maandag 9 april 2018

Dmitri Danilov - Het saaie, het gewone. Hieruit: 'Het kleine, het schamele'

                  

Het kleine, het schamele

De zogeheten ‘jaren’ ‘gaan door’

En wat steeds en steeds interessanter wordt

Dat is al het kleine, het nietige, het schamele

Al het oninteressante, het saaie

Het alledaagse, het doodgewone

De hoofdstraat

Zoals in sommige Amerikaanse steden

Main street

Net als bij ons

De hoofdstraat, een paar evenwijdig lopende straten

En een heleboel loodrechte dwarsstraten

Van die doodgewone flatjes, grijs en grauw

Van vier verdiepingen, van drie verdiepingen

Van twee verdiepingen

Het treinstation

En het busstation

Het nieuwe station met plastic stoeltjes en kunstgras

Of het oude, met oude houten bankjes

En echt gras

Een knollentuin waar de bal overheen huppelt

Op zo’n veld kan een team

Met veel spelers met veel techniek

Niet zo goed uit de voeten

Terwijl een team

Van spelers met weinig techniek

juist goed uit de voeten kan

In de Engelse boerenkoolstijl

Over de flank voorzetten, een voorzet

Een kopbal, en misschien wel een goal

De stoffige straten

De winkel die dag en nacht open is

Alcohol tot negen uur te koop

Maar ook wel daarna

In principe, waarom ook niet

Al het kleine, het nietige

En het schamele

Doen mij meer en meer

De dingen die zomaar rondslingeren

De dingen die nergens meer voor deugen

De kleine verkreukelde bussen

En de kleine oude auto’s

Zo’n Zjigoeli uit het jaar nul

Of zo’n Moskvitsj uit Izjevsk

Slechte, vervelende boeken

Bijvoorbeeld zo’n sovjetboek

Over hoe twee sovjetsportjournalisten

‘De wijken’ ingaan

En daar zogeheten

Misstanden aan het licht brengen

Het kwaad wordt gestraft, aan het eind

Lijkt het goede te zegevieren

Dat is zo aandoenlijk

Je voelt bijna de waterlanders komen

De kleine, de zwakke

Voerbalteams

Uit de derde divisie

Of uit de districtscompetitie

Die van het district Moskou bijvoorbeeld

Wat zijn ze schattig en lief

Die schamele teams

FC Torpedo Ljoebertsy

FC Kraskovo (regio Ljoebertsy

FC Jeugd Zilveren Vijvers

FC Olimp-SKOPA (de stad Zjelesnodorozjny)

Wat een rare naam

Alsof er geen andere naam te verzinnen was

Olimp-SKOPA

Wat een rarigheid

Maar ook die rare naam

Voegt op de een of andere manier

Iets van extra sympathie of zo toe

Of zelfs, in zekere zin

Liefde

Als je dat zo mag zeggen

Een uur of drie op een bankje zitten

En dat er dan niets gebeurt

Trieste saaie vertrekken

Gangen en kamers

Was onlangs

Op een fototentoonstelling

Het project behelsde

Het fotograferen van lege, verlaten

Interieurs van een stad in Karelië

Het ziekenhuis, de polikliniek

De kleuterschool, iets van kantoren

En meer van dat soort dingen

Wat was dat toch prachtig allemaal

Je raakte niet uitgekeken

Op die prachtfoto’s

Die het saaie en alledaagse hadden vastgelegd

En nog een ander fotoproject

Een man reist kleine stadjes af

En fotografeert kleine stadions en voetbalvelden

Bespeeld door piepkleine, nietige

Voetbalteams

Koevsjinovo (district Tver)

Poljarny (district Moermansk)

Valdaj (district Novgorod)

