zondag 15 maart 2020

Corona 2020, cholera 1872: Gras (in: Een grazende streep in de lucht, gedichten) Een hart onder onze riem


                        

                                         Harro Nikkels(2011,tentoonstelling Fransum)

                     naar Francisco de Zurbarán(1635-40, Prado)


                     Gras                                                                                                                                

                                                                          Jeder stirbt für sich allein

 De negentiende eeuw is de eeuw die geteisterd wordt door
besmettelijke ziekten: cholera, pokken, tyfus, tbc.
Het is nu 1872, zes jaar nadat Nederland is getroffen
door alweer een cholera- epidemie. Ze hebben een wet
gemaakt waarin staat dat bij iedere begraafplaats
een lokaal moet komen voor de tijdelijke bewaring
van overledenen aan zo’n gevaarlijke ziekte.

We gaan terug naar 1856, oktober. In de gemeente 
Leens overlijden vijf mensen aan cholera, vrijwel 
een compleet gezin, ze kregen van de ene dag op de andere 
een blauwige gelaatskleur, uitpuilende ogen, hevige 
diarree en braakstuipen. 
Op 15 oktober overlijdt de moeder, 
Frouwke van der Veen-Beukema, 40 jaar, op 16 oktober 
overlijdt Albertje, haar zoontje van 1 jaar en 10 maanden
haar andere zoon, ook een Albert, overlijdt op 19 oktober, 
hij is 5 jaar, dochter Rijpke van 11 overlijdt op 21 oktober.

Het is weer 1872, augustus en druk op het land. De oogst is
in volle gang. Het college van kerkvoogden van
de Hervormde kerk in Zuurdijk vraagt in een brief
aan de gemeenteraad van Leens eerbiedig om honderd
gulden subsidie voor het bouwen van een lijkenhuisje.
Hoe was de stemming?
                                 
Vandaag is het 30 oktober 1874. De kerkenraad, de notabelen
en de stembevoegde leden besluiten een nieuwe begraafplaats
aan de noordkant van de kerk aan te leggen op een stuk
groenlands behorende tot de Kosterij voor 65 gulden huur
per jaar. Met dertien tegen één stem besluiten ze ook
de grond een halve meter op te hogen.
Het is al laat in de avond als de heren met een korte
handdruk uiteen gaan, er zit regen in de lucht.

De dorpsbewoners monkelen: onze doden moeten 
het wachten verslaan opdat wij ze naderhand baren 
als in het leven. Ondertussen moeten wij hun zielen 
open zetten en laten luchten.
Het is een kwestie van de strijd aangaan,
van vastklemmen naar loslaten, van baren
naar fatsoenlijk opbaren, dan overgaan
in een waterige glimlach.
Hoe lang gaan deze werkzaamheden duren?
Praten we over maanden of jaren?

November 1876, slachtmaand. Op het nieuwe kerkhof staat 
in een uithoek een eenvoudig lijkenhuisje, vier muren, 
een zadeldak. Het vormt een groot contrast met de rijk 
versierde grafmonumenten die soms uit dezelfde tijd 
stammen. Ze hebben bomen rondom geplant:
opdat het koel zal zijn in het huisje, een ruimte
waar de doden goed kunnen wennen
aan hun dood zijn.

Lentemaand  2012, vanmorgen begon ik aan een gedicht 
over Trijntje Rosema -dochtertje van Hindrik Rosema, 
marskramer, oliekoekenbakker schipper en Martha Kalkhuis, 
zusje van de bijna tweejarige Hindrik Willem- die stierf 
toen ze zestien weken oud was ’s nachts om 5 uur.

Die stierf in het dorp waar ze net een nieuw kerkhof met een 
lijkenhuisje hadden. Toeval bestaat, dacht ik. Hindrik kwam 
uit Stad, was hij op doortocht? Ik zat achter mijn pc, dook 
virtueel de Groninger archieven in en bekeek Trijntjes 
overlijdensakte en de aantekening: “Dit is de eerste 
die op het Nieuwe kerkhof begraven is”.

De zondag erna bracht ik een bezoek aan het kleine kerkhof
en het nu vervallen lijkenhuisje. De zon scheen maar het gras was
nog zompig. Hier in dit huisje hebben Hindrik en Martha
Trijntje opgebaard, de timmerman van het dorp heeft 
een kinderkistje getimmerd en het houten paaltje uitgezocht
               
voor op het grafje, de doodgraver heeft gratis het gat gegraven.
Martha heeft Trijntje liefdevol in haar kistje gelegd. Hindrik heeft
het kistje voorzichtig in het grafje getild. Al die handen wisten 
de weg. Ik dacht: ligt ze hier of hier.

Hindrik en Martha praatten samen over de nacht 
van Trijntjes geboorte, het was april, grasmaand, 
het was bij drieën. Over hoe ze naar elkaar knikten, 
praatten ze, opgetogen lachten een beetje geschrokken 
misschien, ze was zo compleet.

Ik leun met mijn ellebogen op de tafel, kin in mijn handen
blaas kruimels uit het toetsenbord van mijn pc. Mijn dochter
in Frankrijk stuurt filmpjes van haar dochter, mijn kleindochter
die nu vier maanden oud is.

