Voor de kunstenaarssociëteit de Groninger Kroon geef ik aanstaande woensdag (16 november) een lezing over een aantal gedichten uit Tot alles goed strak staat. Verder aandacht voor de gedichten uit eerdere bundels.
Thema: hoe lees je een gedicht oftewel: hoe krijg je een gedicht eigenlijk open?
Plaats: café Hammingh in Garnwerd, aanvang 20.00 uur.
Posts tonen met het label Erato. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Erato. Alle posts tonen
vrijdag 11 november 2011
dinsdag 16 maart 2010
Erato, recensie Meander
Jane Leusink - Erato
'En niemand spelt je uit'
door Yvonne Broekmans
Zo nu en dan moet een mens zichzelf en zijn vooroordelen eens krachtig door het spoelwater halen. De bundel Erato van Jane Leusink is uitermate geschikt als ruim spoelbekken.
De bedoelde vooroordelen hebben te maken met de toevoeging 'christelijk' bij de uitgeverij Mozaïek uit Zoetermeer, een toevoeging waardoor je vaak geneigd bent je poëziekeuze elders te maken. Heel jammer soms en zeker bij de poëzie van Jane Leusink.
Erato is haar tweede bundel. Met haar debuutbundel Mos en gladde paadjes won zij in 2003 de C. Buddingh'-prijs. Daarbij werden haar gedichten geprezen, o.a. door Arie van den Berg in het NRC als 'een zoekend, beheerst opeenhopen van gedachten en beelden. Beheersing blijkt ook uit de compositie...'
Beheersing is er in deze nieuwe bundel weer, maar dat is een kwaliteit die bij meer dichters te vinden is. Wat mij als bijzonder treft, is de vanzelfsprekende manier waarop deze dichteres zichzelf telkens verlaat om met een gracieus gemak vanuit dat standpunt, de plaats van iets of iemand anders te observeren. In onderstaand gedicht gebeurt dat verschillende keren.
Bestemming zonder uur
En niemand spelt je uit, zegt dat we gaan, het is
wel mooi geweest, we staan aan onbewoonde kusten,
ongehoorde zuchten voor het kussen van je hand
gestrand. Zoekt een roerloos uur haar topografie.
Een prooi zoekt zijn rover, klemt zich vast, een rug
misschien, een voetstap op de trap, het knisperen,
een plek voor het oor dat een huid betast. Een onbekende
taal weegt het gewicht van woorden. Mia amata,
schreef je toen. Een pad verlangt je stap, er moet
toch iemand zijn die vlinders aan je voeten weet
als alle vleugels breken, een driepoot traag bezwijkt?
Dit afgematte hooglied vecht zich in een nacht
vol ritselende zinnen (hun ritme trilt de stilte los),
fragiele woorden breken voor mijn lippen
af. Orakel. Van welk koper is mijn hart
gekanteld, deze dissonante spier? Alles is
ontdaan, onthuld, gezien. Nu geen gestamel meer,
geen vasthouden aan handen. Kijk om je heen.
Hier lig ik dan, geen landschap houdt mij tegen.
De opbouw van bundel en gedichten is evenwichtig, maar niet nadrukkelijk. Als je hardop leest, komt er een kalme muzikaliteit te voorschijn, mede ontstaan door de goed geplaatste enjambementen. Verzen waar je even voor moet gaan zitten worden regelmatig afgewisseld met toegankelijke, herkenbare gedichten, zoals in de volgende strofe uit een reeks aan de dochters opgedragen gedichten.
Wij reden weg, een vader, een moeder, de dood
op de hielen. In onze brekende spiegels aanschouwden
wij het krachtigste blijven. Wij keken om, wisten
ons bestaan gekeerd: schimmen van latere orde.
