maandag 9 december 2019

In de gezondheidszorg

Eergisteren de laatste van twintig bestralingen na operatie van september. Nu wacht een nieuwe behandeling waarvan nog maar de vraag is hoe lang ik die zal blijven willen, de bijwerkingen zoals ze op het pillen begeleidende A-viertje worden vermeld zijn niet fijn. De therapie vergroot de kans dat ik over vijf jaar nog leef met slechts 3%, maar opgeteld bij de 71%  die ik tot nu toe heb veroverd leek het me de moeite waard. De 2% die men geeft met een chemotherapie erbij, ja die drinkbeker laat ik aan mij voorbijgaan. Er zijn mensen die zeggen hou toch op met die onzin, de kans dat je onder een auto of fiets loopt of van de trap afrolt en daarbij het leven laat is beduidend groter.
Het is een rare optelsom, ik geef het toe, alleen ingegeven door kwaadaardige cellen differentiatiegraad III. Met andere woorden, het is een weinig goeds voorspellend rommeltje, mijn kankercellen. Wat als er toch eentje aan de zwerf is gegaan?
Altijd prettig als ze je de waarheid durven zeggen. Ondertussen merk ik mijn bewondering voor degenen die het echte werk verrichten: hun vakkennis, inlevingsvermogen, engelengeduld, ervaring met lastige patiënten, vertrouwen, intelligente humor, concentratie. Superlatieven te over. Aparte vermelding verdient bovendien de sfeer in de operatiekamer. 
Naast verbijstering, onzekerheid, dankbaarheid is bewondering het gevoel dat ik de laatste vijf maanden opnieuw heb leren waarderen. Opnieuw doordat het voor het eerst in verband werd gebracht  met zoiets prozaïsch als de gezondheidszorg. En die gezondheidszorg, of liever de mensen die er werkzaam zijn, met zoiets prozaïsch als mijn lichaam. Over drie dagen is het negen maanden geleden dat dochter Roos ons verliet. In de jaren dat ze ziek was heb ik zo vaak gewenst haar ziekte te mogen overnemen. Dat werd mij niet vergund. Ik weet nu een beetje beter wat zij heeft meegemaakt, ook hoe een ziekenhuis een soort van tweede thuis kan worden.







Mijn herinneringen brachten mij terug naar de allereerste keer dat ik in een ziekenhuis verzeild raakt. Ik was twaalf en kreeg van het ene uur op het andere geweldige buikpijn, zelfs zo dat mijn ouders de huisarts alarmeerden, niks voor hen. Het was avond ik lag te krioelen van de pijn in mijn buik op mijn zolderkamertje, de huisarts verscheen constateerde een acuut ontstoken blindedarm en het volgende moment lag ik in het ziekenhuis, Ik werd geopereerd en de volgende dag kwam mijn moeder op bezoek met maar liefs twee nieuwe pyjama's. een ongehoorde luxe in een gezin waar voor dat soort dingen geen geld was. Ik heb er tien dagen gelegen, tien dagen van een geweldige warmte en lieve aanwezigheid van de zusters. Vooral van de hoofdzuster op wie ik verliefd was denk ik. Mijn heimwee was groot toen ik weer thuis was en ik ben regelmatig gestopt als ik langs het ziekenhuis fietste om naar de afdeling te kijken en te zoeken naar een blik op de hoofdzuster. Heimwee de verkeerde kant op, zoals ik dat later ben gaan noemen. Het overkwam me vaker.

zondag 13 oktober 2019

Gisteren, 12 oktober



Gisteren, 12 oktober, was het zeven maanden geleden dat dochter Roos haar strijd tegen de uitgezaaide kanker moest opgeven. Die strijd had drie jaar geduurd, haar totale ziekteperiode besloeg toen zeven jaar. Haar dochtertje was zeven maanden en nog aan de borst toen de diagnose viel. Roos heeft al die jaren haar ziekte met een ontroerend grote glimlach gedragen. Ze werkte met dieren en die kun je niet zomaar aan de kant zetten. Haar dochtertje leerde ze tekenen, zingen, twee talen, zwemmen als een vis en op het laatst ook nog skiën. Ze zag toen ook haar eigen kans schoon en met haar breekbare botten kwam ze de zwarte piste af. Lef.
Daarna kon ze niet meer.