Ik zag dat ze al kon lachen en het grijpen begon te leren.
Ik dacht aan Trijntje die nu nog altijd vier maanden oud is.
Ik dacht aan de handen die Trijntje wasten en mooi aankleedden.
Ik zat de hele dag aan mijn tafel te wachten op dit gedicht.
Het gedicht heet: Trijntje Rosema, 11 april 1877 - 7 augustus 1877.


Het is 13 december 2009. Voor wie geen steen, voor wie geen 
houten kruis,want hout is vluchtig als een vlinder, is op het kerkhof 
van Zuurdijk een stenen monumentje opgericht. Geen Joapke die 
nog huilen hoeft omdat hij niet weet waar zien voai en moui 
begraven liggen.

In Armhoes Joapke komen alle arme doden samen. Alle Joapkes
vinden in hem hun standplaats, hun hemels graf in willig gras.
Wij kijken naar het gras. Ook al zijn wij niet overtuigd van de hemel
zijn grote zeggingskracht en vormkracht staan ons bij.
Wij houden van onze doden die daar aan de noordkant
van de toren niet zien hoe laat het is, wij willen rouwherstel
een veilige opbergplek voor hun geheimen.

Tineke, 94 jaar oud, dochter van meester van Weerden,                 
de meester die het beroemde boekje Zuurdiek mien Dörpke 
schreef weet in 2012 niet van opbaren in het lijkenhuisje.
Haar herinnering gaat tot het trapje waarop ze door 
het raampje stond te gluren naar de lijkkar die gemaakt was 
door de vader van Job Munting, naar de kruiwagen, 
het gereedschap in wat toen het opbergschuurtje was. 
Het was zo'n hoek waar kinderen niet durfden komen. 
Ze speelden liever op het oude kerkhof.
Het was 1925.

2011. Het lijkenhuisje verkeert in slechte staat van onderhoud
dat geldt niet alleen voor het pannendak, maar ook
de muren vertonen scheuren en houtwerk van raam-
en deurkozijn is aan vervanging toe. Het is zonde
dat het in zo’n vervallen staat verkeert. Er bestaan plannen
het huisje aan te pakken. Ze noemen het in Zuurdijk nu
baarhuisje.

Het is nu 15 april 2012, wederom grasmaand,
het is drie dagen en honderdvijfendertig jaar
na de geboorte van Trijntje. Honderdzesenvijftig jaar
na de dood van Frouwke, Albertje, Albert en Rijpke.
Met de opbrengst van een benefietconcert willen de bewoners
van Zuurdijk de restauratie van het baarhuisje bekostigen.

Wij denken aan onze doden opdat zij geen twee keer sterven.
Denken is een kunst die je door oefening kunt bereiken.
Herhaal deze oefening dagelijks, ten minste drie jaar lang,
ga de rijen langs, neem eten en drinken mee, geef het
door aan je zonen, je dochters opdat zij het
hún zonen, hún dochters en die-

In: Een grazende streep in de lucht, Groningen 2015, Uitgeverij kleine Uil
©Jane Leusink

zaterdag 25 januari 2020

Hond Pia 28 januari 2003 - 24 januari 2020.


