vrijdag 9 december 2016

Ilja Pfeijffers 1000 en enige gedichten

Toen wij een waarachtige amazone ontmoetten
Ja, zegt B op haar zangeressentoon, zeg het maar Jane, en toen kwam er iets wat ik bijna niet kon verstaan, maar wat ik toch nog net dacht op te pikken. Je zei nog iets, zeg ik, zei je Laura of wat zei je? Ja dat zei ik, zegt ze, het is haar verjaardag 7 december, Laura’s verjaardag. Ik roep door de telefoon: weet je waarvoor ik bel? Laura’s gedicht staat in de Pfeijffer-bundel. Ik kijk er net naar en bel je dus. O wat hou ik van het toeval, wat is het niets ontziend, wat smaakt het, wat reikt het voorbij het verste vergezicht. Hoe het je toevalt. Ik heb het al zo lang niet meer gelezen, maar wat vind ik het goed, veel beter dan in mijn herinnering was blijven hangen. B en ik beginnen hard tegen elkaar te roepen dat het bizar is, Laura's verjaardag, haar gedicht waarvan B zegt dat ze het nog zeker twee keer per maand leest en hoe ik het geschreven heb, toen, jaren geleden, toen ze nog in Usquert woonde en ik onverwacht kwam eten en zij mij in haar leeskamer zette, want ze kon geen pottenkijkers gebruiken bij het koken. Het was de kamer met de schoorsteen die later na de aardbevingen diezelfde kamer onbewoonbaar maakte. Maar die middag zat ik op de bank en bladerde door de boeken en mijn oog viel op de foto van dat blonde meisje, ik werd gegrepen door het absoluut vrije, het absoluut onbezorgde van dat kind galopperend op haar paard door een uitgestrekte wei, haar haren in de wind.Toen B me later ophaalde want het eten was klaar, vertelde ze dat is Laura. Laura, mijn jongste dochter, ze leeft niet meer, er was een ongeluk, later. Ik kwam die avond niet meer over de schok heen, het vrije zó in de dood geklonken. Ik schreef het later op en het werd Toen wij een waarachtige amazone ontmoetten. B en ik lachen, het is nu 2016, hoeveel jaar is Laura nu al dood, is het twintig, vijfentwintig? Ze was veertien toen. Veertien en B die schreef : maar als je zoveel armen om elkaar hebt meegemaakt, als alles altijd is zoals het zeer doet, ben je qua vorm dan waar? Het gedicht dat ze naderhand zelf schreef en waaruit ik deze regels leende voor het mijne, het heeft zich in mijn ziel, mijn poriën, mijn leidingwerk vastgezet. We lachen, lachen hard van blijheid, om Laura, de pijn, het gedicht, die rare bundel waarin Laura nu voor de eeuwigheid verder leeft. (Tot alles goed strak staat-2011)

woensdag 16 november 2016

Levende dichteressen



De dichter Remco Ekkers geeft momenteel aan de Groningse Seniorenacademie een college waarin hij het door hem geconstateerde opmerkelijke verschijnsel bespreekt van de explosieve toename -in de laatste decennia- van het aantal vrouwelijke dichteressen in Nederland.
Dat laatste is ruim. Als je de lijst van de door hem besproken dichteressen langs loopt zie je dat de jongsten al in 1968 geboren werden. Maar Ekkers zal zijn constatering wellicht bevestigd zien als hij de nominaties ziet voor de VSB-poezieprijs 2016. Drie betrekkelijk jonge dichteressen, van wie er een begin twintig is. Twee mannen. Je vraagt je af hoe het in het buitenland is.
Ruth Lasters, Nachoem Wijnberg, Rodaan Al Galidi, Delphine Lecompte en Hannah van Binsbergen