Het was gisteren de laatste dag van de kinderboekenweek en ik las Haaientanden, het geschenk van Anna Woltz. Haaientanden brengen geluk staat er. Ik heb als kind zelf op het strand van Cadzand uren en dagen haaientanden gezocht. En soms ook gevonden. 
Ik weet niet of ze mij geluk hebben gebracht. 
Geluk brengen ze wel aan de elfjarige Atlanta, een voetbalmeisje dat in een dag, een nacht en weer een dag het IJsselmeer rond gaat fietsen omdat ze een daad wil stellen tegen de kanker die haar moeder bedreigt. Dat Atlanta uiteindelijk niet aan haar angsten ten onder gaat en een haast bovenmenselijke prestatie levert, komt ook doordat ze door de van huis weglopende Finley geholpen wordt. Hij fietst met haar mee en komt en passant met zijn eigen angsten en moeder in het reine. 
Alles stoere liefde en de kracht van magisch denken.
Het is een mooi en ontroerend boekje geworden

Zelf liep ik na het overlijden van mijn man in 2003 naar Santiago de Compostela. Ik vertrok met de Transhumance van 2004 vanaf de zomerweiden van de centrale Pyreneeën waar Roos haar schapen hoedde. Ze bracht me een eindje op weg naar het Spaanse Jaca, even voorbij de Col de Somport, de oversteek over de Pyreneeën van de Italianen die de camino lopen
Dat werd mijn pelgrimage, een rite de passage en een daad van rouw.
Tijdens de jaren van Roos' ziekte hebben magische denkprocessen mij trouwens ook in hun greep gehouden. Waarom zij die valse rotziekte moest krijgen, zo jong nog en zo gelukkig met haar kind, waarom ik niet. Ik, al een eind op weg naar de zeventig, met de mooiste en gelukkigste jaren van mijn leven allang achter mij. 
Ik vervloekte het opperwezen vooral 's nachts, als ik niet kon slapen.
Bizar, een slechte grap en een gotspe noem ik het dat ik zeven weken geleden zelf de diagnose kanker kreeg. Drie weken geleden werd ik geopereerd en  ben nu in afwachting van de radiotherapie die over drie dagen gaat beginnen. 
Het opperwezen wilde me maar een klein beetje mijn zin geven. Bijna niemand begrijpt dat . 

Op de pagina van de Nederlandse borstkankervereniging lees ik dat het vandaag Uitgezaaide borstkankerdag is - Metastatic Breast Cancer Day -. Onhandige naamgeving, lovenswaardige doel: aandacht. Maar soms gaat er iets te veel in een naam, delen laat ik dus achterwege. 
Ben je geïnteresseerd? Ga er zelf maar naar toe en lees.


woensdag 18 september 2019

Requiem I-VIII, gedichtenreeks over de waarachtige geschiedenis van mij met Ilja Cukier oftewel Eljie Meilach Wajnkranc en Gudes Bursztyn. In: Het liegend konijn 2019-1


Sporen revisited - I

Requiem
I
Was deze verlieslijdende koers nog weg te zetten?
Was het voetenwerk van mijn gedachten krachtig
genoeg? Er waren die ochtend geen redenen
om in een betere wereld te geloven, geen
reserves, zelfs de tulp was nog een tulp, mijn fancy
schoenen maatgetrouwe liefde, hoe moet ik zeggen?
Iemand fietste onder zijn regenwolk naar het station.
In de trein bladerde ik in een boek over de vergeten
Pools-Russische oorlog.

Las over hongersnood epidemieën uitroeiingen
over besprizorny, van ouders beroofden, over wie
Victor Alexandrov in zijn boek Adder onder de adders
mijn jeugd tijdens de Russische revolutie na afloop noteerde:
om in leven te blijven gingen Misjka en ik uit stelen.
Leonia en Moessia maakten het eten klaar. We waren
geheel verwilderd als wilde dieren verdacht op
ieder geluid uit het bos, het ruisen van de bladeren
het kraken van een tak. Hondsvot schobbejak rattenkop.
Ik dacht aan Russische lessen.

Daarna dacht ik omlijnd aan de onlangs onderweg
verloren stamboombouwer met veel spieren om verloren
woorden uit te graven als ze zich vermomd als data
in de kronieken vinden lieten.
Het residu van spijt om mijn lippen om mijn ogen
om mijn onscherp, koppig hoofd. Mijn bebrild,
koppig hoofd. Dit is mijn requiem voor hem.

II
Dit is mijn requiem voor hem. Iemand fietste
onder zijn regenwolk op weg naar het station. ’s Middags
was er die raadselachtige onvoorspelbare
onverwoestbare man aan mijn hoofd en handen
die stemde met zijn voeten, die schoenen droeg vol liefde
voor het materiaal, die zijn stad en land in lichter
laaie spoorslags had verlaten maar niet dan
nadat hij zich een nieuwe naam (klinkt als suikerzoete
lekkernij), bij een bekende patissier in W.
had aangeschaft, die reisde trager westwaarts door
de landen tot waar een zee hem koeltjes tegenstreefde
tot waar een mooiste vrouw hem in het Haagse Pools
wakker kuste, zo ook de zoon die ze daarop baarde.

Iemand fietste onder zijn regenwolk naar het station.
Weer vroeg ik me af hoe ik zonder ironie oprecht
kon zijn of ik twijfel en keuzestress uit kon vegen
zoals op school de bordenwisser het whiteboard deed.
Hoe het was om in zo’n land te leven. Voetje voor voetje?
Zodra ik aankwam op het laatste perron groeide
mijn grondeloze liefde voor heel zijn geringe nageslacht
tot bonkig thema met mij als klampige weduwe
met dat hart, doorboorde spier die zich maar
niet trainen liet.