De onderwerpen die in deze bundel voorkomen zijn deels in series gerangschikt. Er is een serie van vier, met de titel 'Amor fati', waarvan alle gedichten met dezelfde zin beginnen: 'Ergens moet je zijn, God.. '.De reeksen 'Hier en daar', 'Verborgen terreinen' en 'Spaanse hond' zijn alle geschreven vanuit een bepaalde aanleiding. Bij de laatste was dat bijvoorbeeld het gedicht 'Ademnood' van Remco Ekkers.
Verrassend is het viertal dat onder de titel 'Faites vos yeux' beelden uit het casino verwoordt.
Geen slaap of fata morgana hier
Het perspectief verschuift voorgoed in de ogen
van een man, de spiegel verduistert uitzinnig,
uitbundig de gretigste blik uit het lichaam
voor altijd verschanst in cercle privé, herinnering
aan nacht in dag gestoken toen alles
onder een andere naam begon te bestaan.
Erato is de muze van de lyrische poëzie. In het openingsgedicht dat dezelfde titel draagt spreekt de dichteres haar toe. Ze eindigt met
In deze stilste aller nachten
lig ik en niemand die mij mist
of wacht, ik ook
niet.
Op dit stuk wil ik haar graag even tegenspreken. Nu ik haar gedichten heb leren kennen, wacht ik met open handen op wat zij nog meer te bieden heeft.
Jane Leusink - Erato
Mozaïek, Zoetermeer 2005; 63 blz.; € 13,50
ISBN 90 239 9160 5
http://www.uitgeverijmozaiek.nl/
Yvonne Broekmans
'En niemand spelt je uit'
door Yvonne Broekmans
Zo nu en dan moet een mens zichzelf en zijn vooroordelen eens krachtig door het spoelwater halen. De bundel Erato van Jane Leusink is uitermate geschikt als ruim spoelbekken.
De bedoelde vooroordelen hebben te maken met de toevoeging 'christelijk' bij de uitgeverij Mozaïek uit Zoetermeer, een toevoeging waardoor je vaak geneigd bent je poëziekeuze elders te maken. Heel jammer soms en zeker bij de poëzie van Jane Leusink.
Erato is haar tweede bundel. Met haar debuutbundel Mos en gladde paadjes won zij in 2003 de C. Buddingh'-prijs. Daarbij werden haar gedichten geprezen, o.a. door Arie van den Berg in het NRC als 'een zoekend, beheerst opeenhopen van gedachten en beelden. Beheersing blijkt ook uit de compositie...'
Beheersing is er in deze nieuwe bundel weer, maar dat is een kwaliteit die bij meer dichters te vinden is. Wat mij als bijzonder treft, is de vanzelfsprekende manier waarop deze dichteres zichzelf telkens verlaat om met een gracieus gemak vanuit dat standpunt, de plaats van iets of iemand anders te observeren. In onderstaand gedicht gebeurt dat verschillende keren.
Bestemming zonder uur
En niemand spelt je uit, zegt dat we gaan, het is
wel mooi geweest, we staan aan onbewoonde kusten,
ongehoorde zuchten voor het kussen van je hand
gestrand. Zoekt een roerloos uur haar topografie.
Een prooi zoekt zijn rover, klemt zich vast, een rug
misschien, een voetstap op de trap, het knisperen,
een plek voor het oor dat een huid betast. Een onbekende
taal weegt het gewicht van woorden. Mia amata,
schreef je toen. Een pad verlangt je stap, er moet
toch iemand zijn die vlinders aan je voeten weet
als alle vleugels breken, een driepoot traag bezwijkt?
Dit afgematte hooglied vecht zich in een nacht
vol ritselende zinnen (hun ritme trilt de stilte los),
fragiele woorden breken voor mijn lippen
af. Orakel. Van welk koper is mijn hart
gekanteld, deze dissonante spier? Alles is
ontdaan, onthuld, gezien. Nu geen gestamel meer,
geen vasthouden aan handen. Kijk om je heen.
Hier lig ik dan, geen landschap houdt mij tegen.