Programma
  • Judith Herzberg (1934): 'Mijn gedichten komen voort uit mijn poging twee dingen, die op het eerste gezicht geen verband lijken te hebben met elkaar, toch te rijmen.
  • Neeltje Maria Min (1944). In 1964 verschenen drie gedichten van haar in De Gids, twee jaar later gevolgd door enkele gedichten in Maatstaf. Haar eerste bundel was 'Voor wie ik liefheb wil ik heten', dat in 1966 in een oplage van 7000 exemplaren verscheen. De bundel wordt nog steeds herdrukt.
  • Jane Leusink (1949) ontving in 2003 de C. Buddingh'-prijs voor haar dichtbundel 'Mos en gladde paadjes'. Haar meest recente, vijfde, bundel is 'Een grazende streep in de lucht' (2015)
  • Elma van Haren (1954) studeerde aan de kunstacademie te 's-Hertogenbosch. In 1988 verscheen haar debuutbundel 'De reis naar het welkom geheten', waarvoor ze de C. Buddingh'-prijs ontving. Haar meest recente bundel is' Flitsleemte' (2009)
  • Liesbeth Lagemaat (1962) studeerde Nederlands en Taal- en Literatuurwetenscap. Haar debuut was 'Een grimwoud in mijn keel'(2005) waarvoor zij de C.Buddingh'-prijs kreeg. Haar meest recente bundel is 'Nachtopera' (2015)
  • Hedwig Selles(1968) publiceerde 'IJzerbijt', 'Schadenfreude', en onlangs 'Wie hier binnentreedt', gepresenteerd door Piet Gerbrandy.
  • Sasja Janssen (1968) debuteerde in 1999 met een novelle. Vanaf 2006 schrijft zij voornamelijk gedichten, gebundeld in het in 2007 verschenen debuut 'Papaver'. Haar derde bundel 'Ik trek mijn species aan' werd genomineerd voor de VSB poëzieprijs 2015.
http://www.hovoseniorenacademie.nl/index.php?id=94&tx_seminars_pi1%5BshowUid%5D=593
http://us14.campaign-archive2.com/?u=ec2207c0443f86105897c170a&id=851d292298&e=[UNIQID]


vrijdag 14 oktober 2016

Poëzietip



Bedankt voor de mooie opname, ik maak van je optreden met je gedicht in OBA  morgen in Podium op Zaterdag een poëzietip, schrijft Frans van Gurp in het e-mailbericht vanmorgen. Podium op Zaterdag is het radio 4 programma op zaterdag 15 oktober vanaf 18:30.
Zondag 16 oktober lees ik dan voor in het programma Poëzie op Zondag van dichter Ineke Holzhaus in de OBA om 16:00 uur Vestdijkzaal. Luister en kom allen. Ik ben jullie eeuwig dankbaar!



woensdag 5 oktober 2016

Opening tentoonstelling Verkuno in de fotostudio van Alfred Oosterman (Peize)

Kwam mezelf ook tegen bij #Alfred #Oosterman in Peize. Volle bak daar in de fotostudio. Daarna door de Onlanden (what's in a name: enge kastelen, Dracula en Bram Stoker misschien?) terug naar Stad via het Stadspark. Maar 's morgens door nevels en witte wieven al heen gefietst waarbij ook een ontmoeting met tien(!) fazanten, een valkje en een buizerd op een paaltje

foto van Jane Leusink.


Kwam mezelf ook tegen bij #Alfred #Oosterman in Peize. Volle bak daar in de fotostudio. Daarna door de Onlanden (what's in a name: enge kastelen, Dracula en Bram Stoker misschien?) terug naar Stad via het Stadspark. Maar 's morgens door nevels en witte wieven al heen gefietst waarbij ook een ontmoeting met tien(!) fazanten, een valkje en een buizerd op een paaltje

foto van Jane Leusink.
foto van Jane Leusink.
foto van Jane Leusink.

Poëzie op zondag in de OBA 16 oktober

Zondag 16 oktober - Poëzie op Zondag 
met Jane Leusink

Ook dit najaar komen er bijzondere dichters naar de OBA. Ze lezen voor uit hun werk en praten met Ineke Holzhaus aan de hand van één gedicht. Zo’n kort gesprek blijkt een goede start voor het luisteren naar hun werk.. Zo wordt poëzie toegankelijker. Ineke Holzhaus leest gedichten uit de wereldliteratuur die niet vergeten mogen worden

Zondag 16 oktober - Jane Leusink
Voor haar laatste bundel Een grazende streep in de lucht, kreeg Jane Leusink opnieuw lovende besprekingen, zoals steeds sinds haar debuut; Mos en gladde paadjes in 2003, waarvoor ze de C. Buddinghprijs ontving. In haar laatste bundel zoekt ze de grenzen van de poëzie op in lange, soms verhalende gedichtenreeksen.
Ineke Holzhaus leest gedichten van Rutger Kopland.