Hond, mijn geliefde Hond is op vier dagen na zeventien jaar geworden. Ze had haar leven helemaal gelopen, op het laatst toch wel behoorlijk krakkemikkig.
In 2005 kwam ze, bordercollie, driekleur, naar Nederland, regelrecht uit de Pyreneeën waar dochter Roos haar had getraind tot schaapshond. Ik denk dat Pia (ja, zo heet ze) maar naar Nederland moet, zei Roos. Dat was een enorm groot cadeau.
Het was trouwens nog niet zo gemakkelijk haar hier te laten wennen. Een van de grootste avonturen beleefde we op het station van Zwolle in 2012. Het is een van de spannendste avonturen geweest die we samen hebben meegemaakt.
Ik zal Hond erg missen, ik weet nog niet wat ik met de zeeën van tijd ga doen die ik nu tot mijn beschikking heb gekregen. Voorlopig maar wennen aan het lege. Hier is het avontuur.
Hond en trein en Bel ami.
Teneinde in Groningen te geraken moesten we in Zwolle overstappen en bij het uitvoeren van deze handeling (handeling?) belandde Hond in plaats van op het perron precies tussen trein en perron in. Alleen haar voorpoten haalden het, lijf en achterpoten zag ik in de vertraging het gevecht met de zwaartekracht verliezen. Vanuit de trein keek ik ongelovig toe. Gebeurde dit? Het volgende moment zag ik Hond heen en weer springen op de kiezels naast de rails. Het zag er daar donker uit, diep ook. Ik verliet zo snel mogelijk de trein. Op het perron boog ik me voorover, aanschouwde in de diepte veel grillig ijzerwerk en voelde de benen meteen slappig, het bloed meteen verdwijnen en iets misselijks zich in de maagstreek roeren. Hond keek naar me op en maakte een paar sprongen naar links en een paar naar rechts. De diepte leek zich nog te verdiepen, waardoor Hond kleiner leek. Ik riep, ze sprong tegen de perronmuur op, ik hoorde nagels krassen. Te hoog. Toen verdween ze met twee grote sprongen onder de trein door naar de andere kant. Ik zag haar niet meer. Ik zag alleen dat het daar licht was en dat je daar dan naar toe springt, logisch.Dit gebeurde echt. Ik sprong ook op. Om mij heen stroomden mensen de trein uit. Ik keek wild om mij heen, riep, wat riep ik? Een man keek terug en liep door. Veel mensen liepen door. Daar verscheen godzijdank de conducteur. Ja, ik heb het gezien. Hij glimlacht, hij ziet er jong, goed en vriendelijk uit. Ik leg even mijn hand op zijn arm, voel de koele, gladde stof van het conducteurspak en zak weer door mijn knieën.
Iets lijkt maar langzaam tot me door te dringen, dat het nu allemaal op mij aankomt. Nu, denk ik, nu moet het, voordat de trein vertrekt omdat de conducteur de machinist misschien niet op tijd kan waarschuwen. Of omdat conducteur door een andere ramp wordt afgeleid. Of omdat de machinist geen zin heeft om z’n tijdschema’s door zo’n hond in elkaar te laten donderen. Hond luistert in alle omstandigheden naar mijn stem. Ik buig me voorover, kijk onder de trein door en roep krachtig twee keer haar naam. De lieverd, ze verschijnt meteen, springt met twee elegante sprongen onder de trein door richting perron waar ze mij op mijn knieën aantreft. Tot twee keer toe voegt mijn stem daar: kom op, spring! aan toe en ze is al in de aanloop. Ze neemt een werkelijk grootse sprong en belandt met vier poten tegelijk tegen de gemetselde muur van het perron. Maar dat heb ik verwacht. Ik grijp haar met mijn linkerhand stevig in de nek, met mijn rechterhand pak ik haar razendsnel onder linker oksel en voorpoot, trek, nee til haar met alle macht en kracht die ik bezit omhoog. Ik voel het dunne bot van de poot. Hond helpt erg mee zich zo licht mogelijk te maken. Tergend langzaam bereiken we het perron en het is voorbij. Ik tril, zal maar zeggen als een espenblad, en aai Hond. Een aardige dame zegt hebt u geen riem bij u. Ja zeg ik natuurlijk. Ik hou haar wel even vast zegt ze dan kunt u de riem pakken. Uw hond is er heel rustig onder. Goh, wat is de dame aardig. Dank u wel, tril ik verder. Hond mag gaan nadenken over waarom ze die sprong nu opeens zo verkeerd heeft berekend, ze is tenslotte ervaren treinreizigster. En jij moet over uitstappen nadenken, spreek ik mezelf toe. Je doet haar juist dán nooit aan de lijn, zodat ze in alle vrijheid kan springen, zoals het haar het beste uitkomt. Maar nu gebeurde precies het tegenovergestelde. Misschien moet je in het vervolg zelf eerst uitstappen, Hond aan lijn, je omdraaien en spring! roepen en Hond een soort langzame zweefsprong laten uitvoeren. En te midden van al die opdringende reizigers onze poten stijf houden. Ik zie de conducteur nergens. Waar is de conducteur?
In de trein naar Groningen denk ik na over alle koekjes en appeltaartrestjes die mijn oude moeder en ik haar vanmiddag hebben toegeworpen op het terras van Oortjeshekken, het beroemde etablissement in de Ooypolder, vlak onder Nijmegen. Zouden die haar soms dwars hebben gezeten?
Later roept de conducteur ‘voor wie het interesseert’ dat het 1-0 staat in de wedstrijd Nederland-Portugal, weer later dat het 1-1 is geworden. Eerst juicht dan kreunt de trein. Ik pak gauw mijn e-reader, ga verder op p. 221 van ‘Bel ami’.

zondag 12 januari 2020

Out Stealing Horses



'Of ik zelf de held van mijn levensgeschiedenis ben of dat die plaats door iemand anders wordt ingenomen, zal uit deze bladzijden moeten blijken'.
De eerste regels van Dickens' David Copperfield jagen de dochter van Trond, een Copperfield voorlezende vader, in de film Out Stealing Horses angst aan.
Mij ook.
Out Stealing Horses is de verfilming van de internationaal succesvolle roman van Per Pettersen (in het Nederlands vertaald als Paarden stelen). Ik kwam gelukkigerwijs terecht in een van de bioscoopzalen van het Groninger Forum nadat ik vanmiddag vergeefs had aangeklopt en onverbiddelijk werd weggestuurd uit het literaire praatprogramma van Coen Peppelenbos en Roos Custers in het Grand. Klokslag 15:00 aanwezig en toch. Te vol, overvol, overloaded. Dus afgetaaid naar het Forum.