De opbouw van bundel en gedichten is evenwichtig, maar niet nadrukkelijk. Als je hardop leest, komt er een kalme muzikaliteit te voorschijn, mede ontstaan door de goed geplaatste enjambementen. Verzen waar je even voor moet gaan zitten worden regelmatig afgewisseld met toegankelijke, herkenbare gedichten, zoals in de volgende strofe uit een reeks aan de dochters opgedragen gedichten.
Wij reden weg, een vader, een moeder, de dood
op de hielen. In onze brekende spiegels aanschouwden
wij het krachtigste blijven. Wij keken om, wisten
ons bestaan gekeerd: schimmen van latere orde.
De onderwerpen die in deze bundel voorkomen zijn deels in series gerangschikt. Er is een serie van vier, met de titel 'Amor fati', waarvan alle gedichten met dezelfde zin beginnen: 'Ergens moet je zijn, God.. '.De reeksen 'Hier en daar', 'Verborgen terreinen' en 'Spaanse hond' zijn alle geschreven vanuit een bepaalde aanleiding. Bij de laatste was dat bijvoorbeeld het gedicht 'Ademnood' van Remco Ekkers.
Verrassend is het viertal dat onder de titel 'Faites vos yeux' beelden uit het casino verwoordt.
Geen slaap of fata morgana hier
Het perspectief verschuift voorgoed in de ogen
van een man, de spiegel verduistert uitzinnig,
uitbundig de gretigste blik uit het lichaam
voor altijd verschanst in cercle privé, herinnering
aan nacht in dag gestoken toen alles
onder een andere naam begon te bestaan.
Erato is de muze van de lyrische poëzie. In het openingsgedicht dat dezelfde titel draagt spreekt de dichteres haar toe. Ze eindigt met
In deze stilste aller nachten
lig ik en niemand die mij mist
of wacht, ik ook
niet.
Op dit stuk wil ik haar graag even tegenspreken. Nu ik haar gedichten heb leren kennen, wacht ik met open handen op wat zij nog meer te bieden heeft.
Jane Leusink - Erato
Mozaïek, Zoetermeer 2005; 63 blz.; € 13,50
ISBN 90 239 9160 5
http://www.uitgeverijmozaiek.nl/
Yvonne Broekmans
dinsdag 2 maart 2010
Recensie 'Erato' , Leeuwarder Courant
Leeuwarder Courant
De wachter is de dood
De wachter is de dood
De tweede bundel van Jane Leusink (1949), 'Erato', is niet gemakkelijk, maar indrukwekkend. De gedichten vragen om een zorgvuldige lezing. Zij kreeg voor haar eerste bundel, 'Mos en gladde paadjes', de C.Buddingh'-prijs 2003. Eerder schreef zij de teksten voor het boek 'Koken op het Hogeland' en dat heeft te maken met haar bemoeienissen met Het Schathoes bij de borg Verhildersum.
De nieuwe bundel is geschreven in memoriam Leo Cukier. Ook al weet je als lezer niets van particuliere bijzonderheden, het wordt al gauw duidelijk dat het de geliefde betreft. Hij heeft het verschijnen van de eerste bundel ('Voor Leo') nog meegemaakt, maar kon wegens zijn ziekte niet meer naar de presentatie komen. Hoewel je als lezer zou kunnen verwachten dat de persoonlijke omstandigheden - de dood van de geliefde, het wedervaren van twee dochters, de aandacht voor lekker eten, gokken, mooie auto's, bergwandelingen, kennis van literatuur en kunst - een te particuliere bundel zou opleveren, is dat niet het geval. De dichteres weet het persoonlijke door taalgebruik en vormkracht naar een hoger, algemeen geldig niveau te tillen.
Zo is er het gedicht 'Wachter'. De aantekeningen achterin laten weten dat de wachter in de Middeleeuwen het eind van de nacht aankondigt en daarmee de (geheime) geliefden dwingt afscheid van elkaar te nemen. Het genre wachterlied was tot in de zeventiende eeuw zeer populair.