Kaarten zijn verkrijgbaar aan de balie in de entreehal of via http://www.oba.nl/activiteit.leusink.html
Met OBA-pas en voor ANBO leden € 3,75 / anderen € 7,50 (incl.koffie/thee).




Poëzie op zondag in de

Zondag 16 oktober - Poëzie op Zondag 
met Jane Leusink

Ook dit najaar komen er bijzondere dichters naar de OBA. Ze lezen voor uit hun werk en praten met Ineke Holzhaus aan de hand van één gedicht. Zo’n kort gesprek blijkt een goede start voor het luisteren naar hun werk.. Zo wordt poëzie toegankelijker. Ineke Holzhaus leest gedichten uit de wereldliteratuur die niet vergeten mogen worden

Zondag 16 oktober - Jane Leusink
Voor haar laatste bundel Een grazende streep in de lucht, kreeg Jane Leusink opnieuw lovende besprekingen, zoals steeds sinds haar debuut; Mos en gladde paadjes in 2003, waarvoor ze de C. Buddinghprijs ontving. In haar laatste bundel zoekt ze de grenzen van de poëzie op in lange, soms verhalende gedichtenreeksen.
Ineke Holzhaus leest gedichten van Rutger Kopland.

Kaarten zijn verkrijgbaar aan de balie in de entreehal of via http://www.oba.nl/activiteit.leusink.html
Met OBA-pas en voor ANBO leden € 3,75 / anderen € 7,50 (incl.koffie/thee).

dinsdag 26 juli 2016

Dichter in de Prinsentuin, Groningen, 23 juli 2016

Foto Han Borg (Facebook)

dinsdag 12 juli 2016

Recensie Maarten Buser - Club Brancuzzi





Als een moeder die haar kind al ziet struikelen

Club Brancuzzi is een club die het ‘begin van je ware leven’ in petto zegt te hebben. Dat zou dus ook wel eens jouw echte schepping kunnen zijn. De Bijbelse verwijzingen in deze bundel zijn al vanaf het motto talrijk. In dit gedicht ‘De uitnodiging’ bijvoorbeeld kruipt de avond als een slang sissend naderbij: ‘Ga gerust slapen, maar//als je wakker wordt zit ik om je been’. Niet fijn. De belofte die groot en gouden boven de entree van de club staat, ligt al meteen onder vuur.

Het verhaal wordt verteld door een ik-verteller, ook het lyrisch ik, we hebben het tenslotte over poëzie. Samen met Claude, een branie van een beeldend kunstenaar, en Sybille, zijn model, vormt hij een driemanschap. Daarmee ontvouwen zich thematiek en intrige van de bundel: de coming of age van drie jonge mensen. In het slotgedicht ‘Aftitelingsmuziek’ blijken in ieder geval twee van de drie sadder but wiser:

Ik stopte om tussen twee vinnen
een kathedraal van wrakhout te bouwen

(je kunt je er vast geen voorstelling van maken
hoeveel plezier we hebben gehad),
die geschikt is voor vieringen

Paradoxaal, theatraal en volstrekt logisch. Het leven van het drietal gaat na de aftiteling gewoon verder. De ik is ook vast van plan Club Brancuzzi z’n hele leven lang subliem te blijven noemen, al was het voor hem helemaal niet zo leuk binnen de driehoeksverhouding, hij was jaloers, hunkerde naar contact én, inderdaad, naar Sybille. In ‘Baken’:

Wat ik wil is een film, net interessant genoeg
om door te blijven kijken, en waarvan ik weet
dat ik rustig een stuk kan missen om glazen

appelsap te halen, zonder bang te hoeven zijn
dat bij terugkomst die twee opeens
hun verschrikte gezicht op hebben gezet