De film waarin de indrukwekkende Noorse natuur en de stilte een grote rol spelen riep ook herinneringen op aan vakanties in Noorwegen, de dochters die er met hun vader naar toe reisden en vooral, omdat het 12 januari was, de herinnering aan die ene dochter die ons nu tien maanden geleden voorgoed verliet. We bepalen zelf wat ons pijn doet, zegt de vader tegen Trond als die vijftien is en hij trekt met zijn blote handen grote hoeveelheden brandnetels uit de grond.








advertentie

maandag 9 december 2019

In de gezondheidszorg

Eergisteren de laatste van twintig bestralingen na operatie van september. Nu wacht een nieuwe behandeling waarvan nog maar de vraag is hoe lang ik die zal blijven willen, de bijwerkingen zoals ze op het pillen begeleidende A-viertje worden vermeld zijn niet fijn. De therapie vergroot de kans dat ik over vijf jaar nog leef met slechts 3%, maar opgeteld bij de 71%  die ik tot nu toe heb veroverd leek het me de moeite waard. De 2% die men geeft met een chemotherapie erbij, ja die drinkbeker laat ik aan mij voorbijgaan. Er zijn mensen die zeggen hou toch op met die onzin, de kans dat je onder een auto of fiets loopt of van de trap afrolt en daarbij het leven laat is beduidend groter.
Het is een rare optelsom, ik geef het toe, alleen ingegeven door kwaadaardige cellen differentiatiegraad III. Met andere woorden, het is een weinig goeds voorspellend rommeltje, mijn kankercellen. Wat als er toch eentje aan de zwerf is gegaan?
Altijd prettig als ze je de waarheid durven zeggen. Ondertussen merk ik mijn bewondering voor degenen die het echte werk verrichten: hun vakkennis, inlevingsvermogen, engelengeduld, ervaring met lastige patiënten, vertrouwen, intelligente humor, concentratie. Superlatieven te over. Aparte vermelding verdient bovendien de sfeer in de operatiekamer. 
Naast verbijstering, onzekerheid, dankbaarheid is bewondering het gevoel dat ik de laatste vijf maanden opnieuw heb leren waarderen. Opnieuw doordat het voor het eerst in verband werd gebracht  met zoiets prozaïsch als de gezondheidszorg. En die gezondheidszorg, of liever de mensen die er werkzaam zijn, met zoiets prozaïsch als mijn lichaam. Over drie dagen is het negen maanden geleden dat dochter Roos ons verliet. In de jaren dat ze ziek was heb ik zo vaak gewenst haar ziekte te mogen overnemen. Dat werd mij niet vergund. Ik weet nu een beetje beter wat zij heeft meegemaakt, ook hoe een ziekenhuis een soort van tweede thuis kan worden.







Mijn herinneringen brachten mij terug naar de allereerste keer dat ik in een ziekenhuis verzeild raakt. Ik was twaalf en kreeg van het ene uur op het andere geweldige buikpijn, zelfs zo dat mijn ouders de huisarts alarmeerden, niks voor hen. Het was avond ik lag te krioelen van de pijn in mijn buik op mijn zolderkamertje, de huisarts verscheen constateerde een acuut ontstoken blindedarm en het volgende moment lag ik in het ziekenhuis, Ik werd geopereerd en de volgende dag kwam mijn moeder op bezoek met maar liefs twee nieuwe pyjama's. een ongehoorde luxe in een gezin waar voor dat soort dingen geen geld was. Ik heb er tien dagen gelegen, tien dagen van een geweldige warmte en lieve aanwezigheid van de zusters. Vooral van de hoofdzuster op wie ik verliefd was denk ik. Mijn heimwee was groot toen ik weer thuis was en ik ben regelmatig gestopt als ik langs het ziekenhuis fietste om naar de afdeling te kijken en te zoeken naar een blik op de hoofdzuster. Heimwee de verkeerde kant op, zoals ik dat later ben gaan noemen. Het overkwam me vaker.

zondag 13 oktober 2019

Gisteren, 12 oktober



Gisteren, 12 oktober, was het zeven maanden geleden dat dochter Roos haar strijd tegen de uitgezaaide kanker moest opgeven. Die strijd had drie jaar geduurd, haar totale ziekteperiode besloeg toen zeven jaar. Haar dochtertje was zeven maanden en nog aan de borst toen de diagnose viel. Roos heeft al die jaren haar ziekte met een ontroerend grote glimlach gedragen. Ze werkte met dieren en die kun je niet zomaar aan de kant zetten. Haar dochtertje leerde ze tekenen, zingen, twee talen, zwemmen als een vis en op het laatst ook nog skiën. Ze zag toen ook haar eigen kans schoon en met haar breekbare botten kwam ze de zwarte piste af. Lef.
Daarna kon ze niet meer.

Het was gisteren de laatste dag van de kinderboekenweek en ik las Haaientanden, het geschenk van Anna Woltz. Haaientanden brengen geluk staat er. Ik heb als kind zelf op het strand van Cadzand uren en dagen haaientanden gezocht. En soms ook gevonden. 
Ik weet niet of ze mij geluk hebben gebracht. 
Geluk brengen ze wel aan de elfjarige Atlanta, een voetbalmeisje dat in een dag, een nacht en weer een dag het IJsselmeer rond gaat fietsen omdat ze een daad wil stellen tegen de kanker die haar moeder bedreigt. Dat Atlanta uiteindelijk niet aan haar angsten ten onder gaat en een haast bovenmenselijke prestatie levert, komt ook doordat ze door de van huis weglopende Finley geholpen wordt. Hij fietst met haar mee en komt en passant met zijn eigen angsten en moeder in het reine. 
Alles stoere liefde en de kracht van magisch denken.
Het is een mooi en ontroerend boekje geworden