P.C.Hooft schreef bijvoorbeeld 'Galathea, ziet den dag komt aan'. Bij Jane Leusink is de wachter de dood en dat geeft een gruwelijke draai aan het genre. Het begint zo, en let op het algemene: 'Een vrouw leest je over, schrijft je behoedzaam / uit: wij gingen het meemaken, vagebonden over / het puntachtige, hoe het in vredesnaam moest / met het dierbare. Wij verlieten // onze uitgestippelde hoofden, trokken / onbepakt onze lichamen binnen, / kropen achter ribben weg, lieten / onze gezichten als wezen achter.'
Een vrouw ordent de aantekeningen van haar overleden man. Zij gingen het sterven meemaken: 'vagebonden over / het puntachtige'. Hier gebruikt zij beelden die horen bij de hoge bergwandelingen, maar die verwijzen naar de grenservaring van het ziekbed. Uitgestippelde levensplannen moet je loslaten; het sociale leven moet je loslaten.
Niets kun je meenemen: 'kropen achter ribben weg'. Even verder in het gedicht zegt de aangesprokene: 'kijk / hoe mijn arm nu al dunner is // dan de jouwe. Naarmate wij dichterbij / kwamen werd het zicht minder, kronkels, / krommingen doemden onze ruggen, / onze voeten verloren de wereld van rechte // lijnen'. En het gedicht eindigt zo: 'Schrijft een vrouw tot over het wegzinken / heen: red mij niet, nooit. Wachter.'
Dit gedicht is exemplarisch. De hele bundel is een hartstochtelijke poging om de dode geliefde trouw te zijn, te blijven, voor nu en altijd en dat maakt de dichteres algemeen geldig. Ze doet het zonder ooit sentimenteel te worden. Bijzonder is dat er bij het lezen ook te grimlachen valt: er moet worden doorgeleefd met alle ironie die daarbij te pas komt.
Ook de gedichten die werden geschreven in opdracht, bijvoorbeeld de reeks 'Verborgen terreinen', bij de Noorderlicht fotomanifestatie in de provincie Groningen, staan in het teken van het afscheid: 'Maar zie mij staan, zie mij nu aan in eenzaamgroene / wegvlietenhouten krans van wilgentakken' en 'Over onszelf vraag ik: zie je me / staan, bloed ik niet te erg? Vraag: dump me / niet, ook al komen onze tijdschema's niet overeen.'
REMCO EKKERS
JANE LEUSINK: Erato. Mozaïek, Zoetermeer; 63 blz., €13,50.
De wachter is de dood
De wachter is de dood
De tweede bundel van Jane Leusink (1949), 'Erato', is niet gemakkelijk, maar indrukwekkend. De gedichten vragen om een zorgvuldige lezing. Zij kreeg voor haar eerste bundel, 'Mos en gladde paadjes', de C.Buddingh'-prijs 2003. Eerder schreef zij de teksten voor het boek 'Koken op het Hogeland' en dat heeft te maken met haar bemoeienissen met Het Schathoes bij de borg Verhildersum.
De nieuwe bundel is geschreven in memoriam Leo Cukier. Ook al weet je als lezer niets van particuliere bijzonderheden, het wordt al gauw duidelijk dat het de geliefde betreft. Hij heeft het verschijnen van de eerste bundel ('Voor Leo') nog meegemaakt, maar kon wegens zijn ziekte niet meer naar de presentatie komen. Hoewel je als lezer zou kunnen verwachten dat de persoonlijke omstandigheden - de dood van de geliefde, het wedervaren van twee dochters, de aandacht voor lekker eten, gokken, mooie auto's, bergwandelingen, kennis van literatuur en kunst - een te particuliere bundel zou opleveren, is dat niet het geval. De dichteres weet het persoonlijke door taalgebruik en vormkracht naar een hoger, algemeen geldig niveau te tillen.