Enzovoort

Je kunt die foto’s

Wel vijftig of honderd keer bekijken

Er staan zoveel dingen op

Die je blij maken, heel erg blij maken

Dat onze wereld

Geilt op ongewoonheid

Oorspronkelijkheid

Opzichtigheid en andere <krachtterm>

Nog mensen kent die aandacht besteden

Aan het kleine, het saaie en het gewone

Omdat niets zo interessant

En zo schitterend is als

Het kleine, het schamele

Het saaie, het gewone

Je moet alleen wel een beetje aandachtig kijken

Goed kijken

En onze alledaagse, krankzinnige werkelijkheid

Begint te stralen in onmogelijke kleuren

Of, wat je ook kunt zeggen, te schitteren

Je moet alleen wel goed kijken, aandachtig kijken

Aandachtig en goed kijken

Aandachtig en goed

                                                           28 mei 2014

 De tijd verstrijkt, lijkt Dmitri Danilov te willen benadrukken met de aanhalingstekens in regel 1 en alles wat hij (of wij) normaliter oninteressant vinden wordt steeds boeiender. Opvallend kenmerk in het gedicht is het ontbreken van een ik-perspectief, met als gevolg dat de lezer geneigd is het gelezene ook op zichzelf te betrekken: o ja? Vind ik dat ook?
Geraffineerd.

Er volgt een uitvoerige opsomming van al dat boeiends verspreid over drieënhalve bladzijde. Je kunt het zo gek niet bedenken of het komt aan bod: de hoofdstraat, het treinstation, het busstation, het stadion, de winkel, de bussen, auto’s boeken, voetbalteams, het zitten op een bankje, vertrekken, gangen en kamers.

 Waar hij is aangeland bij ’De dingen die zomaar rondslingeren’ doet Danilov me onweerstaanbaar denken aan het verhaal ‘Tranenthee’ in het Gouden Boekje van Arnold Lobel Bij uil thuis. Uil besluit een kopje tranenthee te gaan zetten en gaat, om zijn waterketel vol te krijgen, de akeligste dingen bedenken. Ik vis het boekje uit onze kinderboekenkast en lees onder andere: “Lepels die achter het fornuis zijn gevallen en die je nooit meer terugvindt[…]En potloodjes die te klein zijn geworden om vast te pakken”. Uil huilt de ketel vol tranen en geniet even later van een heerlijk kopje tranenthee.

 Overigens, niet alleen de dingen zelf vindt de dichter Danilov interessant, en zoals hijzelf verderop zegt: aandoenlijk, ook de foto’s ervan kun je ‘Wel vijftig of honderd keer bekijken/Er staan zoveel dingen op/Die je blij maken, heel erg blij maken’.

Neemt hij ons, lezers, soms in het ootje?

Danilov versterkt zijn opsommingen met nogal apart en verrassend commentaar en kadert ze zo effectief in: ‘Voetbalteams/Uit de derde divisie[…]Wat zijn ze schattig en lief’. De naam Olimp-SKODA is natuurlijk wel raar ‘Maar ook die rare naam/Voegt op de een of andere manier/Iets van extra sympathie of zo toe/Of zelfs, in zekere zin/Liefde/Als je dat zo mag zeggen’.

Ironie of spot -uiteraard op de loer- blijkt geheel te ontbreken.
Nee, de dichter neemt de lezer zeker niet in het ootje, maar neemt hem daarentegen mee in zijn exuberante enumeraties van de gek genoeg boeiende sleur van het grijze dagelijkse. Knap.
 

Aan het eind van zijn gedicht schrijft Danilov dat weliswaar niets zo schitterend is als het alledaagse, maar dat je het wel moet willen zien. Het is dus zaak aandachtig te kijken (vier keer herhaald). Het is zijn dwingend devies dat je meevoert in een haast trance-achtige ervaring.

Tenslotte kun je het alleen nog maar hartgrondig met hem eens zijn. Hoe heeft hij dat voor elkaar gekregen, vraag je je vervolgens verbaasd af, en je begint weer opnieuw te lezen. Overigens schijnen er aldus de uitgevers ook lezers te zijn die dit geschrijf compleet geouwehoer vinden.
 

