vrijdag 10 februari 2017

Recensie Ester Naomi Perquin (nieuwe Dichteres des Vaderlands) - Meervoudig afwezig


Opgeruimde fietsenschuurtjes of onze piepende zielen in het hoge nest
Allereerst iets zeggen over onze nieuwe Dichter des Vaderlands Ester Naomi Perquin. Een dag na haar benoeming kwam ze al met het gedicht ‘Korte cursus’, waarin ze ons aanspoort net zo lang te blijven proberen tot we een zin te pakken hebben ‘die zich in je zeggen bleef.’ Ze wil schrijven over wat mensen raakt ‘rampen en verkiezingen voor zover die twee niet samenvallen.’ Ze zal een uitstekende dichteres van het vaderland worden. Laten we haar toch dichteres noemen.
In Meervoudig afwezig is ‘Aard’ niet alleen een heftig, maar ook eerlijk gedicht. Blij zijn met opgeruimde fietsenschuurtjes, het is ‘oppervlaktewater, leegte’. En dat allemaal:
Vanwege onze angst voor het geluk, onze ongemakkelijkheid
bij de terminologie. Onze minachting voor wie stralend
door het leven, elektrische hobby’s heeft,
[…]
onze obsessie met de feiten. Vanwege onze piepende zielen
in het hoge nest, kaal nog, onze neiging tot schuld
en zelfverwijten. Onze hemelwaarts gerichte ogen,
verpest door gemis, verpest door niet-aflatend staren
naar wat op geluk lijkt. Vanwege het geluk
dat het geluk volstrekt niet is.
Het is geen gemakkelijk universum dat Perquin ons voorschotelt. Taal schept werkelijkheid en het is maar net waar je de accenten legt, met welk point of view je kijkt, maar soms doet ze me denken aan een baron van Münchhausen: ze trekt zichzelf en het paard aan de haren uit het moeras. De haren zijn dan de ijzersterke (soms zelfs ietwat flauwe) humor waarmee ze het leven dapper te lijf gaat, overigens in eendrachtige samenwerking met de taal.
Ze is meer persoonlijk aanwezig in deze bundel dan in bijvoorbeeld Servetten halfstok en Celinspecties, vertelde ze in VPRO-boeken (15-1-2017). Dat is lef hebben voor een dichteres die erom bekend staat afstand te kunnen scheppen. Maar ze is er toch in geslaagd op een als het ware onpersoonlijke manier persoonlijk te schrijven, we hoeven niet bang te zijn voor het ongemakkelijke. De uiteenlopende en altijd huiselijke motieven van ‘ De delen’: wandeling, scheiding, therapie, doos, echtpaar, kind worden in ‘Het totale’ betekenisvol verbonden aan grote thema’s: schepping, God, vader, dood. Ze zijn alle ondergebracht in effectief rijmende verzen, vol assonantie en eindrijm. Zeer eigentijdse signaalwoorden vond ik grens, angst, eenzaam, oorlog, feiten, toekomst, vreemdelingen, dood.