Zo is er het gedicht 'Wachter'. De aantekeningen achterin laten weten dat de wachter in de Middeleeuwen het eind van de nacht aankondigt en daarmee de (geheime) geliefden dwingt afscheid van elkaar te nemen. Het genre wachterlied was tot in de zeventiende eeuw zeer populair.
P.C.Hooft schreef bijvoorbeeld 'Galathea, ziet den dag komt aan'. Bij Jane Leusink is de wachter de dood en dat geeft een gruwelijke draai aan het genre. Het begint zo, en let op het algemene: 'Een vrouw leest je over, schrijft je behoedzaam / uit: wij gingen het meemaken, vagebonden over / het puntachtige, hoe het in vredesnaam moest / met het dierbare. Wij verlieten // onze uitgestippelde hoofden, trokken / onbepakt onze lichamen binnen, / kropen achter ribben weg, lieten / onze gezichten als wezen achter.'
Een vrouw ordent de aantekeningen van haar overleden man. Zij gingen het sterven meemaken: 'vagebonden over / het puntachtige'. Hier gebruikt zij beelden die horen bij de hoge bergwandelingen, maar die verwijzen naar de grenservaring van het ziekbed. Uitgestippelde levensplannen moet je loslaten; het sociale leven moet je loslaten.
Niets kun je meenemen: 'kropen achter ribben weg'. Even verder in het gedicht zegt de aangesprokene: 'kijk / hoe mijn arm nu al dunner is // dan de jouwe. Naarmate wij dichterbij / kwamen werd het zicht minder, kronkels, / krommingen doemden onze ruggen, / onze voeten verloren de wereld van rechte // lijnen'. En het gedicht eindigt zo: 'Schrijft een vrouw tot over het wegzinken / heen: red mij niet, nooit. Wachter.'
Dit gedicht is exemplarisch. De hele bundel is een hartstochtelijke poging om de dode geliefde trouw te zijn, te blijven, voor nu en altijd en dat maakt de dichteres algemeen geldig. Ze doet het zonder ooit sentimenteel te worden. Bijzonder is dat er bij het lezen ook te grimlachen valt: er moet worden doorgeleefd met alle ironie die daarbij te pas komt.
Ook de gedichten die werden geschreven in opdracht, bijvoorbeeld de reeks 'Verborgen terreinen', bij de Noorderlicht fotomanifestatie in de provincie Groningen, staan in het teken van het afscheid: 'Maar zie mij staan, zie mij nu aan in eenzaamgroene / wegvlietenhouten krans van wilgentakken' en 'Over onszelf vraag ik: zie je me / staan, bloed ik niet te erg? Vraag: dump me / niet, ook al komen onze tijdschema's niet overeen.'
REMCO EKKERS
JANE LEUSINK: Erato. Mozaïek, Zoetermeer; 63 blz., €13,50.
vrijdag 26 februari 2010
Santiago de Compostela
Ik ben een loper
Gingen wij vol erin
dwars door de midden
braken.
In stukken
deze weg
dit holst van de nacht:
het aanslaan van honden
de brul van een motor
geknerps van grint
- het ritselen –
(brak)
deze staf de ruggen van onze handen
de bruggen van onze neuzen
in onze ogen het licht.
Drempel.
Gingen wij nooit meer
kunnen inhalen
wat wij hadden
stamelden vol door.
Elkaar
Niets
is als het was
onder onze huid
struikelt een Spaanse hond.
Hoe kunnen wij het karig
zeggen?
Ik ga lopen.
Ik ben een loper.
Ik ga lopen
Kon ik maar van de natuur
genieten, zeggen: kijk een roos,
ruik hoe water valt, zweet
zich ophoopt, tendinitis
en uitputting zich vrij
worstelen.
Kon ik maar een lied
zingen, een uit de Spaanse
burgeroorlog, bijvoorbeeld
de ballade van de XIe brigade
of Los Campesinos.