 
We mogen deze poëzie ongetwijfeld zien als Danilovs post-postmodernistische reactie op de postmodernistische vrijblijvendheid in de (onder andere Russische) kunst van de laatste tientallen jaren. Het is het interessante onderzoeksobject van hoogleraar moderne letterkunde/Slavistiek, Ellen Rutten aan de UVA. Zij signaleert ook in de contemporaine Russische kunst en literatuur een al tijdens de perestroika geboren hang naar nieuwe oprechtheid en compromisloze eerlijkheid -zoals bijvoorbeeld zichtbaar wordt in de optredens van Pussy Riot en de activist Aleksej Navalny. Een reactie op de leugenachtige eis tot oprechtheid van de achtereenvolgende leiders van de revolutie van 1917.

 Het saaie, het gewone

Dmitri Danilov

Uitgeverij Douane

Isbn 978-90-827231-0-6

woensdag 4 april 2018

Recensie: Dmitri Danilov - Het saaie, het gewone



Reed ’s morgens naar Podolsk

Verbijstering is misschien te sterk uitgedrukt maar verbazing zeker te zwak. Ik las de gedichten van Dmitri Danilov. Waren het eigenlijk wel gedichten, vroeg ik me af. Nog nooit eerder had ik zoiets gelezen. Buitensporig lange opsommingen en oeverloze uitweidingen leken het over, ja over wat? Eigenlijk over alles. Immers: niks is belangrijk of alles is belangrijk, en dat alles staat dan gezusterlijk (of gebroederlijk) naast elkaar. Dat is de bij tijd en wijle gek genoeg ook de ontroerende focus van deze gedichten, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Een jaar’ waar het gaat om het herdenken van Tolik, een gestorven vriend: acht bladzijden lang naast elkaar geplaatste ogenschijnlijke banaliteiten: ‘[…] Hoe vaak ben ik hier niet geweest/Heb ik niet gebruik gemaakt van dit perron/Ben ik hier in de stoptrein gestapt/ en naar Podols gereden/Naar Tolik/Toen hij nog leefde/dat was in de jaren 2013-2014/ Dan nam ik de stoptrein naar Podolsk […]’ die echter hard ‘binnen komen: […] ‘Hij werd drieënveertig/En daarna in één klap – één/Heel raar/Dat is heel raar […].
Ik gaf me er maar aan over, las ze soms hardop en ontdekte zo het stuwend ritme dat erin verborgen ligt en ze voortjaagt. Alle gedichten blijken overigens ongeacht hun lengte uiterst geconstrueerd, samengebald tot een maximum aan zeggingskracht. Ingekaderd door korte tot zeer korte regels, geraffineerde plaatsing van enjambementen en hoofdletters aan het begin van een nieuwe regel, of deze nu ook het begin van een nieuwe zin is of niet (vaak niet). Ik was onder de indruk.
Maar het schijnt dat er ook lezers zijn die ze saai vinden, zegt de uitgever.
Pas geschreven tussen 2014 en 2016 is Het saaie, het gewone samengesteld uit twee van Danilovs eerdere bundels maar direct uitstekend door Arie van der Ent (hiervoor heb ik een mij bekende slaviste geraadpleegd) in het Nederlands vertaald. De dichter is in Moskou geboren (1969) en getogen en verlaat maar zelden zijn stad of zijn land, hoewel er een zeer lange, wat heet, acht bladzijden, zoals hij zegt, hymne gewijd is aan de stad New York. De vergelijkende mijmering over de plattegronden van beide steden valt uiteraard uit in het voordeel van Moskou waarna hij de presentatie van een tijdschrift  als volgt beschrijft:
Eigenlijk moet
De onafgebroken beschrijving hier worden onderbroken
Daarna was er de reis naar Brooklyn
Naar de oprichting van een literair tijdschrift
De ontvangende partij nodigde uit
Een luidruchtig inhoudsloos feestje
(Anders dan bij ons)
Daarna ’s nachts de reis met de metro
Terug naar Manhattan