Aan de titel Meervoudig afwezig ligt een anekdote ten grondslag, vertelde Perquin in hetzelfde tv-programma. In de dierentuin hoorde ze een meisje in een buggy roepen: kijk mam, olifanten. De moeder bevond zich echter via haar mobieltje zó op haar werk (waar van alles kwijt was) dat ze eigenlijk op beide plekken níet aanwezig was, bedacht Perquin in een vlaag van luciditeit.
Perfect sluit die aan op het gedicht: ‘Onze professor legde het nog één keer uit’, dat als Voorwoord van de bundel dient. De aard van onze afwezigheid valt immers niet waar te nemen, die is afhankelijk van ons verdwijnen, heet het in dat breinbrekerige gedicht. Waar nog bijkomt, voegt de professor eraan toe, dat dat ook geldt voor wat blijft, ook dat is (en zijn wij) vaak maar halfslachtige aanwezig. Zie de moeder hierboven, die je eigenlijk maar al te graag Jan Eijkelbooms Wat blijft komt niet terug ter lezing zou willen aanbevelen. Evenals de studenten die het eind van het college niet afwachten, maar alvast beginnen hun spullen in te pakken en hun mobieltjes aan te zetten. En alleen de verteller van het gedicht hoort de professor nog zeggen dat je juist in de delen het best het totale kunt zien:
Een olifant,’ zei hij nog zacht, ‘lijkt pas de olifant die hij
daadwerkelijk is wanneer u
wegens kijken door een sleutelgat
een groot deel van hem mist.
In het verrassende ‘Housekeeping’ komt de ‘ik’ terug in haar hotelkamer en merkt dat het gedicht waar ze die nacht aan begonnen was ‘[lag] afgemaakt/op de glazen tafel naast het bed//en in een mij onbekend handschrift waren de woorden gevonden/voor de naamloze leegte waarin ik nooit durfde blijven,/waaromheen ik grappend had bewogen, als iemand/die zijn eigen rustplaats meent te zien.// Het was beter dan wat ik ooit had kunnen schrijven, […]’. Het drama van het zichzelf bewuste ik verdwijnt achter de grap die ze maakt.
Mooie waarnemingskantelingen, een subtiel spel met de plaatsing van zinsdelen, zien we in ‘Nabeeld’, ‘Wij zijn er al’ en in het ontroerende ‘Een goede voorbereiding’. In ‘Conversatie’, treft me het humoristische gesprek met God. Als de ik in het gedicht zegt dat God er tóch niet is, zegt hij:
[…] ‘Nou en? Gratis dicteer ik
dit gedicht,’ zegt hij. ‘Probeer het zelf
maar te verpesten.’
Ook God kijkt volgens Perquin graag naar betere omstandigheden:
Naar één zuiver idee als dit. Een huis
met een trap naar de zee.
Zo maakt Ester Naomi Perquin haar universum voor ons toch meer dan draaglijk.
Jane Leusink
Ester Naomi Perquin – Meervoudig afwezig. Van Oorschot, Amsterdam. 37 blz. € 16,98.