Hoewel Sybille figureert in gedichten met als koptitel ‘Muisje’, ‘Duifje’, ‘Musje’ is er weinig van deze diertjes in haar terug te vinden. Eerder lijkt ze een wat hoerige Maria (we lezen in een katholieke bundel), een verleidster met benen als steeds langer wordende schaarbladen. Ze verleidt dan ook de ik die zich daarna permanent – uiteraard – een verrader voelt. Met Claude lijkt het ondertussen niet helemaal goed te gaan, er is een gedicht dat ´Voogdij´ heet, waarin Claude opgezocht en opgepast moet worden, hij ogen van ´een puppy in een stikhete auto´ heeft en in een opgerold tapijt (dwangbuis?) blijkt afgevoerd. Hoewel de ik nu met Sybille is, blijft zijn schuldgevoel hem op het pathologische af plagen (´Zilverlingen´ en ´Het zalven´).

Een leuk motief is dat van het hout (aan het slot dus wrakhout). In ‘Duifje’, schrijft Buser: ´Misschien rolde ze vannacht in bed/wel in een verdwaalde splinter/ kruisigingshout van een of andere heilige’. En in ‘Dit lichaam’: ‘Ze laat me haar nek inspecteren/Er steekt een stukje hout uit/Ik plaats mijn vingers eromheen; ze rilt//als een beekje en de splinter komt los’.
Inmiddels mag duidelijk zijn dat de jongelui het paradijs dat de club lijkt te bieden niet in zullen gaan (omgekeerd Adam- en Evamotief?). Claude wilde toch al niet meer naar binnen, de andere twee twijfelen: ‘We besluiten dat naar huis lopen ook ascese is’ (‘Hier zijn’).
Dat het in de bundel ook om een homo-erotische aantrekkingskracht gaat, lees ik in het mooie, subtiele ‘Belijdenis’, waarin Claude en de ik besluiten dat buigen onder een te laag dak ook een soort van bidden is, en dat je hoofd daartegen stoten en vervolgens  sterretjes zien en vogeltjes horen fluiten, net zo goed een goddelijke ervaring kan zijn:

Net als toen keken we elkaar niet aan,

maar ik wist dat hij op zijn lip beet
Hoe we ook ons best deden, we kwamen nooit dichterbij
dan zijn duizelige sterretjes en kanaries

Maarten Buser vertelt vanuit het perspectief van een mij regelmatig ontroerende ik-verteller een ogenschijnlijk spannend verhaal dat met een - ja logische - sisser afloopt. Zo gaan de dingen. Hij is goed in het niet tegemoet komen aan mijn platvloerse verwachtingen als lezer. Op het niveau van de intrige of de plot kom ik gelukkig ellipsen tegen die de gang van de vertelling verstoren, maar ook mijn fantasie prikkelen, ik hou erg van ellipsen. Op poëtisch niveau vind ik originele vergelijkingen, concentratie, effectieve maar onnadrukkelijke enjambementen en veel binnenrijm. Maximaal is de constructie van de bundel. Door de vele, vaak tegenstrijdig aandoende verwijzingen in en tussen de gedichten, raakte ik op een prettige manier in verwarring, prettig omdat ik op het niveau van de taal niet echt bleef zitten met losse eindjes. Met uitzondering dan van het gedicht ‘Voorstudie’, dat me binnen het geheel nogal gezocht lijkt (al komt er veel hout in voor).  Het is ook leuk om te zien dat Maarten, behalve van de Bijbelse, nog van veel andere markten thuis is, variërend van hip hop (opgezocht hoor) naar mythologie, Griekse tragedies en naar Nijhoffs bijen en dan zal me nog wel het een en ander zijn ontgaan. Als laatste zeur ik over de interpunctie: vreemde interpunctie, wel komma’s, geen punten. Ook met opzet?
Een mooi, beloftevol debuut.




http://www.tzum.info/2016/07/recensie-maarten-buser-club-brancuzzi/

donderdag 2 juni 2016

Jaar dat woord werd, woord dat vlees werd



In het eerstvolgende nummer van literair tijdschrift Liter verschijnen twee gedichten van mijn hand. Ze hebben als overkoepelende titel: het jaar 1916. 1916 is thema van het nummer.