Ik las een paar grappige titels in de inhoudsopgave, bijvoorbeeld: ‘Ode op het niet-bereiken van het Russische elftal van de 1/8 finale van het Wereldkampioenschap 2014’ met de voor ons imago tamelijk pijnlijke, geraffineerd opgebouwde regels (een fragment slechts, het gedicht duurt zes pagina’s):
[…]
Iemand wordt wereldkampioen
Brazilië waarschijnlijk
Of Duitsland
Het zou mooi zijn als het Nederland was
Het wordt wel eens tijd, na al die jaren
Hoeveel keer kun je
In de finale staan en geen
Kampioen worden
We gaan nu voor de televisie zitten
We halen verveeld ons hand over ons gezicht
En leven mee
Met Nederland
Een prachtig land
Van zee, van wind
Van prachtige steden en kerken
Van aardige mensen
Echt vreselijk aardig
En we zullen maar net doen alsof
We daadwerkelijk meeleven
We zouden liever met jullie meeleven
Maar jullie zijn me een stel
Sufferds en stakkers
Losers en lomperds
[…]


en ‘Een inwoner van Kamsjatka ging zijn drinkmaat te lijf met een krukje’. Dat is het gevolg van een vechtpartij waarbij het slachtoffer ongeveer 80 slagen met de poot van een krukje werd toegediend. Er volgde een veroordeling die zelf weer wordt opgevolgde door een twee bladzijden lange opsomming van nog 23 andere plaatsnamen waarbij een inwoner zijn drinkmaat te lijf gaat niet alleen met een krukje, maar ook met een fles, een glas, een stuk van iets, een hard voorwerp, een object van buitenaardse herkomst, en in Kaliningrad gebeurde dat door de bewoner met de handen. En nadat de zon weer op was gegaan boven het tegenoverliggende deel van het grondgebied van de RF was het onder anderen de inwoner van Kamsjatka die zijn drinkmaat nu te lijf ging met een fragmént van een krukje, omdat hij geen heel krukje kon vinden.
Melig? Lees verder zou ik zeggen.
Het is geen misdaad.
Het is geen misdaad kroniek.
Het zijn economische moeilijkheden.
En geen sociale desintegratie.
Het is een liedje.
Hé, hé.
Het is gewoon maar een liedje.
Goh, hef het aan.
Gewoon maar een liedje.

En de inwoner van Kamsjatka ging zijn drinkmaat te lijf met een
krukje.
[…]

Dmitri Danilov: Het saaie, het gewone. Vertaald uit het Russisch door Arie van der Ent. Douane, 176 blz. € 19,50


dinsdag 16 januari 2018

Benno Barnard - Het trouwservies. Hieruit 'Ode aan Joy'


   
                                        

http://ooteoote.nl/2018/01/ei-75-benno-barnard-ode-aan-joy/
Vreugde, vreugde 'Ode aan Joy'

Ode aan Joy
Gewijd aan jou zijn door mannen al veel
te veel bezweringen, incantaties, liederen,                       
bijvoorbeeld over je losse haren, door                                 

 de handen van de wind geknoopt, verstrengeld
en dan verward als het hart van je zanger.
Ik zou dus moeten kunnen zwijgen, alleen:

 er is dat angstaanjagend vrouwelijke
van mij doen meeduizelen met het draaien
van je gehaaide hoge hakken, zoals

het meekantelen van mijn gedachten
in het enjambement, of het verkeren
van mijn gevoelens in een hitsig verlangen

maar nu gluren we al naar de schaduwrijke
plek waar ik mij neer wil vlijen, de bron

 waar het leven opwelt, schat … inderdaad,
ginder tussen je dijen, aan de rand van je rok. –
En nu je zo koket je lippen retoucheert:

 het is je vast ooit opgevallen dat de lipstick
tevoorschijn komt als uit zijn voorhuid
de hondenpik? Ja kind, alles is seks,

 en wij mannetjeszangers maar sublimeren.
Vergeef ons in de kerk van de H. Emancipatie,
waar de geslachten ongeslachtelijk met elkaar                                 

verkeren … o mij best, ik zwijg al weer, maar
gedenk het scheuren van je maagdenvlies:
wanneer Joy glimlacht, breekt het trouwservies.