Of lachen.
Over ruwe dingen
naar de sterren:
ik ben een schelpdrager
vaar duizend jaar op heilige
dagen in stenen boten
naar hemelse deuren.
Of: wedijver om woonplaatsen
en geliefden, modder
tot mijn knieën voort
opdat ik verschalk.
De dood
in een luciferdoosje gestopt
(angst groeide over schaamte heen):
Welke muziek speel ik bij het afscheid?
Puerta del Perdón
Onze meest bronzen
glimlach aangezet:
wij bestaan voor zover
wij worden waargenomen
of als zij in liefde over ons
haperen
ons plat lopen
(je ziet de vrouw, denkt
je de man en het klopt).
Vingers over tot leven gegroeide
steen van onze heilige posten
verschrikkelijke moeite
over ons heen.
Zoals ook wij
wij ook ons best doen:
zijn wij wel goed afgehangen?
Scheefgetrokken
haar lichaam
over onze drempel gekropen.
Ten teken:
je kon het vergeefsheid ruiken
liefde horen knagen
het roepen om licht en om lucht
om bestaan.
Gingen wij vol erin
dwars door de midden
braken.
In stukken
deze weg
dit holst van de nacht:
het aanslaan van honden
de brul van een motor
geknerps van grint
- het ritselen –
(brak)
deze staf de ruggen van onze handen
de bruggen van onze neuzen
in onze ogen het licht.
Drempel.
Gingen wij nooit meer
kunnen inhalen
wat wij hadden
stamelden vol door.
Elkaar
Niets
is als het was
onder onze huid
struikelt een Spaanse hond.
Hoe kunnen wij het karig
zeggen?
Ik ga lopen.
Ik ben een loper.
Ik ga lopen
Kon ik maar van de natuur
genieten, zeggen: kijk een roos,
ruik hoe water valt, zweet
zich ophoopt, tendinitis
en uitputting zich vrij
worstelen.
Kon ik maar een lied
zingen, een uit de Spaanse
burgeroorlog, bijvoorbeeld
de ballade van de XIe brigade
of Los Campesinos.
Of lachen.
Over ruwe dingen
naar de sterren:
ik ben een schelpdrager
vaar duizend jaar op heilige
dagen in stenen boten
naar hemelse deuren.
Of: wedijver om woonplaatsen
en geliefden, modder
tot mijn knieën voort
opdat ik verschalk.
De dood
in een luciferdoosje gestopt
(angst groeide over schaamte heen):
Welke muziek speel ik bij het afscheid?
Puerta del Perdón
Onze meest bronzen
glimlach aangezet:
wij bestaan voor zover
wij worden waargenomen
of als zij in liefde over ons
haperen
ons plat lopen
(je ziet de vrouw, denkt
je de man en het klopt).
Vingers over tot leven gegroeide
steen van onze heilige posten
verschrikkelijke moeite
over ons heen.
Zoals ook wij
wij ook ons best doen:
zijn wij wel goed afgehangen?
Scheefgetrokken
haar lichaam
over onze drempel gekropen.
Ten teken:
je kon het vergeefsheid ruiken
liefde horen knagen
het roepen om licht en om lucht
om bestaan.
Amor fati
God natuur
Ergens moet je zijn, God, een landschap
of voor mijn part woestenij, mijn oog krult om
van zoeken, ze zeggen dat ik stom onder bruggetjes
dat jij die zondvloed stuurde, je had tenslotte
niet om mij gevraagd en ook niet om natuur te worden
mij achter al je ribben op te bergen
evenmin, wel glansde je van effect en verlangen en honger
naar mij.
Ik was gewond, lag, bloedde een poosje en stond
weer op, het verder vechten kreeg een aard, ik wilde jou
wel eens bekijken in je wording, je bent
geen reden om iets anders, geen afdruk
op mijn ziel, geen steen die omvalt
in boven eeuwige rust, geen omgewaaide boom
als ik niet kijk.