Zelf liep ik na het overlijden van mijn man in 2003 naar Santiago de Compostela. Ik vertrok met de Transhumance van 2004 vanaf de zomerweiden van de centrale Pyreneeën waar Roos haar schapen hoedde. Ze bracht me een eindje op weg naar het Spaanse Jaca, even voorbij de Col de Somport, de oversteek over de Pyreneeën van de Italianen die de camino lopen
Dat werd mijn pelgrimage, een rite de passage en een daad van rouw.
Tijdens de jaren van Roos' ziekte hebben magische denkprocessen mij trouwens ook in hun greep gehouden. Waarom zij die valse rotziekte moest krijgen, zo jong nog en zo gelukkig met haar kind, waarom ik niet. Ik, al een eind op weg naar de zeventig, met de mooiste en gelukkigste jaren van mijn leven allang achter mij. 
Ik vervloekte het opperwezen vooral 's nachts, als ik niet kon slapen.
Bizar, een slechte grap en een gotspe noem ik het dat ik zeven weken geleden zelf de diagnose kanker kreeg. Drie weken geleden werd ik geopereerd en  ben nu in afwachting van de radiotherapie die over drie dagen gaat beginnen. 
Het opperwezen wilde me maar een klein beetje mijn zin geven. Bijna niemand begrijpt dat . 

Op de pagina van de Nederlandse borstkankervereniging lees ik dat het vandaag Uitgezaaide borstkankerdag is - Metastatic Breast Cancer Day -. Onhandige naamgeving, lovenswaardige doel: aandacht. Maar soms gaat er iets te veel in een naam, delen laat ik dus achterwege. 
Ben je geïnteresseerd? Ga er zelf maar naar toe en lees.


woensdag 18 september 2019

Requiem I-VIII, gedichtenreeks over de waarachtige geschiedenis van mij met Ilja Cukier oftewel Eljie Meilach Wajnkranc en Gudes Bursztyn. In: Het liegend konijn 2019-1


Sporen revisited - I

Requiem
I
Was deze verlieslijdende koers nog weg te zetten?
Was het voetenwerk van mijn gedachten krachtig
genoeg? Er waren die ochtend geen redenen
om in een betere wereld te geloven, geen
reserves, zelfs de tulp was nog een tulp, mijn fancy
schoenen maatgetrouwe liefde, hoe moet ik zeggen?
Iemand fietste onder zijn regenwolk naar het station.
In de trein bladerde ik in een boek over de vergeten
Pools-Russische oorlog.

Las over hongersnood epidemieën uitroeiingen
over besprizorny, van ouders beroofden, over wie
Victor Alexandrov in zijn boek Adder onder de adders
mijn jeugd tijdens de Russische revolutie na afloop noteerde:
om in leven te blijven gingen Misjka en ik uit stelen.
Leonia en Moessia maakten het eten klaar. We waren
geheel verwilderd als wilde dieren verdacht op
ieder geluid uit het bos, het ruisen van de bladeren
het kraken van een tak. Hondsvot schobbejak rattenkop.
Ik dacht aan Russische lessen.

Daarna dacht ik omlijnd aan de onlangs onderweg
verloren stamboombouwer met veel spieren om verloren
woorden uit te graven als ze zich vermomd als data
in de kronieken vinden lieten.
Het residu van spijt om mijn lippen om mijn ogen
om mijn onscherp, koppig hoofd. Mijn bebrild,
koppig hoofd. Dit is mijn requiem voor hem.

II
Dit is mijn requiem voor hem. Iemand fietste
onder zijn regenwolk op weg naar het station. ’s Middags
was er die raadselachtige onvoorspelbare
onverwoestbare man aan mijn hoofd en handen
die stemde met zijn voeten, die schoenen droeg vol liefde
voor het materiaal, die zijn stad en land in lichter
laaie spoorslags had verlaten maar niet dan
nadat hij zich een nieuwe naam (klinkt als suikerzoete
lekkernij), bij een bekende patissier in W.
had aangeschaft, die reisde trager westwaarts door
de landen tot waar een zee hem koeltjes tegenstreefde
tot waar een mooiste vrouw hem in het Haagse Pools
wakker kuste, zo ook de zoon die ze daarop baarde.

Iemand fietste onder zijn regenwolk naar het station.
Weer vroeg ik me af hoe ik zonder ironie oprecht
kon zijn of ik twijfel en keuzestress uit kon vegen
zoals op school de bordenwisser het whiteboard deed.
Hoe het was om in zo’n land te leven. Voetje voor voetje?
Zodra ik aankwam op het laatste perron groeide
mijn grondeloze liefde voor heel zijn geringe nageslacht
tot bonkig thema met mij als klampige weduwe
met dat hart, doorboorde spier die zich maar
niet trainen liet.