III
Waarom het opgeschreven moest, dat vroeg
wat ooit zijn nieuwste (en laatste) liefde was decennia later.
Ze zei: je ziet het als je om je heen kijkt zie je het toch
de plek waar immigranten zich verbonden voelen. Bijvoorbeeld
aan het strand bij een zonsondergang. En toch altijd
elders zijn, bijvoorbeeld aan de overkant.
Het zijn in feite hopeloze hopers
die ook in de toekomst slechts herinneringen zien
en dat vooral de afgelopen nacht het spook van het vergeten
van de doden zich aandiende (zij zei daghengst). Dat.

Zijn wij Nederlanders door bloed of grond en zij
Russen die nu weer Polen zijn? Geen tsaren
geen Duitse of Oostenrijks-Hongaarse keizers meer
in het vizier. Wat doet het met je eigenwaarde, vroeg ze.
Ach ja, zijn Joods zijn was hij sowieso vergeten. Alleen
zijn trotse Stetson had ze bewaard op de standaard
op de gammele klerenkast in de achterkamer
van het Haagse kadehuis. Dat we hier op aarde
zijn, niet in het paradijs stond half vergaan met wit
krijt op de rood geverfde keukenwand geschreven.
Dit is mijn requiem voor haar.

IV
Tegen de avond in het stadsplantsoen schoot
het me weer te binnen. Na de takkenstorm
van gisteren lag op het winderige pad
nog een oranje zon plat tussen geschilferde
platanen. Ik dacht: plat als je sociale weefsel ligt.
De sneue woorden doemden rücksichtslos voor
mijn nooddruftige ogen op en zelfs mijn ouwe trouwe
hond zag nu in loslaten opeens het nieuwe
vasthouden (het sublieme).

Ik daarentegen framede het onvolmaakt
(kapotte spijkerbroeken, sloophoutenboekenkasten
onscherpe foto’s, kromme komkommers). Het ging, zag ik
om hergebruik van willekeurig gevallen regels
op een scherm. Wat ik had was taal van kleine woorden.
En gekheid om een berm vol geurig venkelkruid
dartelende vogelwikke en giftig bitterzoet
mee in te kleuren. Een kruidig buinen
waarachter zich een ondertussen drie, vier
etages ingedaald genealogisch vlechtwerk uitgesponnen had
ofwel een vergezicht tot aan de weidse overkanten
van de Atlantische Oceaan.
Getemd de data rekte het opgedolven, langer
dan een eeuw verstopte namenwoud zich haast
wellustig uit. Blijf altijd kloppen kloppen en zie.
Dit is mijn requiem voor hem.

V
Dit is mijn requiem voor hem.
De raadselachtig onverwoestbare
die eeuwig onvoorspelbare wakkere man
ontving nu als een steen door de postbus
de brief van zijn oudste zus uit Brooklyn N.Y.
Zij schreef: the knowledge that you are alive has been
like a tonic to me. Maar ben je wie je zegt te zijn?

Mijn naam is Eljie Mejlach Wajnkranc, geboren
2 October 1896. Ik ben de jongste
van ons gezin, bestaande uit 3 broers en 4
zussen, zijnde Jankof Lejb, woonde in Ostrolenka
Kalman in Ostrolenka, Taube Riwka in Warschau
Dina in Ostrolenka, later Lomza, later Warschau
op de vlucht, en Ester in Paris. Jouw naam is
Sura Elka. Vaders naam was Schmaie, hij is op
17 (Teives) 1917 in Ostrolenka gestorven.
Mutters naam was Roechla, Rachel; zij stierf
in 1937 in Ostrolenka.
Schreef hij terug.
Dit is mijn requiem voor hem.
  
VI
Precies een jaar nadat op 1 augustus WO I was
uitgebroken zagen ze in Ostrolenka drie dagen en
drie nachten lang het vuur de stad opeten. Het nieuws
kwam als het weerlicht uit de hemel komt, het sloeg
de hoofden van de Joden neer. En Dina’s brief,
nu uit een overzeese rommelzolder opgedoken
sprak vanuit het Poolse Lomza:

lieve Sura Elka zuster, stuur me meer geld om kleren te kopen
en schoenen, mijn voeten zitten vol wonden
van de klompen die ik draag. Ik verloor
alles in het vuur van de Russen
toen ik uit Ostrolenka
naar Lomza vluchtte.
Stuur Jankof Lejb niks, hij heeft het niet nodig.
Mutter laat je groeten. Ze bedankt je voor het geld. Stuur ook een foto.
Mejlach is soldaat in Warschau, ik zal hem van je geld
geven. Op een dag zullen we elkaar ontmoeten.
Ik ben nu in Warschau, ik heb een postadres.
Deze brief moest lang op verzending wachten.
Dit is mijn requiem voor haar.
  