http://www.tzum.info/2017/02/recensie-ester-naomi-perquin-meervoudig-afwezig/

woensdag 18 januari 2017

Interview in literair tijdschrift Liter

In de winterLiter, de laatste van 2016, een fijn interview met Mart van der Hiele en Menno van der Beek, collega-dichters. Het omslag is natuurlijk van de hand van Steven van der Gaauw die in 2003 ook Mos en gladde paadjes en in 2005 Erato zo schitterend voor zijn rekening nam.
Wanneer ik ben gaan schrijven, vroegen ze als eerste. Bijna iedereen vraagt zich dat af bij zo'n laat gedebuteerde. Dus: allereerst toen ik uit het ouderlijk huis vertrok en een jaar lang als leerling-verpleegkundige werkte in wat toen nog het Diakonessenziekenhuis van Nijmegen was. Inderdaad, je moest zwarte nylons aan met een naad van achteren, zwarte schoenen, een kap op je hoofd en een uniform met wit schort tot over je knieën. Je sliep in de Til, de verpleegstersbarak. Aan de wanden van mijn kamertje had ik gedichten opgehangen, ik herinner me 'Het stenen kindje' van Nijhoff, en reproducties van schilderijen, een portret door Velasquez. Van Vasalis leerde ik 'De clown' uit mijn hoofd. Ik schreef voor het eerst ook zelf, maar dacht dat ik eigenlijk meer een lezer was. Op de afdeling joeg een klassiek strenge hoofdzuster achter je aan. Ik voelde me ongelukkig. Ik wist niets van studeren, dat kwam in ons milieu niet voor, je ging naar kantoor en als je koppig was ging je de verpleging in. Ik was koppig, zo koppig dat ik het Nijmeegse  diaconessenhuis koos in plaats van het Arnhemse, wat niet zo voor de hand lag omdat we in Nijmegen niemand kenden. Nijmegen, dat was aan de overkant, over de grote rivieren.
Toen ik eens, op een vroege dienstochtend, meer naar de afdeling strompelde dan liep, wist ik zeker dat ik die nacht mank was geworden. Op de afdeling, chirurgie, paniekerig in het kille neonlicht, zag ik pas de twee verschillende schoenen die ik in alle vroegte had aangetrokken, eentje met een platte en eentje met een hoge hak, een zwarte en een bruine schoen. Aangezien ik toch al maanden verscheurd werd tussen hier, daar, veraf, dichtbij, eeuwige liefde of niet, besloot ik ter plekke dat het welletjes was, een baan in de verpleging was niets voor mij. Bij het afscheid na het eerste jaar, zei dezelfde zuster dat er uit mij nog een goede hoofdzuster had kunnen groeien.
Dat was 1968.
Later, na de studie Nederlandse taal- en letterkunde, toen er al een soort carrière dreigde bij een Amsterdams lyceum en ik die ik gemakkelijk bleek te kunnen afbreken en inruilen voor een dorp op het weidse Groninger Hogeland, een gezin met kinderen en een oude, zowat van de grond af aan op te knappen kop-hals-rompboerderij met aan te leggen tuin en groentetuin, kippen en konijnen. Boven dat alles altijd die luchten. Het schrijven vond voornamelijk in het hoofd plaats. Soms zei ik dat ik alleen nog maar boodschappenlijstjes schreef.
Dat was 1979.
Achter de boerderij, vroeger de bakkerij van het dorp, stond de molen, naast de molen het pakhuis. In het pakhuis woonde een vriendin, ook uit Amsterdam, ook van het Instituut voor Neerlandistiek. In de schuur van de boerderijromp bevond zich nog de brede, metersdiepe bakkersoven, waarboven zich de rijskamer bevond. De keuken bouwden we om de oven heen, in de winter stookte je daar complete bomen in en werd de tussenmuur naar de badkamer warm. Ik denk vaak dat ik in dat kleine dorp waar onze kinderen geboren werden de gelukkigste tijd van mijn leven heb doorgebracht.
Maar er moest wel een rijbewijs gehaald worden, want hoe je het ook wendde of keerde, dat was wel de eerste stap die je moest zetten als je jezelf weer uit dat van alles en iedereen, ja ook god, het was een rood arbeidersdorp, verlaten gehucht wilde graven. Ik schreef voornamelijk dagboekachtige aantekeningen en 's avonds de mooiste college-dictaten, ik was kunstgeschiedenis aan de RUG gaan studeren.
Dat was 1984.
En kort daarop in 1985, toen zowel mijn vader als de vriendin van het pakhuis beiden binnen een jaar tijd overleden. Ik schreef gedichten op de met volle boekenkasten behangen bovenverdieping van het pakhuis van de vriendin, zolang dat tenminste niet verkocht was.
De voettocht, zeg maar gerust pelgrimage, ondernam ik in 1998, naar Santiago de Compostela.  Ja, ook toen ben ik wederom serieus gaan schrijven.