Ik schrijf, het zal je niet verbazen, over WO I (de slag aan de Somme, de slag bij Mametz), maar, dat zal je ook niet vreemd vinden, beschouw die door de ogen van dichters: Martinus Nijhoff, Paul van Ostaijen, Siegfried Sassoon en Robert Graves. De laatste twee, én legerofficier én dichter, zijn met hun in poëzie en proza gegoten oorlogservaringen in feite de scheppers geworden van de adembenemende poet's walk langs dito Belgische loopgraven en oorlogsbegraafplaatsen. Sassoon en Graves waren strijdende dichters of zo je wilt dichtende strijders. Romantici ook, tegen het oorlogsgeweld maar vooral vóór de hechte oorlogsvriendschappen die erdoor ontstonden. Lees Sassoon er maar op na.

Paul van Ostaijen schreef het gedicht:
'Gulden Sporen Negentienhonderd Zestien', met de schitterende regel:
"...jaar dat woord werd, woord dat vlees werd ...". Die regel werd de titel van mijn eerste gedicht.
Martinus Nijhoff schreef:  'Zingende soldaten', wat de titel werd van het tweede gedicht.
Alleen al aan de titels kun je het modernisme van Van Ostaijen en Nijhoff aflezen. Ze waren strijders met de pen, namen afstand, reflecteerden, legden ironie als een vitrage over de afschuw heen.

Maar beide veldslagen ook gezien door de ogen van fotograaf
Erwin Olaf in een interview (in de Wereld draait door) over zijn tentoonstelling Catwalk in het Rijksmuseum.  Die tentoonstelling valt volgens zijn gevoel samen met de vluchtelingencrises. In de vorm van een ruwe tegenstelling. Hij voelt zich daarover oprecht ongemakkelijk.
Én door de ogen van Aad van der Drift, trouwe vriend en verwoed verzamelaar van alles wat met WO I te maken heeft. Ook ooggetuige en recensent van het monument dat de slag bij Mametz herdenkt. Hij geeft in ons gesprek én in het gedicht ongegeneerd lucht aan zijn afschuw over die vuurspuwende vuurrode draak.

Eigenlijk gaan beide gedichten natuurlijk over engagement. Met een enorme omhaal van woorden, dat wel.

Paul van Ostaijen, Het Sienjaal. In de Verzamelde gedichten (1981)
M. Nijhoff, De Wandelaar. In de Verzamelde gedichten (1964)
De wereld draait door van 19 februari 2016.

Over Mametz:
Zie ook Michel Renshaw, Mametz wood. Battle ground Somme. Leo Cooper (1999) en Nigel Cave Pen&Sword Military (2006, 2011).



dinsdag 8 maart 2016

Tom van Deel over Een grazende streep in de lucht.

Een grazende streep in de lucht

Titel:Een grazende streep in de lucht
Auteur:Jane Leusink
Uitgever:Uitgeverij Kleine Uil
Jaar van uitgave:2015
Pagina's:72 pagina's
ISBN:978-94-921900-8-6
Rating:
Jane Leusink is laat gedebuteerd maar direct herkend als een authentiek geluid in de poëzie. Haar eerste bundel kreeg meteen de Buddingh'prijs voor het beste debuut (2003). Dit is haar vijfde bundel in ruim tien jaar. Het overkoepelende thema is dood - met afscheid, vertrek etc. als verwante motieven. Ze put uit haar eigen geschiedenis en die van de provincie Groningen, maar weet alle gevoelens en waarnemingen altijd breder van toepassing te maken. De hoofdmomenten van deze prachtige bundel bestaan uit 'Kaddisj', waarin op grond van foto's de geschiedenis van een familielid wordt gevolgd, tot aan Sobibor toe: 'Zo kwam ik in Sobibor terecht / het was vrijdag, drieëntwintig april, de zon scheen / het leek een stralende zomerdag. / Ik heet Thomas, ze noemen me Toivi. Ik kom uit Izbica.' Veel indruk maakt het lange prozaïsche slotgedicht over een pasgeboren meisje uit 1872 dat vlak na haar geboorte stierf. Zij wordt na zoveel jaar waardig in deze serieuze poëzie herdacht en herbegraven. Dit is poëzie om lang bij stil te blijven staan. T. van Deel.
Biblion/Boekensalon