VII
Iemand fietste onder zijn regenwolk naar het station.
In mijn dromen schreef ik Mejlach, de jongste
die in dit land als grootvader Ilja heette na vele jaren
een in rouw gedoopte maar feitenvrije brief vol rationele berusting
en godsvertrouwen.
Het thema van zijn reactie: ik aanvaard dat ik leef
in blessuretijd. Er zijn zoveel wegen.
Als immigrant ben ik het pas geboren lam
dat slingert aan de herdersarm, blijkbaar is jouw tijd nog niet gekomen.
Zijn liefste uit het paradijs had hij verteld:

Ik was met vier andere jongens in het bos
Mutter was daar ook, ze gaf zevenduizend roebel
mee voor onderweg. Met onze kleren
op het hoofd gebonden, moesten we de Narew
overzwemmen. In Warschau was ik in dienst van het Poolse
nationalistische leger van Pilsudsky. Ik stemde toen met mijn voeten.

In mijn dromen ging hij akkoord met mijn voorstel
prees het zelfs: faîtes vos jeux! Ik zette alles
op alles in: 19-21 met de buren.
Het spel was het zijne. Het casino was Scheveningen.
Er was geen vuur, geen schaamte, geen dood die je in
verschiet kon zien bewegen. Ook later was er slechts
de herinnering aan het licht dat zelfs
onze meest afgelegen celkernen onthulde.


VIII
Ook eerder niet toen ik Lenins prijs en lof las
voor politici met een verlangen naar totale
oprechtheid. Dat was een traktaat uit 1902. Zij maakten
zich geen zorgen, dachten wederzijds vertrouwen
na het wankelen en instorten van het luchtloze
regime. Sommigen dachten de democratie is gestorven
nog voordat hij begon. Anderen konden niet begrijpen
wat hen was ontnomen. Ze wisten niet hoe vrij
te leven. Later zetten dissidenten diezelfde taal in
om aan de macht te morrelen, die de retoriek
van oprechtheid langs de meetlat legde:
Pussy Riot, Alexei Navalny.

Decennia voor haar zoons dood stierf de borst
die hem voedde aan diezelfde oprechtheid. Dit is
mijn requiem voor haar. Geboren in de hoofdstad W.
ontvluchtte Gudes, Bursztyn van haar van, de oorlog
met ons ogenschijnlijk zo zeewaardig (vol armen en estuaria)
land als, wat later bleek, voldragen Haagse tussenstop
Daar werd Meilach de verwekker van haar kind.
Toen na drieëntwintig jaar ging ze retour. Na aankomst
van de trein was er de toespraak van de Duitser
op het appèlplein, die het over werken had. En dat
de gezinnen niet gescheiden zouden worden. Sommigen
vroegen nog iets, zoals water. Iedereen klapte.
Samen met de blaffende honden en leeuweriken
die de lente lieten kwinkeleren juichten
zij naar goddelijk licht, de hand uit de wolken.
Dat was 23 april. Todestag.