III
Waarom het opgeschreven moest, dat vroeg
wat ooit zijn nieuwste (en laatste) liefde was decennia later.
Ze zei: je ziet het als je om je heen kijkt zie je het toch
de plek waar immigranten zich verbonden voelen. Bijvoorbeeld
aan het strand bij een zonsondergang. En toch altijd
elders zijn, bijvoorbeeld aan de overkant.
Het zijn in feite hopeloze hopers
die ook in de toekomst slechts herinneringen zien
en dat vooral de afgelopen nacht het spook van het vergeten
van de doden zich aandiende (zij zei daghengst). Dat.

Zijn wij Nederlanders door bloed of grond en zij
Russen die nu weer Polen zijn? Geen tsaren
geen Duitse of Oostenrijks-Hongaarse keizers meer
in het vizier. Wat doet het met je eigenwaarde, vroeg ze.
Ach ja, zijn Joods zijn was hij sowieso vergeten. Alleen
zijn trotse Stetson had ze bewaard op de standaard
op de gammele klerenkast in de achterkamer
van het Haagse kadehuis. Dat we hier op aarde
zijn, niet in het paradijs stond half vergaan met wit
krijt op de rood geverfde keukenwand geschreven.
Dit is mijn requiem voor haar.

IV
Tegen de avond in het stadsplantsoen schoot
het me weer te binnen. Na de takkenstorm
van gisteren lag op het winderige pad
nog een oranje zon plat tussen geschilferde
platanen. Ik dacht: plat als je sociale weefsel ligt.
De sneue woorden doemden rücksichtslos voor
mijn nooddruftige ogen op en zelfs mijn ouwe trouwe
hond zag nu in loslaten opeens het nieuwe
vasthouden (het sublieme).

Ik daarentegen framede het onvolmaakt
(kapotte spijkerbroeken, sloophoutenboekenkasten
onscherpe foto’s, kromme komkommers). Het ging, zag ik
om hergebruik van willekeurig gevallen regels
op een scherm. Wat ik had was taal van kleine woorden.
En gekheid om een berm vol geurig venkelkruid
dartelende vogelwikke en giftig bitterzoet
mee in te kleuren. Een kruidig buinen
waarachter zich een ondertussen drie, vier
etages ingedaald genealogisch vlechtwerk uitgesponnen had
ofwel een vergezicht tot aan de weidse overkanten
van de Atlantische Oceaan.
Getemd de data rekte het opgedolven, langer
dan een eeuw verstopte namenwoud zich haast
wellustig uit. Blijf altijd kloppen kloppen en zie.
Dit is mijn requiem voor hem.

V
Dit is mijn requiem voor hem.
De raadselachtig onverwoestbare
die eeuwig onvoorspelbare wakkere man
ontving nu als een steen door de postbus
de brief van zijn oudste zus uit Brooklyn N.Y.
Zij schreef: the knowledge that you are alive has been
like a tonic to me. Maar ben je wie je zegt te zijn?

Mijn naam is Eljie Mejlach Wajnkranc, geboren
2 October 1896. Ik ben de jongste
van ons gezin, bestaande uit 3 broers en 4
zussen, zijnde Jankof Lejb, woonde in Ostrolenka
Kalman in Ostrolenka, Taube Riwka in Warschau
Dina in Ostrolenka, later Lomza, later Warschau
op de vlucht, en Ester in Paris. Jouw naam is
Sura Elka. Vaders naam was Schmaie, hij is op
17 (Teives) 1917 in Ostrolenka gestorven.
Mutters naam was Roechla, Rachel; zij stierf
in 1937 in Ostrolenka.
Schreef hij terug.
Dit is mijn requiem voor hem.
  
VI
Precies een jaar nadat op 1 augustus WO I was
uitgebroken zagen ze in Ostrolenka drie dagen en
drie nachten lang het vuur de stad opeten. Het nieuws
kwam als het weerlicht uit de hemel komt, het sloeg
de hoofden van de Joden neer. En Dina’s brief,
nu uit een overzeese rommelzolder opgedoken
sprak vanuit het Poolse Lomza:

lieve Sura Elka zuster, stuur me meer geld om kleren te kopen
en schoenen, mijn voeten zitten vol wonden
van de klompen die ik draag. Ik verloor
alles in het vuur van de Russen
toen ik uit Ostrolenka
naar Lomza vluchtte.
Stuur Jankof Lejb niks, hij heeft het niet nodig.
Mutter laat je groeten. Ze bedankt je voor het geld. Stuur ook een foto.
Mejlach is soldaat in Warschau, ik zal hem van je geld
geven. Op een dag zullen we elkaar ontmoeten.
Ik ben nu in Warschau, ik heb een postadres.
Deze brief moest lang op verzending wachten.
Dit is mijn requiem voor haar.
  
VII
Iemand fietste onder zijn regenwolk naar het station.
In mijn dromen schreef ik Mejlach, de jongste
die in dit land als grootvader Ilja heette na vele jaren
een in rouw gedoopte maar feitenvrije brief vol rationele berusting
en godsvertrouwen.
Het thema van zijn reactie: ik aanvaard dat ik leef
in blessuretijd. Er zijn zoveel wegen.
Als immigrant ben ik het pas geboren lam
dat slingert aan de herdersarm, blijkbaar is jouw tijd nog niet gekomen.
Zijn liefste uit het paradijs had hij verteld:

Ik was met vier andere jongens in het bos
Mutter was daar ook, ze gaf zevenduizend roebel
mee voor onderweg. Met onze kleren
op het hoofd gebonden, moesten we de Narew
overzwemmen. In Warschau was ik in dienst van het Poolse
nationalistische leger van Pilsudsky. Ik stemde toen met mijn voeten.