vrijdag 12 februari 2016

Vanmorgen liepen Hond en ik ons bekende rondje



Vanmorgen liepen Hond en ik ons bekende rondje langs het ruige stuk van de Oosterhamrikkade en sloegen rechtsaf de Kapteynbrug over. Op de hoek van de brug en het begin van het pad langs de studentenflats stond opeens de man die zei: wat een mooi gezicht die kameraadschap tussen hond en mens. Terwijl ik net aan het nadenken was over de maatschappelijke taak van de kunstenaar naar aanleiding van C’s poëziecollege en helemaal niet op Hond lette. Of het daarover ook gaat straks als ze op college Faverey bespreken en of ze die taak dan misschien ook melodrama en op de borstklopperij vinden. Evenals mijn favoriete dichter van het moment, Robert Hass, die dat overigens maar gedeeltelijk vindt.
Ik schrok dus op, de zon stond nog laag en scheen fel in het gezicht van de man. Hij sprak over zijn hond die de eerste nacht gewoon bij hem op bed was gaan liggen (wat hij voordien nooit deed) toen hij na een vechtscheiding terug kwam in eindelijk een eigen huis en de hond weer bij hem kon zijn. En ook over zijn kinderen die hij bijna niet zag, sprak hij. 
Ik zei dat ik die onvoorwaardelijke trouw van een hond blijvend ontroerend vind.
Toen ik verder liep (ik houd u op, zei de man) dacht ik aan mijn Franse kleinkind, aan dochter - haar moeder - aan hun diepe verbondenheid aan elkaar en aan hun tante en zus, mijn Russische dochter. Maar ook aan hun verbondenheid aan mij en mijn man, hun (groot)ouders, dacht ik, en aan de vader van mijn man, hun (over)grootvader en aan diens Russisch-Poolse ouders, hun (bet)overgrootouders. En dat ik toch echt over die relatiekluwen moest gaan schrijven. Straks. 
Ook dacht ik aan het wonder van het spontane zomaar kunnen houden van een kleinkind. En meteen ook aan het gedicht dat welbeschouwd niets anders is - of dat zou moeten zijn - dan een met woorden gemaakt liefdesbouwwerkje. En dat die woorden verspreiden wel eens de maatschappelijke taak van de dichter zou kunnen zijn. Als die tenminste over zijn eigenliefde heen kan stappen.
Toen we het pad langs de studentenflats insloegen kwam Hond dicht naast me lopen en keek met dwingende blik naar me op. Ze was tenslotte werkhond. Ik wist dat het nu tijd was een stok te zoeken, Honds liefde voor mij was dan wel onvoorwaardelijk, maar enige wederkerigheid stelde ze wel op prijs .
Lotte Jensen laat in De verheerlijking van het verleden zien dat nationalisme, vaderlandsliefde en heldenverering voor de negentiende-eeuwse Nederlander even vanzelfsprekend was als ademen, lopen en bewegen. Via de literatuur konden de lezers kennismaken met de grote namen uit de vaderlandse geschiedenis. Jensen haalt deze vaak bombastische, maar soms ook ontroerende literatuur uit de vergetelheid. Ze laat zien dat deze teksten een nieuw elan krijgen wanneer ze worden gelezen in dialoog met de tijd waarin ze geschreven zijn. De literatuur leerde het publiek niet alleen iets over het verleden maar ook over de eigen tijd.
Jos Palm zei over dit boek in OVT: ‘Aanbevolen lectuur voor iedereen die moe wordt van het vaak holle geschreeuw en geblaas over de Nederlandse identiteit.’
Ik lees dit in de voorjaarsbrochure van uitgeverij Vantilt.