zondag 11 november 2018

Recensie bundel Erik Bindervoet - De olifant van Oostzaan

Schrijf het op. Leg het vast (olifant in porseleinkast)
Plaats van handeling in Bindervoets De olifant van Oostzaan is het hotel, ooit geboorteplek, nu vertrekpunt van de ik als dichter. De ik leidt ons door de tekst, zijn levensverhaal. In de ordeloze hoeveelheid herinneringen, anekdotes, ongestructureerde snippers en stapelingen van taal ontwaren we echter geleidelijk, weliswaar overwoekerde, maar toch lijnen van waaruit verhalen ploppen als luchtbellen uit een moerasbodem.
Bindervoet is niet bepaald een liefhebber van lyrisch getoonzette poëzie: veel te veel betekenis, onvrijheid en mooischrijverij vindt hij dat. Toch houdt hij de touwtjes in deze bundel stevig in handen. Hij laat ze vieren als hem dat nuttig voorkomt of gewoon, als hij zich niet kan bedwingen. Dan stuurt hij je het bos in. De ik als dichter, als machtig centrum, als Olifant (zie ook de kaft van het boek waarop de indrukwekkende olifant Celebes, in 1921 geschilderd door Duitse surrealist Max Ernst). Met Robert-Jan Henkes met wie hij al een half leven intensief samenwerkt, vertaalde Bindervoet niet alleen de gehele Joyce (van waaruit rechtstreekse lijnen lopen naar zijn werk), zij schreven ook een manifest voor wat zij noemden Ugly Poëzie. Poëzie die de poëzie voorbij is, vol associaties, straatpraat en rommelige gedachtestromen. Dat die poëzie helemaal niet ugly hoeft te zijn, in ieder geval niet qua vorm, zagen we al in de bundel Aap (2002) die uitsluitend bestaat uit ingenieus samenhangende kwatrijnen.
Hieronder het begin van het lange gedicht dat als basis de strenge vorm van de haiku heeft (5-7-5 lettergrepen) met daaraan toegevoegd twee regels van 7 lettergrepen. Waarmee een renga wordt geboren, een Japans kettinggedicht waaraan verschillende dichters meewerken:
Bushalte de Kolk
Waar molen De Olifant
Stond, lang geleden,
En later badhuis annex
Verpleeghuis Ons Verpleeghuis,
[…]
Mijn geboortehuis,
Ontworpen door architect
J. van Hardeveld
Vader van verzetsheldin
Annick Germaine Mathilde,
[…]
Je kleine zusje Inge
die hier ook geboren is,
In dit verpleeghuis,
Voorheen molen D’ Olifant,
Nu een geteisterd hotel.
[…]
En ja, als een echte renga betaamt werkten ook aan Bindervoets lange tekst talloze anderen mee. Ze worden achteraan de bundel allemaal genoemd, vier dik bedrukte pagina’s namen plus de volgende tekst op de website van de Arnhemse toneelgroep tgEcho die het stuk Hotel Informatie op het programma zette:
Tijdens de tournee van Hotel Informatie werkt onze tekstschrijver Erik Bindervoet aan een gedicht over dezelfde thematiek als de voorstelling, want de informatie-overload houdt nooit op. Hij wordt graag geïnspireerd door vragen en antwoorden die bij jou leven. Laat je vraag en/of antwoord bij ons achter en draag zo bij aan Bindervoets gedicht. Wat doet deze overdaad aan informatie met ons, vragen ze zich af.
Bindervoet geeft zelf het volgende antwoord:
Een koor van stemmen,
Stemmen van onder, stemmen
Van boven, stemmen van
Buiten, zwelt aan, door elkaar,
Door elkaar heen, door
Elkaar heen, met orkaankracht,
In antwoord op wat
En over iedereen heen wordt
Uitgestort, zonder pardon.
Opgelucht zijn we als we halverwege de eerste helft van de bundel nachtwakers tegen komen. We herkennen ze als Pieter Steinz, Wim Brands, Joost Zwagerman en René Gude.
Ah! de nachtwakers
Komen met hun zaklantaarns,
Nachtwaker Pieter,
Nachtwaker Wim, nachtwaker
Joost en nachtwaker René.
De nachtwakers schijnen bladzijdenlang hun licht op de materie die zorgen baart. Wim de vragensteller, Pieter de verteller, René Gude, de richtingwijzer en de zwijgende Joost Zwagerman. Ze worden alle vier op typisch Bindervoetse wijze gekarakteriseerd. Maar ze zijn ook dood. Bindervoet zal ze goed gekend hebben en schrijft een uiteraard tegendraads hommage. In de tweede helft komen we ze nog een keer tegen, nu in rijm en ingebed door tientallen Facebookberichten, anekdotes, losse woorden, namen, zinnetjes en uitroepen. En dan klinkt het, verkort, zo: ‘[…] I’m Wim … I swim … Ik ben Pieter … Levensgenieter … Ik ben Joost … Ik zoek troost … Ik ben René … Ik zeg nooit nee. […]’ Melig, boud en tragisch tegelijk. Alles opgeschreven door een ik en alles van elkaar gescheiden door puntjes: … . Die ik-verteller als centrum helpt ons overigens bij de les te blijven. Het geheel mondt uit in de figuur van de Aap van Szymborska, ook visueel gemaakt doordat de regels dan onder elkaar geplaatst zijn. Maar het gedicht zelf moet nu de ik regelmatig bij de kladden grijpen omdat hij zo afdwaalt:
• Ho! Stoppen maar! zegt het gedicht tegen me
• Het zou gaan over de Aap van Szymborska
Waarna een soort dialoog ontstaat tussen het gedicht dat orde wil en de tegenstribbelende dichter die alle kanten uit blijft meanderen.
Vervolgens is er de lange passage waarin de dichter de werkelijkheid in taal wil betrappen du moment dat die zich voordoet. Hij schrijft op wat zijn zintuigen hem bieden. Het is een procedé dat al wel vaker is uitgetest. Maar Kouwenaar zei al dat je met een gedicht geen ruit kunt ingooien.
In het laatste gedeelte lijkt de dichter persoonlijk te worden: daar zijn de zinnetjes nostalgisch maar ook triestig van toon. Ze hebben te maken met de wereld verbeteren (hoe ga jij dat doen?), met angst, moed, het geheimzinnige ik. De opsomming deed me erg deed denken aan de te kleine potloodjes die bij Uil thuis achter het fornuis zijn gevallen en waar Uil zo van moest huilen dat hij er tranenthee van kon zetten (A. Lobel). Bushalte De Kolk komt terug en met bushalte De Kolk eindigt het gedicht met de boodschap: herhalen tot het moment van overlijden. In een eeuwig perpetuum mobile.
Het is mooi en ontroerend (wil de dichter dat wel?). Maar je moet engelengeduld hebben om alles te blijven volgen, ook dreigt saaiheid doordat de zinnen zelf, als je ze eenmaal hebt doorgrondt, coherent zijn en in eenvoudige, weinig avontuurlijke taal zijn opgeschreven.
De tekst als experiment en de dichter Bindervoet houden ons een spiegel voor. De tijd is cyclisch. De tekst is een netwerk dat eruit ziet als een ondergronds stelsel van plantenwortels. Waar is ik? Is ik nog steeds een ander? In de filosofie en in de literatuur lopen de lijntjes dan al gauw naar het postmodernisme en de Amerikaanse Language poets, naar een dichter als Jeroen Mettes (N30) en een schrijver als Tonnus Oosterhoff (Op de rok van het universum). Als Vorläufer zou ik hier wel een lans willen breken voor de dichteres F. Harmsen van Beek. Kennis nemen van haar begrip ‘Neerbraak’ is voor iedere hedendaagse (taal)dichter een must. Bindervoet hoort uiteraard in deze illustere rij thuis, ook al laat hij de plantenwortels snoeien door een keurige ik-verteller