In mijn dromen ging hij akkoord met mijn voorstel
prees het zelfs: faîtes vos jeux! Ik zette alles
op alles in: 19-21 met de buren.
Het spel was het zijne. Het casino was Scheveningen.
Er was geen vuur, geen schaamte, geen dood die je in
verschiet kon zien bewegen. Ook later was er slechts
de herinnering aan het licht dat zelfs
onze meest afgelegen celkernen onthulde.


VIII
Ook eerder niet toen ik Lenins prijs en lof las
voor politici met een verlangen naar totale
oprechtheid. Dat was een traktaat uit 1902. Zij maakten
zich geen zorgen, dachten wederzijds vertrouwen
na het wankelen en instorten van het luchtloze
regime. Sommigen dachten de democratie is gestorven
nog voordat hij begon. Anderen konden niet begrijpen
wat hen was ontnomen. Ze wisten niet hoe vrij
te leven. Later zetten dissidenten diezelfde taal in
om aan de macht te morrelen, die de retoriek
van oprechtheid langs de meetlat legde:
Pussy Riot, Alexei Navalny.

Decennia voor haar zoons dood stierf de borst
die hem voedde aan diezelfde oprechtheid. Dit is
mijn requiem voor haar. Geboren in de hoofdstad W.
ontvluchtte Gudes, Bursztyn van haar van, de oorlog
met ons ogenschijnlijk zo zeewaardig (vol armen en estuaria)
land als, wat later bleek, voldragen Haagse tussenstop
Daar werd Meilach de verwekker van haar kind.
Toen na drieëntwintig jaar ging ze retour. Na aankomst
van de trein was er de toespraak van de Duitser
op het appèlplein, die het over werken had. En dat
de gezinnen niet gescheiden zouden worden. Sommigen
vroegen nog iets, zoals water. Iedereen klapte.
Samen met de blaffende honden en leeuweriken
die de lente lieten kwinkeleren juichten
zij naar goddelijk licht, de hand uit de wolken.
Dat was 23 april. Todestag.