Je komt er niet mee weg, God, met mij,
hangend aan het hart van het tekort.
God tijd
Ergens moet je zijn, God, het oog
van de storm waar het rustig is, geen plastic look,
ze zeggen dat ik als een zombie dat jij die vleugels
van mijn woorden stal. Je zag in mij misschien
verloren tijd of slechts een Volvo (480) total loss gereden,
een open achterklep de sleutel er nog in, dwars door
de nacht, daar had je niet op zitten wachten
schat ik zo en op die sportcoupé
van Jaguar (xjs v12 British Green!)
al evenmin (de accu trok in een klap leeg).
Je schudt je godenhoofd,
de wereld beeft.
De nacht verkleurt naar donkerblauw,
ik denk: bereid je voor op deze kus,
is het voorbij en deed je niets.
God is ontsnapt, dacht ik, tijd is voor en achter
tijd en alles wat daaraan ontkomt, is huge. Daar moet ik zijn,
daar zindertrilt, daar ritselt het, geen tijd,
daar moet ik tussen zijn,
en waar jij onder, ik slechts boven was.
God liefde
Ergens moet je zijn, God, een lust voor het oor
waar twee nachtegalen kwinkeleren, roestrood de staarten,
door Jac. P. Thijsse zelf nog koningen genoemd,
geen valse noot, gebroken lied, veel noten op jouw zang,
ze zeggen dat ik als straatliefdegras niet bij je weg
te wieden was, dat gratis niet goed is,
behalve echte liefde dan en dat jij liefde
bent, mij los, mij vallen liet (een plakker ben je
zeker niet).
Een daad van liefde, knikt je godenhoofd, een scheur
loopt vol van toen en toen en wat nu straks en jij
er middenin als o.t.t. van alle kanten open,
geen luchtafweergeschut voorhanden
tegen dit precisiebombardement.
God grijnst, dacht ik, zie ik het goed? Als liefde loslaat
als het korstje van een wond of als een Fokker Friendship
onze aarde, waar blijf ík dan met al mijn
overcapaciteit?
God is de liefde al voorbij (ik zag het goed), maar na
de liefde gaat verlangen nog een tijdje door, het stilstaan
in de vlucht veroorzaakt onbalans, het missen
heeft een lange remweg nodig, een niet te krappe
landingsbaan.
God dood
Ergens moet je zijn, God, een stapel moedervellen
of wat mij betreft een nieuw gedicht dat zich maar
niet voltrekken laat, mijn hart bloedt in mijn hand,
mijn zoeken in mijn keel, ze zeggen dat de interactie
tussen jou en mij een ruis vertoont, een kromme
is, een odyssee van energie die zich verdunt,
dat jij mijn lichaam rustig richting sloop
begon te sturen, het hoefde allemaal van jou
niet zo en die druppels verse tekst
die uit mijn schrijfstift lekten, vond je eigenlijk
maar niks.
Je oog dat alles ziet, is ongeduldig, God.
Verbouw de plek waarheen betekenis gevlucht,
vergraaf de sokkenla, vouw stapels t-shirts op
en op, verpluk een overhemd van Calvin Klein,
ik trek het jasje aan van Hugo Boss, waarin mijn hoofd
toen jij mij ving, geur in mijn neus, smaak
in mijn mond, waarmee ik schrijf.
Houd van je lot.
God is de dood en eet het leven en daarna eet het leven
dood. God hoopt dat vlinders hoger vliegen, trok
de dood jouw kleren aan.
Ergens moet je zijn, God, een landschap
of voor mijn part woestenij, mijn oog krult om
van zoeken, ze zeggen dat ik stom onder bruggetjes
dat jij die zondvloed stuurde, je had tenslotte
niet om mij gevraagd en ook niet om natuur te worden
mij achter al je ribben op te bergen
evenmin, wel glansde je van effect en verlangen en honger
naar mij.