vrijdag 9 december 2016

Ilja Pfeijffers 1000 en enige gedichten

Toen wij een waarachtige amazone ontmoetten
Ja, zegt B op haar zangeressentoon, zeg het maar Jane, en toen kwam er iets wat ik bijna niet kon verstaan, maar wat ik toch nog net dacht op te pikken. Je zei nog iets, zeg ik, zei je Laura of wat zei je? Ja dat zei ik, zegt ze, het is haar verjaardag 7 december, Laura’s verjaardag. Ik roep door de telefoon: weet je waarvoor ik bel? Laura’s gedicht staat in de Pfeijffer-bundel. Ik kijk er net naar en bel je dus. O wat hou ik van het toeval, wat is het niets ontziend, wat smaakt het, wat reikt het voorbij het verste vergezicht. Hoe het je toevalt. Ik heb het al zo lang niet meer gelezen, maar wat vind ik het goed, veel beter dan in mijn herinnering was blijven hangen. B en ik beginnen hard tegen elkaar te roepen dat het bizar is, Laura's verjaardag, haar gedicht waarvan B zegt dat ze het nog zeker twee keer per maand leest en hoe ik het geschreven heb, toen, jaren geleden, toen ze nog in Usquert woonde en ik onverwacht kwam eten en zij mij in haar leeskamer zette, want ze kon geen pottenkijkers gebruiken bij het koken. Het was de kamer met de schoorsteen die later na de aardbevingen diezelfde kamer onbewoonbaar maakte. Maar die middag zat ik op de bank en bladerde door de boeken en mijn oog viel op de foto van dat blonde meisje, ik werd gegrepen door het absoluut vrije, het absoluut onbezorgde van dat kind galopperend op haar paard door een uitgestrekte wei, haar haren in de wind.Toen B me later ophaalde want het eten was klaar, vertelde ze dat is Laura. Laura, mijn jongste dochter, ze leeft niet meer, er was een ongeluk, later. Ik kwam die avond niet meer over de schok heen, het vrije zó in de dood geklonken. Ik schreef het later op en het werd Toen wij een waarachtige amazone ontmoetten. B en ik lachen, het is nu 2016, hoeveel jaar is Laura nu al dood, is het twintig, vijfentwintig? Ze was veertien toen. Veertien en B die schreef : maar als je zoveel armen om elkaar hebt meegemaakt, als alles altijd is zoals het zeer doet, ben je qua vorm dan waar? Het gedicht dat ze naderhand zelf schreef en waaruit ik deze regels leende voor het mijne, het heeft zich in mijn ziel, mijn poriën, mijn leidingwerk vastgezet. We lachen, lachen hard van blijheid, om Laura, de pijn, het gedicht, die rare bundel waarin Laura nu voor de eeuwigheid verder leeft. (Tot alles goed strak staat-2011)

woensdag 16 november 2016

Levende dichteressen



De dichter Remco Ekkers geeft momenteel aan de Groningse Seniorenacademie een college waarin hij het door hem geconstateerde opmerkelijke verschijnsel bespreekt van de explosieve toename -in de laatste decennia- van het aantal vrouwelijke dichteressen in Nederland.
Dat laatste is ruim. Als je de lijst van de door hem besproken dichteressen langs loopt zie je dat de jongsten al in 1968 geboren werden. Maar Ekkers zal zijn constatering wellicht bevestigd zien als hij de nominaties ziet voor de VSB-poezieprijs 2016. Drie betrekkelijk jonge dichteressen, van wie er een begin twintig is. Twee mannen. Je vraagt je af hoe het in het buitenland is.
Ruth Lasters, Nachoem Wijnberg, Rodaan Al Galidi, Delphine Lecompte en Hannah van Binsbergen


Programma
  • Judith Herzberg (1934): 'Mijn gedichten komen voort uit mijn poging twee dingen, die op het eerste gezicht geen verband lijken te hebben met elkaar, toch te rijmen.
  • Neeltje Maria Min (1944). In 1964 verschenen drie gedichten van haar in De Gids, twee jaar later gevolgd door enkele gedichten in Maatstaf. Haar eerste bundel was 'Voor wie ik liefheb wil ik heten', dat in 1966 in een oplage van 7000 exemplaren verscheen. De bundel wordt nog steeds herdrukt.
  • Jane Leusink (1949) ontving in 2003 de C. Buddingh'-prijs voor haar dichtbundel 'Mos en gladde paadjes'. Haar meest recente, vijfde, bundel is 'Een grazende streep in de lucht' (2015)
  • Elma van Haren (1954) studeerde aan de kunstacademie te 's-Hertogenbosch. In 1988 verscheen haar debuutbundel 'De reis naar het welkom geheten', waarvoor ze de C. Buddingh'-prijs ontving. Haar meest recente bundel is' Flitsleemte' (2009)
  • Liesbeth Lagemaat (1962) studeerde Nederlands en Taal- en Literatuurwetenscap. Haar debuut was 'Een grimwoud in mijn keel'(2005) waarvoor zij de C.Buddingh'-prijs kreeg. Haar meest recente bundel is 'Nachtopera' (2015)
  • Hedwig Selles(1968) publiceerde 'IJzerbijt', 'Schadenfreude', en onlangs 'Wie hier binnentreedt', gepresenteerd door Piet Gerbrandy.
  • Sasja Janssen (1968) debuteerde in 1999 met een novelle. Vanaf 2006 schrijft zij voornamelijk gedichten, gebundeld in het in 2007 verschenen debuut 'Papaver'. Haar derde bundel 'Ik trek mijn species aan' werd genomineerd voor de VSB poëzieprijs 2015.
http://www.hovoseniorenacademie.nl/index.php?id=94&tx_seminars_pi1%5BshowUid%5D=593
http://us14.campaign-archive2.com/?u=ec2207c0443f86105897c170a&id=851d292298&e=[UNIQID]