maandag 8 februari 2016

Een grazende streep in de lucht besproken in Meander Magazine



Jane Leusink, Een grazende streep in de lucht
door Lennert Ras
Een grazende streep in de lucht is een goed doordachte bundel, een coherent geheel, bijna prozaïsch. Ze neemt je mee door de tijd, een grazende streep door de lucht, liefde, geboorte en vooral dood.
We worden meegenomen in het verhaal van de Shoa, maar de dichteres laat ook zien, dat er andere rampen zijn, die los staan van een onmenselijk regime. De dood krijgt ook de gedaante van een lijkhuisje en hoe heden ten dage mensen zich inspannen om dat te behouden, opdat de doden niet twee keer sterven.
Het is poëzie, maar er zijn duidelijke personages. Een vader, beeldhouwer en rokkenjager (maar ook vrouwen zijn jagers), een moeder, een kind. Joodse mensen met een naam. Liefde ontbreekt niet, soms in het kleine, en kort wordt scheiding aangestipt. In het leven en door de dood.
De bundel is een ode aan het leven in al haar facetten en ook een vanitas. Ze geeft je een gevoel van melancholie. Soms zie je de dichteres lijfelijk zitten achter de pc of het toetsenbord. De taal hapert nergens en is soms heel plastisch. Zoals in het gedicht ‘Tot het af is’ waarin het proces van beeldhouwen wordt geschetst: ‘Doordat de houwer zijn beeld bouwt uit een / vierkant blik, dat als eenheid beschouwt en / daar omheen werkt.’
De bundel springt van Sobibor naar Sneek en naar het Starkenborchkanaal. Een hond moet een geliefde vervangen. De stijl is rond en nergens schurend. Opeens staat ergens een stukje proza en er is zelfs een gedicht opgenomen in een gedicht.
De besproken thematiek zet aan het denken. Een grazende streep geeft een aangename leeservaring, die niet schuwt ook de hardheid van het bestaan onder woorden te brengen. Een caleidoscopische kijk op het leven, waarin ook de dood onderdeel is.
***
Jane Leusink (2015). Een grazende streep in de lucht. Uitgeverij Kleine Uil, 72 blz. € 15,-

http://meandermagazine.net/wp/?auteur=ras

dinsdag 26 januari 2016

Poëziemarathon in Leegkerk, 31 januari, in het romantische kerkje!



Aanstaande zondag, 31 januari vindt in het kerkje van Leegkerk (achter Hoogkerk) een stukje poëziemarathon plaats waaraan ikzelf ook mee doe. Samen met dichteres Saskia Stehouwer die afgelopen jaar de C. Buddingh'prijs won, een debutantenprijs die ikzelf in 2003 in ontvangst mocht nemen.
We lezen voor de pauze vier gedichten, interviewen elkaar over onze dichtideeën en lezen na de pauze elk wederom drie gedichten. Leuke middag, ongetwijfeld, zoals al deze door de Culturele Onderneming van Gelly Talsma georganiseerde Leegkerk-evenementen.
Iedereen is van harte welkom. 



zondag 10 januari 2016

Knellschuh, willst du mich heiraten? In: STAD Magazine (dec. 2015)




Overwintering in een Gronings stadsappartement

Bijna nooit meer keerden wij terug van foute damesvakanties op dito latten.
We zeiden dat nu we ons bijna nooit meer in deze sneeuwvolle kitsch
ophielden, we deze hobbel rustig konden nemen: zwarte piste.

Knellschuh, willst du mich heiraten?

Lazen we vanuit ons skiliftstoeltje op de betonnen sokkel van de langs
glijdende pilaar. Mijn praatgrage vriendin glimlachte ontroerd: wij de ranken
slanken begeerlijken, bijna nooit meer plaagden ons angsten, smetvrees en

verkeerde mannen. Bijna nooit meer zag je ons puur en liefdevol  
de verleidelijkste fouten maken. Fouten, het zijn de steigers die
de verbeeldingskracht stimuleren, zet ze op een voetstuk.

Knellschuh willst du mich heiraten?

Keer op keer op keer waren daar die onhandigste aller letters. Let wel
bijna nooit meer waren wij met minnaars dat wil zeggen bijna nooit
meer zag je ons nog appels aandragen. Laat staan een granaatappel.