zaterdag 20 oktober 2018

Hemelse mevrouw Frederike, biografie Maaike Meijer. Presentatie ook in Garnwerd


Fritziana?

Onbegonnen werk, een casestudy, is het verslag van de receptie van het gehele oeuvre van de dichteres F. Harmsen van Beek. Teleurgesteld over de geringe respons die In goed en kwaad, het verzameld werk bij verschijnen in 2012 kreeg, besloten Den Boef en Kircz tot een onderzoek naar alle publicaties (300) over het werk van de dichteres. Dat levert nu, in 2015, een bij tijd en wijle spannende speurtocht op, een zoektocht naar feiten en fouten: de moeder van de dichteres heet níét Langerer maar Langeler, de dichteres heeft in 1963 níét de poëzieprijs van de stad Amsterdam gekregen.
Het was de auteurs ook opgevallen dat zoveel recensenten biografische gegevens (levenswandel, financiële en amoureuze situaties) inzetten waar je analyses en interpretaties van de poëzie zou verwachten. Fritziana hebben de auteurs die biografische prietpraat nu genoemd, vaak geuit door recensenten die haar vertrouwelijk aanduidden met haar voornaam ‘Fritzi’. Ja, Harmsen van Beek was een mooie, charmante vrouwelijke vrouw met een kleurrijk leven. Aad Nuis valt al in 1965 hard uit tegen dit type recensenten.

Onbegonnen werk

Onbegonnen werk? De recensies over Muizenpoot (er zijn er dertig verschenen bij zes herdrukken) blijken overwegend positief, ze noemen aanvankelijk geen of slechts lovende biografische details, die dan uiteraard wél seksistisch van aard zijn (L. Th. Lehman - 1965). Extreme dieptepunten ontstonden door een artikel in de Haagse Post (1965) en, veel later, door het boek Jagtlust (1998), deze hadden op de receptie van het werk weliswaar een heftig, maar ook weer wegebbend effect. De dichteres werd er echter blijvend door geframed, om het maar eens eigentijds uit te drukken.
Onvermogen tot het werk door te dringen verwoordden al die recensenten overigens wel. Harmsen van Beek schreef gewoon moeilijke gedichten voor een generatie critici die gericht was op interpretatie, synthese, begrip en een coherente betekenis. Het feit dat Merlyn met zijn credo dat alleen het werk ertoe doet en dat men af dient te blijven van de persoon van de auteur (Fens, Schippers) heeft ongetwijfeld bijgedragen aan Harmsen van Beeks literaire reputatie in positieve zin (stop het geroddel; lees!).
Uiteindelijk gingen recensenten de dichteres meer en meer zien als schepper van slechts één werk Geachte Muizenpoot met Piet Gerbrandy in de Groene (6-2012) als voorlopig sluitstuk. Waarop de vraag rijst of je een auteur, teneinde die een plek binnen de canon te geven, beoordeelt op zijn slechtste, dan wel zijn beste werk. In het geval van Harmsen van Beek: een niet geslaagde tekst in Neerbraak? Een belachelijk gedicht in Kus of ik schrijf? Het zal wachten zijn op de biografie van Maaike Meijer (2018) voor het eindoordeel. Harmsen van Beek was een multitalent, zelf een totaalkunstwerk. Wat mij betreft. Ze kwam zowel binnen als buiten de poëzie tot grote prestaties. Weinig recensenten bleken in staat haar activiteiten op het gebied van de beelden kunst te beoordelen, weinig recensenten deden daartoe serieuze pogingen. Lees dus In goed en kwaad (lees ook mijn uitvoerige bespreking elders in Tzum-jl).

Fritzi


Slot: Annie van den Oever (2003) komt er bij de auteurs bekaaid af. Vonden zij het onbegonnen werk haar op alle fronten logge dissertatie serieus te nemen? Van den Oever heeft ervoor gezorgd dat het werk van F. Harmsen van Beek binnen een theoretisch denkkader werd geplaatst. Het Russisch Formalisme met auteurs als Ejchenbaum, Bachtin, Sjklovsky bleek voor linkse literatuurwetenschappers in de zeventiger jaren een echte inspiratiebron. Dat wij die inmiddels afwijzen of niet meer zo nodig hebben, doet daar niets aan af. Bovendien geeft Van den Oever interessante en grondige analyses van het werk en plaatst zij dit in de toenmalige literaire traditie als afwijkend, tegendraads en averechts. Zij verafschuwt het ge-Fritzi (haar term).
Hopelijk leggen Den Boef en Kircz zich niet neer bij het voorlopig finale oordeel van Gerbrandy. Maaike Meijer zal dat zeker niet doen. Daar wachten we dus maar op.