zondag 11 november 2018

Recensie bundel Erik Bindervoet - De olifant van Oostzaan

Schrijf het op. Leg het vast (olifant in porseleinkast)
Plaats van handeling in Bindervoets De olifant van Oostzaan is het hotel, ooit geboorteplek, nu vertrekpunt van de ik als dichter. De ik leidt ons door de tekst, zijn levensverhaal. In de ordeloze hoeveelheid herinneringen, anekdotes, ongestructureerde snippers en stapelingen van taal ontwaren we echter geleidelijk, weliswaar overwoekerde, maar toch lijnen van waaruit verhalen ploppen als luchtbellen uit een moerasbodem.
Bindervoet is niet bepaald een liefhebber van lyrisch getoonzette poëzie: veel te veel betekenis, onvrijheid en mooischrijverij vindt hij dat. Toch houdt hij de touwtjes in deze bundel stevig in handen. Hij laat ze vieren als hem dat nuttig voorkomt of gewoon, als hij zich niet kan bedwingen. Dan stuurt hij je het bos in. De ik als dichter, als machtig centrum, als Olifant (zie ook de kaft van het boek waarop de indrukwekkende olifant Celebes, in 1921 geschilderd door Duitse surrealist Max Ernst). Met Robert-Jan Henkes met wie hij al een half leven intensief samenwerkt, vertaalde Bindervoet niet alleen de gehele Joyce (van waaruit rechtstreekse lijnen lopen naar zijn werk), zij schreven ook een manifest voor wat zij noemden Ugly Poëzie. Poëzie die de poëzie voorbij is, vol associaties, straatpraat en rommelige gedachtestromen. Dat die poëzie helemaal niet ugly hoeft te zijn, in ieder geval niet qua vorm, zagen we al in de bundel Aap (2002) die uitsluitend bestaat uit ingenieus samenhangende kwatrijnen.
Hieronder het begin van het lange gedicht dat als basis de strenge vorm van de haiku heeft (5-7-5 lettergrepen) met daaraan toegevoegd twee regels van 7 lettergrepen. Waarmee een renga wordt geboren, een Japans kettinggedicht waaraan verschillende dichters meewerken:
Bushalte de Kolk
Waar molen De Olifant
Stond, lang geleden,
En later badhuis annex
Verpleeghuis Ons Verpleeghuis,
[…]
Mijn geboortehuis,
Ontworpen door architect
J. van Hardeveld
Vader van verzetsheldin
Annick Germaine Mathilde,
[…]
Je kleine zusje Inge
die hier ook geboren is,
In dit verpleeghuis,
Voorheen molen D’ Olifant,
Nu een geteisterd hotel.
[…]
En ja, als een echte renga betaamt werkten ook aan Bindervoets lange tekst talloze anderen mee. Ze worden achteraan de bundel allemaal genoemd, vier dik bedrukte pagina’s namen plus de volgende tekst op de website van de Arnhemse toneelgroep tgEcho die het stuk Hotel Informatie op het programma zette:
Tijdens de tournee van Hotel Informatie werkt onze tekstschrijver Erik Bindervoet aan een gedicht over dezelfde thematiek als de voorstelling, want de informatie-overload houdt nooit op. Hij wordt graag geïnspireerd door vragen en antwoorden die bij jou leven. Laat je vraag en/of antwoord bij ons achter en draag zo bij aan Bindervoets gedicht. Wat doet deze overdaad aan informatie met ons, vragen ze zich af.
Bindervoet geeft zelf het volgende antwoord:
Een koor van stemmen,
Stemmen van onder, stemmen
Van boven, stemmen van
Buiten, zwelt aan, door elkaar,
Door elkaar heen, door
Elkaar heen, met orkaankracht,
In antwoord op wat
En over iedereen heen wordt
Uitgestort, zonder pardon.
Opgelucht zijn we als we halverwege de eerste helft van de bundel nachtwakers tegen komen. We herkennen ze als Pieter Steinz, Wim Brands, Joost Zwagerman en René Gude.
Ah! de nachtwakers
Komen met hun zaklantaarns,
Nachtwaker Pieter,
Nachtwaker Wim, nachtwaker
Joost en nachtwaker René.
De nachtwakers schijnen bladzijdenlang hun licht op de materie die zorgen baart. Wim de vragensteller, Pieter de verteller, René Gude, de richtingwijzer en de zwijgende Joost Zwagerman. Ze worden alle vier op typisch Bindervoetse wijze gekarakteriseerd. Maar ze zijn ook dood. Bindervoet zal ze goed gekend hebben en schrijft een uiteraard tegendraads hommage. In de tweede helft komen we ze nog een keer tegen, nu in rijm en ingebed door tientallen Facebookberichten, anekdotes, losse woorden, namen, zinnetjes en uitroepen. En dan klinkt het, verkort, zo: ‘[…] I’m Wim … I swim … Ik ben Pieter … Levensgenieter … Ik ben Joost … Ik zoek troost … Ik ben René … Ik zeg nooit nee. […]’ Melig, boud en tragisch tegelijk. Alles opgeschreven door een ik en alles van elkaar gescheiden door puntjes: … . Die ik-verteller als centrum helpt ons overigens bij de les te blijven. Het geheel mondt uit in de figuur van de Aap van Szymborska, ook visueel gemaakt doordat de regels dan onder elkaar geplaatst zijn. Maar het gedicht zelf moet nu de ik regelmatig bij de kladden grijpen omdat hij zo afdwaalt:
• Ho! Stoppen maar! zegt het gedicht tegen me
• Het zou gaan over de Aap van Szymborska
Waarna een soort dialoog ontstaat tussen het gedicht dat orde wil en de tegenstribbelende dichter die alle kanten uit blijft meanderen.
Vervolgens is er de lange passage waarin de dichter de werkelijkheid in taal wil betrappen du moment dat die zich voordoet. Hij schrijft op wat zijn zintuigen hem bieden. Het is een procedé dat al wel vaker is uitgetest. Maar Kouwenaar zei al dat je met een gedicht geen ruit kunt ingooien.
In het laatste gedeelte lijkt de dichter persoonlijk te worden: daar zijn de zinnetjes nostalgisch maar ook triestig van toon. Ze hebben te maken met de wereld verbeteren (hoe ga jij dat doen?), met angst, moed, het geheimzinnige ik. De opsomming deed me erg deed denken aan de te kleine potloodjes die bij Uil thuis achter het fornuis zijn gevallen en waar Uil zo van moest huilen dat hij er tranenthee van kon zetten (A. Lobel). Bushalte De Kolk komt terug en met bushalte De Kolk eindigt het gedicht met de boodschap: herhalen tot het moment van overlijden. In een eeuwig perpetuum mobile.
Het is mooi en ontroerend (wil de dichter dat wel?). Maar je moet engelengeduld hebben om alles te blijven volgen, ook dreigt saaiheid doordat de zinnen zelf, als je ze eenmaal hebt doorgrondt, coherent zijn en in eenvoudige, weinig avontuurlijke taal zijn opgeschreven.
De tekst als experiment en de dichter Bindervoet houden ons een spiegel voor. De tijd is cyclisch. De tekst is een netwerk dat eruit ziet als een ondergronds stelsel van plantenwortels. Waar is ik? Is ik nog steeds een ander? In de filosofie en in de literatuur lopen de lijntjes dan al gauw naar het postmodernisme en de Amerikaanse Language poets, naar een dichter als Jeroen Mettes (N30) en een schrijver als Tonnus Oosterhoff (Op de rok van het universum). Als Vorläufer zou ik hier wel een lans willen breken voor de dichteres F. Harmsen van Beek. Kennis nemen van haar begrip ‘Neerbraak’ is voor iedere hedendaagse (taal)dichter een must. Bindervoet hoort uiteraard in deze illustere rij thuis, ook al laat hij de plantenwortels snoeien door een keurige ik-verteller