Negen strak opgezette, drieregelige strofen, in hoofdzaak jamben met hier en daar, ter verlevendiging, een dactylus of een trochee, telt Barnards lyrisch gedicht Het trouwservies.

Rijm en assonantie worden niet geschuwd. Ziehier de ouderwets aandoende - het genre van de ode was populair in de renaissance maar werd al in de oudheid beoefend - lofzang op Joy, echtgenote van Barnard. Ze zijn beslist niet gisteren getrouwd, het trouwservies vertoont barstjes en scheurtjes van ouderdom. These are private words adressed to you in public, schrijft Barnard naar T.S. Eliot als motto aan het begin van de afdeling. Hij spreekt Joy toe zoals dat hoort in een klassieke ode. Niet door haar op lyrische wijze als een heldin te vereren. Integendeel, hij doet dat juist door zichzelf te verkleinen, zich als een door seks beheerst mannetjesdier af te schilderen. En daar genoegen aan te beleven. Hij heeft het ongetwijfeld overwogen, maar Barnard wilde geen echte porno schrijven, daarvoor is hij nu eenmaal veel te highbrow en subtiel in zijn beeldkeuze. Nee, het gedicht is een en al sublimatie, zoals hij zelf zegt in de een na laatste strofe. Maar dan wel geraffineerde sublimatie.

 In de eerste twee strofen wordt Joy bezongen, niet door hemzelf maar via ‘mannen’ die haar prijzen in allerlei teksten: bezweringen, incantaties, liederen […] bijvoorbeeld over je losse haren, door//de handen van de wind geknoopt, verstrengeld […]’. Hij zou zich daar niets van moeten aantrekken, maar toch, hun beelden nestelen zich in zijn hoofd en zijn fantasie brengt dat hoofd op hol. (Incantaties zijn toverachtige bezweringen, jl).

Waarmee de tweede sublimatie wordt ingezet: hij spreekt daar over het draaien ‘van je gehaaide hoge hakken’ en het ‘het meekantelen van mijn gedachten/in het enjambement.’ Wij, tenslotte geraffineerde lezers, ontkomen hier niet aan onze eigen fantasie die maakt dat we hier (ook) de seksuele daad in lezen. Waarna Barnard, die dat ongetwijfeld voor ogen stond, nogal ontnuchterend schrijft dat dat helaas alleen in de taal gebeurt. Het ‘in het enjambement’ is subtiel geplaatst, je hoort de dichter gnuiven bij het opschrijven.

Zijn beschrijving maakt ook zijn eigen ‘hitsig verlangen’ wakker. Let op de mooie regel ‘bij de toverslag van het formuleren’ (een incantatie, zie hierboven). Het eeuwige wonder van de taal voltrekt zich onder de handen van de schrijvende dichter: taal schept werkelijkheid.

Hij gaat direct op zoek naar een schaduwrijke plek om zich neer te vlijen ‘de bron waar het leven opwelt’. We ontkomen er ook nu niet aan, we zien hier eerst een romantisch ongetwijfeld, mosrijk plekje in het bos onder een boom met een bron ernaast. Pas daarna lezen we: ‘ginder tussen je dijen aan de rand van je rok.’ Tja, wie is hier nu eigenlijk wie aan het opvrijen? Let op het effectieve rijm: vlijen – dijen.

 Dan de volgende sublimatie. De rauwe directheid van de combinatie seks en het dierlijke beneemt je bijna de adem:

‘het is je vast ooit opgevallen dat de lipstick
tevoorschijn komt als uit zijn voorhuid
de hondenpik?'