Gewone seks was ons genoeg.

Bijna nooit meer zag je ons het hazenpad kiezen. Vooral bij ongrijpbare
of verbijsterende kwesties gingen we graag meta: denken over denken
praten over praten. Zo beteugelden we ons wensdenken.

Knelschuh willst du mir dein Jawort geben?

’s Avonds zeiden we tegen elkaar dat we kenners van onze fouten waren
geworden. Het maakte mijn vriendin onrustig, in haar stem bespeurde ik wrevel.
Kijk, zei ze, de dingen zelf: ski, spar, fout, minnaar, seks, we hebben ze uit-

gespeld, opgelost. Maar hoe hunker je en hoe hou je de herinnering
aan het hunkeren vast? Hoe hou je gewicht op de wegvluchtende dalski?
Ik dacht aan de man met zijn lichaam achter het mijne, mijn ski’s

tussen zijn ski’s, armen om mijn middel, adem, zijn tanden, en dan was daar
die perfecte Schneepflug. Later voerden we met onze aangescherpte zintuigen
de lastigste verkenningen uit, hij leerde mij alles over afgronden inkijken.

Ik herinner me zo goed de sierlijke parallelbogen waarmee hij afdaalde
onverwijld de zwartste piste nam. Tot die dagenraad en hij niet meer
op mij wachtte. Mijn lichaam herinnert zich alles, al die middagen

onze kraakheldere sporen in de sneeuw, de klare hemel en als een zucht
van opluchting de snik waarmee ik de volgende ochtend ontwaakte, mijn handen
voor mijn mond geslagen, mijn mond die Knellschuh, Knellschuh, Knellschuh deed.


dinsdag 5 januari 2016

Van Remco Ekkers

Kan rouw je verlaten? De dichteres Jane Leusink vindt ‘het hooguit raar nu ook rouw haar verlaat, nee / in de steek laat, het komt toch hard aan, zegt ze / harder nog na veertig seizoenen, hoe is het mogelijk.’
Veertig seizoenen, dat klinkt heel wat langer dan tien jaar.
Je kunt rouw koesteren omdat je je min of meer verplicht voelt je dode geliefde te herdenken, elke dag, elke nacht. Eerst laat de geliefde je in de steek, omdat hij dat wil, maar omdat God, nee, het lot dat kennelijk wil. Het is absurd. Alle herinneringen zijn er nog. ze blijven je achtervolgen. De reis over de bergen, de reis door de woestijn, het wonen op de klei. Wanneer is het ondraaglijk? In de zomer? Ach, natuurlijk ook in de winter. In alle seizoenen: de lente, het kleine paard
in de wei. In de gezamenlijke beleving van kunst, van zeegezichten. En is niet het schilderij van een man, kijkend, naar kolkende lucht, hoog op een berg, het schilderij dat je af en toe weer ziet afgebeeld en dat je doet denken aan hoe hij ooit stond en nu met z’n rug naar je toe. Is niet dat schilderij, een teken van je trouw en van je verdriet?
En dan besef je langzaam dat jouw leven ondanks alles is doorgegaan en dat er nieuw leven kwam en zeer vreugdevolle momenten zich aandienden, zich aan je opdrongen. Je zou jezelf kunnen of willen verachten, omdat je af en toe vergeet en ook omdat je weet dat al die herinneringen moeten worden losgelaten, misschien zelfs los getrapt. Je moet de knop in je keel doorslikken, maar hoe moet je dat doen? En je vraagt: gaat het zo? Is het normaal dat je zolang vasthoudt, dat je loslaat? Kan ik dat van mezelf accepteren?
(naar aanleiding van ‘Een grazende streep in de lucht’, vijfde bundel gedichten van Jane Leusink, uitgever Kleine Uil, oktober 2015)

Bunt Blogt: De beste poëzie van 2015

Bunt Blogt: De beste poëzie van 2015: 2015 was een mager leesjaar, merk ik. Niet dat er weinig te lezen was, maar ik ben aan te weinig toegekomen; dat vertelde ik al bij de li...