Ik was gewond, lag, bloedde een poosje en stond
weer op, het verder vechten kreeg een aard, ik wilde jou
wel eens bekijken in je wording, je bent
geen reden om iets anders, geen afdruk
op mijn ziel, geen steen die omvalt
in boven eeuwige rust, geen omgewaaide boom
als ik niet kijk.
Je komt er niet mee weg, God, met mij,
hangend aan het hart van het tekort.
God tijd
Ergens moet je zijn, God, het oog
van de storm waar het rustig is, geen plastic look,
ze zeggen dat ik als een zombie dat jij die vleugels
van mijn woorden stal. Je zag in mij misschien
verloren tijd of slechts een Volvo (480) total loss gereden,
een open achterklep de sleutel er nog in, dwars door
de nacht, daar had je niet op zitten wachten
schat ik zo en op die sportcoupé
van Jaguar (xjs v12 British Green!)
al evenmin (de accu trok in een klap leeg).
Je schudt je godenhoofd,
de wereld beeft.
De nacht verkleurt naar donkerblauw,
ik denk: bereid je voor op deze kus,
is het voorbij en deed je niets.
God is ontsnapt, dacht ik, tijd is voor en achter
tijd en alles wat daaraan ontkomt, is huge. Daar moet ik zijn,
daar zindertrilt, daar ritselt het, geen tijd,
daar moet ik tussen zijn,
en waar jij onder, ik slechts boven was.
God liefde
Ergens moet je zijn, God, een lust voor het oor
waar twee nachtegalen kwinkeleren, roestrood de staarten,
door Jac. P. Thijsse zelf nog koningen genoemd,
geen valse noot, gebroken lied, veel noten op jouw zang,
ze zeggen dat ik als straatliefdegras niet bij je weg
te wieden was, dat gratis niet goed is,
behalve echte liefde dan en dat jij liefde
bent, mij los, mij vallen liet (een plakker ben je
zeker niet).
Een daad van liefde, knikt je godenhoofd, een scheur
loopt vol van toen en toen en wat nu straks en jij
er middenin als o.t.t. van alle kanten open,
geen luchtafweergeschut voorhanden
tegen dit precisiebombardement.
God grijnst, dacht ik, zie ik het goed? Als liefde loslaat
als het korstje van een wond of als een Fokker Friendship
onze aarde, waar blijf ík dan met al mijn
overcapaciteit?
God is de liefde al voorbij (ik zag het goed), maar na
de liefde gaat verlangen nog een tijdje door, het stilstaan
in de vlucht veroorzaakt onbalans, het missen
heeft een lange remweg nodig, een niet te krappe
landingsbaan.
God dood
Ergens moet je zijn, God, een stapel moedervellen
of wat mij betreft een nieuw gedicht dat zich maar
niet voltrekken laat, mijn hart bloedt in mijn hand,
mijn zoeken in mijn keel, ze zeggen dat de interactie
tussen jou en mij een ruis vertoont, een kromme
is, een odyssee van energie die zich verdunt,
dat jij mijn lichaam rustig richting sloop
begon te sturen, het hoefde allemaal van jou
niet zo en die druppels verse tekst
die uit mijn schrijfstift lekten, vond je eigenlijk
maar niks.
Je oog dat alles ziet, is ongeduldig, God.
Verbouw de plek waarheen betekenis gevlucht,
vergraaf de sokkenla, vouw stapels t-shirts op
en op, verpluk een overhemd van Calvin Klein,
ik trek het jasje aan van Hugo Boss, waarin mijn hoofd
toen jij mij ving, geur in mijn neus, smaak
in mijn mond, waarmee ik schrijf.
Houd van je lot.
God is de dood en eet het leven en daarna eet het leven
dood. God hoopt dat vlinders hoger vliegen, trok
de dood jouw kleren aan.
Abonneren op:
Posts (Atom)