Zie voor de officiciële presentatie op 5 november door uitgeverij De Bezige Bij de website van  http://www.spui25.nl/
De presentatie in Garnwerd is 10 november, zaterdagavond.

dinsdag 29 mei 2018

Van de zon van de lucht - Tsead Bruinja

oote oote - eerste indruk



van de zon van de lucht
van de plant van de vis
van de vogel van de lucht
van de grond van de tijd
toegerekend – opgeëist
uitgesproken
neem het terug riep je
deel het opnieuw op
laat ons begaan
haal ons aan
*
als je dat doet
zet je de sluizen open

___
Zodra ik een kort gedicht met veel ritmiek en een vis erin tegenkom moet ik denken aan Marc groet ’s morgens de dingen, het beroemde gedicht van Paul van Ostaijen. Het was een van de eerste “moeilijke” gedichten waarmee ik als middelbare scholier (ja, uit de vorige eeuw) werd geconfronteerd. Het was een doorbraak toen het “open” ging en ik ontdekte dat je het alleen maar heel precies hoefde te lezen, gewoon wat er staat dus. Het mag veelbetekenend genoemd worden voor mijn/onze manier van lezen dat we dat niet konden. Tegenwoordig noem ik het gedicht ook wel een grappige en ontroerende voorzetseloefening.
Bij Tsead Bruinja komt alleen de vis aan de orde, geen visserke vis, geen visselijn. De kracht van de associatie met Marc zit ‘m waarschijnlijk in het speelse, het heldere en dingachtige van in elk geval de eerste drie regels van de eerste strofe bij Bruinja.
Behalve dat het een treffend voorbeeld van parallellisme is, is in die eerste strofe het woordje ‘van’ intrigerend, drukt dat een bezitsrelatie uit? En wat is dan van de zon of van de lucht, van de plant, van de vis, van de vogel, de grond en de tijd? Het leven? Daar geeft de strofe geen antwoord op. Je kunt ‘van’ ook vervangen door “over”. De strofe gaat dan over de zon, de lucht, de plant, de vis, de vogel, de grond en de tijd. Merk op dat ‘van’ en “over” in dat geval hetzelfde betekenen.
Zie trouwens ook dat er in de eerste regel sprake is van lucht, in de laatste van grond (naast tijd), dat er in dit gedicht met andere woorden een beweging naar beneden zit.
In de tweede strofe is sprake van drie voltooid deelwoorden. Worden de “dingen” uit de eerste strofe hier misschien aan iets of iemand toegerekend, bijvoorbeeld de vogel aan de lucht, of opgeëist door iets of iemand, bijvoorbeeld de plant door de grond? Moet er ergens iets uitgesproken worden? Mmm. Is er wellicht sprake van mogelijke handelingen die we met deze dingen kunnen verrichten?
Als je het zegt, gebeurt het al: we geven betekenis aan iets zoals de conventie ons oplegt: zeg vis en de manier waarop we in ons hoofd de vis in beeld brengen, verschijnt compleet mee. Het zit in ons (taal)systeem, zeggen we dan. Zeg vis in de context van het gedicht van Tsead Bruinja en bij mij verschijnt het complete gedicht van Van Ostaijen. Dat zit kennelijk in mijn (taal)systeem. Op dat laatste verschijnsel plakken we tegenwoordig het woord intertekstualiteit. Bij ieder woord dat we gebruiken resoneert de conventie, het geheel aan betekenissen dat een woord of een zin produceert, als het ware mee. Dat geldt ook voor een heel gedicht. Het gedicht van Van Ostaijen resoneert in het gedicht van Bruinja. Voor Jane in ieder geval.
Taal schept werkelijkheid, zou je misschien ook kunnen zeggen. Ook: taal schept de manier waarop wij orde brengen in de werkelijkheid om ons heen. In chaos kunnen we niet leven.
In de derde strofe is sprake van iemand die iets roept tegen iemand anders en ontstaat er opeens iets van een verhaal: iemand roept dat je iets moet terug nemen, en opnieuw moet opdelen. Tenminste als je je aangesproken voelt. Wie is die ‘je’?
En dan is de volgende strofe opeens in het meervoud, is er sprake van een ‘ons’, maar wie zijn hier aan het woord? De dingen soms uit strofe één, die willen dat je iets (hun indeling) opnieuw ter hand neemt? Die aangehaald willen worden? Als een kat? Of geciteerd?
En dan dat sterretje, is dat ook een strofe? Een rust soms? Of is het een asterisk en duidt het op een verwijzing, of wordt er iets weggelaten en mogen we zelf bedenken wat?
In elk geval lijken de laatste twee regels over de sluizen open zetten (let op dat er een spreekwoord meezingt) ons tot voorzichtigheid te manen.