'Ja kind alles is seks,’ zegt de dichter tegen Joy (en de lezer) en verklaart zichzelf met een nogal gedateerd aandoende veeg uit de pan:

‘en wij mannetjeszangers maar sublimeren.
Vergeef ons in de kerk van de H. Emancipatie,
waar de geslachten ongeslachtelijk met elkaar//verkeren … […]

In welke tijd leeft deze dichter eigenlijk? Nog steeds in de zestiger/zeventiger jaren toen tijdens de tweede feministische golf heel wat heilige mannenhuisjes ter ziele gingen? Gezien zijn leeftijd, ja.

Hij kruipt overigens snel in zijn schulp met alweer zo’n typische mannenopmerking:

‘o mij best, ik zwijg alweer. Maar
gedenk het scheuren van je maagdenvlies:
wanneer Joy glimlacht, breekt het trouwservies.’

Tussen trouwen, het stel krijgt een servies, en het breken van dat servies zit dertig jaar (zo lang blijkt de dichter getrouwd-zie het gedicht CXIII elders in Het trouwservies, de bundel heeft zijn titel ontleend aan het gedicht). Kijk je nu allereerst naar de taal dan valt op dat tussen vlies (maagdenvlies) en vies (trouwservies) maar één letter verschil zit, de l. In die laatste lettergreep, vies, hóór je de voorafgaande strofen resoneren. Je zou haast zeggen: als commentaar van de dichter op wat hij daar schrijft: vies, bah. En misschien ook als commentaar op jezelf, die hij zo fijn heeft laten meegenieten en beet genomen. Je kunt het je afvragen.

 Zoals er overigens ook dertig jaar zit tussen het scheuren van Joy’s maagdenvlies en het breken van het trouwservies. ‘Breken’, we kunnen het overdrachtelijk én letterlijk lezen. Een dertig jaar oud servies vertoont immers allerlei lijntjes en barstjes, adertjes in het porselein? De tijd is er niet aan voorbij gegaan. Net zoals het huwelijk van de dichter niet aan de tijd is ontkomen, ook dat vertoont scheurtjes. Bovendien, symboliseert het huwelijk niet de onverbrekelijke band tussen man en vrouw? Het is een treffend beeld dat Barnard hier schetst. Het geeft aan dat hij een man is van traditie.

 En wat te denken van Joy’s glimlach? De dichter smeekt haar om aan de eerste keer te denken dat ze met elkaar naar bed gingen. Het lijkt haast een wanhopige oproep om niet te vergeten hoe het was, ooit. Moet ze daarom glimlachen? Liefdevol, misschien zelfs moederlijk. Of treurig? Ze kent hem na zoveel tijd immers door en door, haar zanger, haar romantische, seksistische, anti-feministische maar ook ontwapenende en geestige taalvirtuoos?

Opvallend is dat de dichter hier Joy niet meer toespreekt maar óver haar spreekt. Hij zet haar op een voetstuk en op afstand. Hij zet daarmee ook ons, lezers, op afstand, daarmee de ‘feitelijkheid’ van het breken benadrukkend. En breekt op dat moment het oude servies misschien om de weg vrij te maken voor een nieuw, als een nieuw begin?

Kan taal ook dat bewerkstelligen? Een dichter als Barnard zal dat nooit ontkennen. Door aan het scheuren van haar maagdenvlies te refereren spreekt hij zijn hoop uit.

 Het gedicht met zijn romantisch beschrijven van de geliefde met haar losse haren in de wind. En van de natuur met zijn schaduwrijke plekjes bij een bron, het teken van nieuw leven, doet denken aan de liederen die minstreels in de middeleeuwen voor hun beminde zongen. Dikwijls in de standaardbewoordingen die ook Barnard kiest. Ook toen diende het beschrijven van haar schoonheid en de ontmoeting op een lieflijke plek, een locus amoenus, als een kracht waarmee zij gewonnen kon worden. De natuur stelde zich helpend op. De dichter schrijft hier weliswaar binnen een traditie, maar die keert hij in letterlijke zin om. In de ogen van andere ‘mannen’ is zij een en al lieflijke pracht, bij hem roept die echter hitsigheid op. Hij verantwoordt zich in de laatste twee strofen van het gedicht. Dat krijgt zo het karakter van een boetedoening. Het beschrijft, en dat doet Barnard rücksichtlos, de complete geschiedenis van een liefde. Oprecht en vanaf het begin.

