de dames daarnet (daarbij overdreven naar het apparaat knikkend) dat het hier een stiltecoupe was .
O sorry, zeiden ze en deden hun walkmannen uit. Heel gewoon. Jeetje dacht ik de wonderen zijn de wereld weer in. Hier moest ik over nadenken totdat mijn hond belangstellend aan een van de gympen van de jongens begon te ruiken. Getver. Ik riep haar terug. Ze ruikt hond, zei de jongen. Ik was meteen verkocht, een jongen die van honden houdt, wat enig. Vanaf dat moment bleef het rustig, althans (1), de dames bleven toch wel tamelijk hoorbaar en ook begon verderop een kind enthousiaste kinderkreten de coupé in te sturen.
Maar daar ging ik niets meer van zeggen, ik had ik al twee overwinningen achter de rug, althans (2) was dat wel zo? Waar kwam dat rare schrap zetten eigenlijk vandaan en waarom had ik eigenlijk het gevoel voor het lapje gehouden te worden? Het bleef me de gehele verdere reis bezig houden, ondanks Dennis Hopper. Hond bleef er de gehele verdere reis uitgestrekt bijliggen, oogstte daarvoor allerwegen complimentjes.

woensdag 3 maart 2010

Hond en trein (2)


Weer met hond Pia in de trein, nu tijdens de schoonmaakstaking. Schoonmakers willen meer geld voor meer werk in kommervolle omstandigheden. Tachtig wc's schoonmaken in een nacht. Als ik mijn koffie op heb, vis ik de reeds in het uitpuilende afvalbakje gepropte bekers eruit en voeg de mijne toe. Het lukt het geheel weer in de bak te krijgen. Ik bekijk de treinvloer: wat kranten, de eeuwige plastic zakken, losse blaadjes. 'Het valt hier heel erg mee', zeggen de overburen, 'hiernaast is het veel erger met overal lege blikjes bier en zo'.
Waarom, vraag ik me af, nemen wij zelf in de trein geen plastic zak voor ons afval mee. In Japan schijnen ze dat heel gewoon te vinden.
Mijn hond ligt op de vloer. De overburen - grote dikke mensen - wringen zich in bochten om niet op haar te trappen. Zo gauw het kan, gaan ze ergens anders zitten: 'We gaan u verlaten'.
Na de overstap in Zwolle bevinden we ons opeens in een schone trein. Er zullen toch geen stakingsbrekers ingezet zijn, denk ik bezorgd. Hondlief ligt weer uitgebreid op de vloer. Ik heb zorgvuldig een plaats uitgekozen bij de trap van deze bovendekker. Mensen stappen over haar heen als ze het gangpad doormoeten. Ik bedenk dat deze plek niet zo handig is. En ja hoor, prompt trapt iemand op de hondenstaart. Hondlief geeft een kreet van pijn en schiet overeind. De vrouw schiet in een ongemakkelijke lach en loopt door. Achter haar loopt iemand die omkijkt.

maandag 25 januari 2010

Hond en trein (1)


Gisteren, het was zondag, zat ik al om kwart voor negen in de trein naar Arnhem. Met mijn hond Pia. Pia maakte voor het eerst een lange (nou ja) treinreis. De trein was uitgestrekt, er leek geen eind aan te komen. Ik zocht een plek helemaal vooraan zodat ik in Zwolle niet zo ver hoefde lopen bij het overstappen. Drie dames hadden datzelfde bedacht. Toen ze instapten wandelde Pia ze kwispelstaartend tegemoet - buitengewoon vriendelijke, gastvrije hond - waarop de stem van een van de dames op luide toon sprak: 'Wilt u die hond wel eens terug roepen, daar houden Wij niet van'. Vooral dat 'wij' was indrukwekkend. Er klonk de macht van de groep in door. De grijze groep in dit geval. Er flitsten opeens talloze andere groepen door mijn hoofd. Er bekroop me een ongemakkelijk gevoel. Ergens begint het, dacht ik. Had ik hier misschien het begin te pakken?