Hoe dan ook, ik lees ik dit gedicht als het leven zelf, vanaf het begin, de geboorte, tot en met het eind, de dood “tot in den eeuwigheid” (en daar duikt het onze vader al op). Via geel, blauw, groen, zwart, via de lucht, de plant, de vogel, de vis, de grond en de tijd.


http://ooteoote.nl/category/eerste-indrukken/


Kapstok
Tsead Bruinja
Uitgeverij Stichting Algemiene Fryske Underrjocht Kommisje AfÛK
ISBN 9789492176738
Dit gedicht is onderdeel van de afdeling Voorlopig land uit de bundel. De hele (tweetalige) tekst van deze afdeling is te lezen op de website van Lân fan taal.
Lees ook de recensie van de bundel op Tzum.

zondag 27 mei 2018

Tsead Bruinja - Kapstok



Engagement: warme sjaal aan kapstok, het overbelaste knaapje

De sjaal hangt speels aan een knaapje en staat afgebeeld op het titelblad van de eerste afdeling ‘in de kou een vriend vinden’ van deze zowel Fries- als Nederlandstalige bundel.

De eerste reeks is lange opsomming van disticha en terzinen met regels als: ‘in het huis van een ander wonen’, ‘de huid willen verlaten’, ‘van grond afscheid nemen’. Het lijkt te gaan om een proces van loslaten dat met gewond raken gepaard gaat en dat zich net zo lang herhaalt tot je ‘in je eigen wond [kunt] wonen’.

In de tweede het indrukwekkende in memoriam voor de in 1942 in Dachau vermoordde Friese pater Titus Brandsma oftewel Anno Sjoerd Brandsma - Bruinja draagt deze reeks aan hem op-: ‘ze schopten anno sjoerd en ze schopten titus’. (Er zijn geen leestekens en geen hoofdletters bij Bruinja).

De derde heet ‘wisseltong’ (het omzetten van een spoorwissel) dat filosofeert over soorten gelijk van de wereld, waarbij de tijd de kroon spant.

In de tweede afdeling ‘hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok’ lees ik regels als: ‘ik vergroei met de stoel/waarover ik uitloop’ (opgeblazen en uitgevouwen), is er sprake van een machinist ‘die als een pas geschoten haas/achter in mijn mond/moest besterven (ren), en, in het laatste gedicht van de reeks, van:‘ riep de leegte op/die ik toesprak’. Er lijkt een relatie geëvalueerd te worden, was de kapstok te vol?

‘Voorlopig land’, de derde reeks in deze bundel, werd ook als videokunstwerk gemaakt samen met Herman van Veen en beeldend kunstenaar Jules van Hulst. Het kunstwerk werd afgelopen voorjaar geprojecteerd op de kerk de Oldehove in Leeuwarden.


‘Zwanendrifter’ lijkt te gaan over het houden van zwanen, een omstreden tak van sport in de veehouderij. Er zijn slachtoffers, er wordt een dier (een zwaan?) of iemand gevild: ‘van kruin tot kruis /door mijn tere huid getrokken’ (verlichting), ‘en zo zeggen wij dank/voor de sterke benen die je ons gaf/en de weke nek’ (volksheld).

Lijkt, schrijf ik steeds, dat komt omdat ik er niet altijd zeker van ben. Bruinja schrijft vaak mooie, duidelijke regels, maar laat de lezer, in elk geval deze lezer, wat het verband ertussen betreft regelmatig in de steek. Aan de andere kant, opper ik voorzichtig, kun je deze gedichten ook zien als uitgestalde tekens, letters en woorden op een pagina, verwijzend niet uitsluitend naar vastliggende maar ook naar mogelijke betekenissen. Te lezen als een abstract schilderij. De delen van het gedicht breng je als lezer zelf in (nieuw) betekenisverband, je bouwt het gedicht als het ware (opnieuw) op.



Wij komen uit zee


Ik wilde een kind

Maar mijn man was van plastic

Ik wilde een triomf


Prachtig komen deze gedichten overigens uit als je Soundcloud-opnamen van ze beluistert. Bruinja heeft een gelijkmatige ritmiek, vleiend, veroverend, strak, geen gekke accentdingetjes of hinderlijke spraakafwijkinkjes, ook geen geslis of geslik. Bruinja is, kortom, een goede performer. Hij schrijft nu al zo’n twintig jaar de éne bundel na de andere, treedt op in binnen- en buitenland en vergeet zijn roots in het Fries/Groningse niet. Als dichter Anneke Claus in haar gedicht ‘Veen, geen’ schrijft ‘Wie zet het Noorden nu weer/op de kaart’ kunnen we zeker ook aan Tsead denken.


Jane Leusink

Tsead Bruinja – Kapstok 2018. Afûk, Ljouwert. 107 blz. € 18,50