vrijdag 14 oktober 2016

Poëzietip



Bedankt voor de mooie opname, ik maak van je optreden met je gedicht in OBA  morgen in Podium op Zaterdag een poëzietip, schrijft Frans van Gurp in het e-mailbericht vanmorgen. Podium op Zaterdag is het radio 4 programma op zaterdag 15 oktober vanaf 18:30.
Zondag 16 oktober lees ik dan voor in het programma Poëzie op Zondag van dichter Ineke Holzhaus in de OBA om 16:00 uur Vestdijkzaal. Luister en kom allen. Ik ben jullie eeuwig dankbaar!



woensdag 5 oktober 2016

Opening tentoonstelling Verkuno in de fotostudio van Alfred Oosterman (Peize)

Kwam mezelf ook tegen bij #Alfred #Oosterman in Peize. Volle bak daar in de fotostudio. Daarna door de Onlanden (what's in a name: enge kastelen, Dracula en Bram Stoker misschien?) terug naar Stad via het Stadspark. Maar 's morgens door nevels en witte wieven al heen gefietst waarbij ook een ontmoeting met tien(!) fazanten, een valkje en een buizerd op een paaltje

foto van Jane Leusink.


Kwam mezelf ook tegen bij #Alfred #Oosterman in Peize. Volle bak daar in de fotostudio. Daarna door de Onlanden (what's in a name: enge kastelen, Dracula en Bram Stoker misschien?) terug naar Stad via het Stadspark. Maar 's morgens door nevels en witte wieven al heen gefietst waarbij ook een ontmoeting met tien(!) fazanten, een valkje en een buizerd op een paaltje

foto van Jane Leusink.
foto van Jane Leusink.
foto van Jane Leusink.

Poëzie op zondag in de OBA 16 oktober

Zondag 16 oktober - Poëzie op Zondag 
met Jane Leusink

Ook dit najaar komen er bijzondere dichters naar de OBA. Ze lezen voor uit hun werk en praten met Ineke Holzhaus aan de hand van één gedicht. Zo’n kort gesprek blijkt een goede start voor het luisteren naar hun werk.. Zo wordt poëzie toegankelijker. Ineke Holzhaus leest gedichten uit de wereldliteratuur die niet vergeten mogen worden

Zondag 16 oktober - Jane Leusink
Voor haar laatste bundel Een grazende streep in de lucht, kreeg Jane Leusink opnieuw lovende besprekingen, zoals steeds sinds haar debuut; Mos en gladde paadjes in 2003, waarvoor ze de C. Buddinghprijs ontving. In haar laatste bundel zoekt ze de grenzen van de poëzie op in lange, soms verhalende gedichtenreeksen.
Ineke Holzhaus leest gedichten van Rutger Kopland.

Kaarten zijn verkrijgbaar aan de balie in de entreehal of via http://www.oba.nl/activiteit.leusink.html
Met OBA-pas en voor ANBO leden € 3,75 / anderen € 7,50 (incl.koffie/thee).