 Inmiddels weten we dat Barnards geadopteerde dochter Anna iets meer dan een jaar geleden bij een tragisch verkeersongeluk is omgekomen. Ze was pas achttien jaar. Het hele gedicht en vooral de slotstrofe komt daardoor in een ander, dat licht, te staan. Het breken van het trouwservies staat nu ook symbool voor de dood die ruim baan kreeg.

Barnard zelf heeft ongetwijfeld aan zijn geliefde dichter W.H Auden gedacht die schrijft:
‘And the crack in the teacup opens/A lane to the land of the dead.’ (As I walked out one evening).

Aansprekend en symbolisch voor hoop is Leonard Cohens bekende lied: ‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in.’

Zie ook mijn (jl) bespreking van Barnards bundel op https://www.tzum.nl 

Het trouwservies
Benno Barnard
Uitgeverij Atlas Contact
ISBN: 978 90 254 5150 9
http://ooteoote.nl/2018/01/ei-75-benno-barnard-ode-aan-joy/

Ik was eigenlijk met iets anders bezig. Het gebruik van verboden woorden.

Ik was eigenlijk met iets anders bezig (een bespreking van een gedicht van Benno Barnard op mijn blog zetten) en toen gebeurde onverwacht dit: een fijne recensie van Joep van Ruiten op Woest en Ledig van Tot alles goed strak staat uit 2011. Ik word niet verwend met recensies, dus ik plaats hem hier graag.
Nog altijd is het een zin die me raakt: het is rustig hier op het eiland.
Het gedicht dat eruit is voortgekomen heet 'Alleen geen rood'. Het staat in mijn eerste bundel Mos en gladde paadjes (2003) en begint zo:
 
'Het is rustig hier op het eiland,
op deze open plek in het bos
is het licht'.
 
Jane Leusink en het gebruik van verboden woorden
Jane Leusink (foto Dolf Verlinden) weet het nog, het moment waarop ze door de ‘muze' werd bezocht. Het was omstreeks 1994. Ze zat 's avonds in de auto op weg naar huis en luisterde naar de radio. Opeens hoorde ze een stem de volgende zin uitspreken: ‘Het is rustig hier op het eiland.' Zeven, tamelijk alledaagse woorden. En toch raadselachtig.

donderdag 4 januari 2018

Recensie: Benno Barnard – Het trouwservies


 
Een mens is een mens door andere mensen
Het verstrijken van de tijd en daarmee van zijn leven, is het overheersende thema van Benno Barnards forse, klankrijke, uiterst strak gecomponeerde bundel Het trouwservies, waarin de gedichten alle bestaan uit drieregelige, soms van rijm voorziene strofen met daarin regelmatig meezingende lievelingsdichters. Kan het biografischer, intellectueler, maar ook, kan het traditioneler?

Barnard zou echter Barnard niet zijn als hij in ‘Goede raad’ niet ook schrijft: ‘Jochie, kijk uit voor het rijm dat bedwelmt’. De gedreven dichter die hij is, aan wie de laatste veertig jaar poëziegeschiedenis niet ongemerkt voorbij zijn gegaan en die gewend is geen blad voor de mond te nemen, schrijft in gedicht III van de afdeling ‘Gebed zonder eind’: 

Ik overwoog de heiligheid van gedichten.

Nogal wat dichters waren dogmatische gekken

en de tempels van hun dichtkunst oorden

 
van intolerantie, waar onvertogen woorden

over de woorden vielen, waar logge ideeën omtrent

de werkelijkheid en haar kale mimesis

 
ruzie zochten. Maar soms zat een muis in de onverlichte

hoek van een onopvallend enjambement

heimwee te hebben naar haar oorspronkelijke plekje […]


 Barnard heeft het allemaal meegemaakt. Zijn commentaar snijdt: ‘de plechtstatiger reiger zocht naar vis/en niet naar God; de bureaulamp was geen giraf/die haar nek uitstak;’ Soms moet je overdrijven om foute enjambementen aan de kaak te stellen, eroverheen gaan. Mooie voorbeelden zijn dat.

 Het postmodernisme, waar Barnard aanvankelijk een rol in speelde (eind jaren tachtig van de vorige eeuw) omhelsde hij de poëzie van postmodernistisch dichters als Spinoy en Van Bastelaere. Het postmodernisme krijgt er echter flink van langs in ‘Vaderdromen’ waarin de vader lacht om de ‘postmoderne bekommernissen’ van zijn zoon. En in ‘Goede raad’ klinkt het luidkeels: ‘Minacht het postmodernisme/het heeft geen kloten’. Barnard is er, zoals ook Spinoy (Van Bastelaere koos een andere weg) dwars doorheen gegaan. 

 Barnard is een verklaard darwinist. In de ontroerende afdeling ‘Darwins dieren’ eert hij in aansprekend parlando apart de schildpad, hond en haas. In ‘De schildpad’, noemt hij april de tijd ‘van de warmbloedige schepsels met hun ongemakkelijke herinneringen en hun afschuwelijke kwetsbaarheid’. Dat is treffende zeggingskracht  van de dierenliefhebber die zichzelf niet spaart, de eerste regel van deze reeks luidt dan ook veelzeggend: ‘Ik ben altijd weer ontevreden in het dode leer/van mijn schoenen’. Na een aanrijding spreekt hij de haas toe en heeft het over ‘- mijn lafheid en jouw pijn, […]’

 De bundel in zijn geheel is een vitale, ook ontroerende hommage aan Barnards vader, de dichter Guillaume van der Graft, aan zijn huwelijk, zijn vrouw Joy, zijn kinderen. Zijn geadopteerde dochter Anna stierf bij een verkeersongeluk, nu iets meer dan een jaar geleden, de tragiek uit zich doordat hij niet over haar schrijft, niet over haar kán schrijven. Het enige gedicht aan haar gewijd schreef hij al voor dat ongeluk: ‘Voor een geadopteerde dochter’.

Aan zijn zoon Christopher draagt Barnard de afdeling ‘Gebed zonder eind’ op die bestaat uit maar liefst tien lange gedichten: ‘Er kwam een storm op ons af toen ik vader/zou worden’. Zo begint de eerste. De laatste eindigt subtiel met: ‘er komt storm en ik moet nog vader worden.’ Maar veel gedichten van deze reeks lijken vooral Barnards eigen preoccupaties te behelzen. Gezien het cadeautje voor Christopher als hij achttien wordt, lijkt zijn niets ontziende eerlijkheid tegenover zichzelf hier soms ook op koketteren.

Uitgebreid komt zijn zestigste verjaardag voorbij: ‘Alweer november en je wordt godsamme zestig’. Hij wijdt er de uit vijf gedichten bestaande afdeling met de onuitsprekelijke titel ‘Umuntu Ngumuntu Ngabantu’ aan: a person is a person through other people.
 
De afdeling waaraan de bundel zijn titel ontleent kreeg de opdracht ‘Voor Joy’ mee met een citaat van T.S. Eliot: ‘These are private words adressed to you in public.’  Het eerste gedicht heet, met een typische Barnard-geestigheid, ‘Sonnet CXIII’ (Shakespeare, jl) Het sonnet waarin de ik in de natuur niets anders meer kan zien dan de contouren van de bij hem weggelopen geliefde. Barnard daarentegen schrijft:

Ik ben een puber van zestig en mijn gemoed,

gevoelig gebleven voor melkwegen, slaat vijftien

glazen achterover om een beetje te zwijmelen

 
en te rijmelen: ik zie haar handen een stras

van sterren in haar haren vlechten – kijk eens aan,

ze schittert weer even als het mokkel dat ze was.


 Je zou om minder al blij worden.