vrijdag 10 augustus 2018

Floor Buschenhenke – Vliegveld. In: Parachute



Parachute



Vliegveld

            Voor Arnouds clown


Zij staan elke zaterdag in de vertrekhal

zakdoekslingers uit hun mouwen te trekken.

Ze gaan met grote gebaren het publiek rond.

Men wordt uitgenodigd om het verdriet

om het afscheid van deze of gene

in zo’n zakdoek te snotteren,

om de naam van de vertrokkene

erin te schreeuwen, hoesten of,

voor mensen met wat meer tijd omhanden,

borduren.


Ik kom mijn verdriet ophalen.

Het zit opgefrommeld in de binnenzak

van een halfafgeschminkte schipholclown.

Zakdoek voor zakdoek bevoel ik mijn weg.

Ik zit gehurkt achter zijn stoel mijn werk te doen,

terwijl de clown van dienst een broodje eet.


Met kleverige vingers van het verdriet

van anderen zoek ik naar je naam.

Ik maak van die zakdoek een landingsbaan.

Hoe zit dat toch met ontroering bij het lezen van een gedicht als ‘Vliegveld’. Je hoeft er niks voor te doen, het is er zelfs zonder dat je het gedicht helemaal hebt gelezen, laat staan geïnterpreteerd. Zijn het de woorden, sommige woorden, zoals hier misschien ‘clown’, ‘verdriet’? Veel kinderen zijn bang voor clowns, in mijn beleving al sinds de onopgeloste zedenzaak in Oude Pekela eind tachtiger jaren. Een paar jaar geleden was er sprake van zogenaamde killer-clowns, ook in Oost-Groningen. Clown en verdriet koppel ik in mijn hoofd automatisch aan elkaar.

In het gedicht van Buschenhenke is juist sprake van helpende clowns. Clowns die op Schiphol in de vertrekhal, een hal waar veel afscheidsverdriet heerst (dit in tegenstelling tot de aankomsthal waar zwaaiende afhalers juist in grote blijdschap verkeren), wekelijks op zaterdag dat verdriet opvangen teneinde het letterlijk ‘een plekje te geven’. Dat dat plekje een zakdoek is, is de schitterende vondst van de dichter, die waarschijnlijk zelf ook wel eens met een zakdoek in de vertrekhal heeft gestaan. Immers een zakdoek helpt waar tranen heersen. Hier zijn het de clowns die de achtergelatenen helpen door uit hun mouwen, als goochelaars, zakdoekslingers te trekken: een touw met zakdoeken eraan gebonden. Je ziet de vrolijke kleuren en dessins voor je: rood, blauw geel, gebloemd, geblokt. En vervolgens mag je je verdriet in zo’n zakdoek snotteren, bij tranen hoort namelijk snot, gehoest, ook geschreeuw. Je verdriet uitschreeuwen: de naam van je vertrokken dierbare. En, en daar wordt het hilarisch, je mag het verdriet ook in zo’n zakdoek borduren, als je tijd genoeg hebt tenminste. Kruissteekjes op zakdoeken, stel ik me voor, weer eens wat anders dan  paardenkoppen op kussens.
Als ik vroeger in de boekwinkel stond te twijfelen over de aankoop van een gedichtenbundel, bladerde ik die helemaal door op zoek naar het gedicht, de regel of het woord dat me bij de keel greep. Er hoefde maar een zo’n regel in te staan en ik was verkocht. Kocht die bundel.

Hans Andreus’ ‘Laatste gedicht’, herinner ik me zo: ‘Dit wordt het laatste gedicht wat ik schrijf,/nu het met mijn leven bijna is gedaan,/ de scheppingsdrift me ook wat is vergaan/met letterlijk de kanker in mijn lijf’. Ook Jan Eijkelbooms: O, dat ik nog eens een vers met o beginnen mocht,/en dat dan ongezocht een ode/werd waarin zeg maar een dode/dichteres tot leven kwam/ofwel een warm lief lijf tot marmer werd waardoor voor wie daarvoor gevoelig is/een adem ging als was het/leven nu voorgoed betrapt.’ Alleen de adem ontbreekt, zei de docent tijdens mijn studie kunstgeschiedenis als we college hadden over de beeldhouwkunst in de klassieke oudheid. Bij het laatste Prinsentuinfestival (Groningen) las Bart Moeyaert me ‘Sterk’ voor, een gedicht over de liefde tussen zijn oma en opa: ‘Dus het is waar/dat liefde/spieren geeft/en op den duur/ook vuur.’

In de tweede strofe van ‘Vliegveld’ is sprake van een ik die haar/zijn verdriet bij de clown van dienst komt ophalen. Zij moet daarvoor al die reeds gebruikte zakdoeken uit de binnenzak van de clown trekken (een vies werkje, lijkt me) en zoeken naar die éne zakdoek waarin háár verdriet zit, daar heeft ze ‘je naam’ in gezet. Is dat de geliefde? Als ze die gevonden heeft vouwt ze de zakdoek uit en maakt er een landingsbaan van.

Kan het mooier en treffender? Het gedicht begint met het vertrek van de, van een, van elke  geliefde en eindigt met de premature voorbereiding van de wederkeer van de geliefde van de ik. Hoe sterk kan een verlangen zijn. Buschenhenke  maakt door die zakdoek met zo’n beeld op te tuigen de pijn van het afscheid letterlijk voelbaar.

De humor, de lach zit ‘m in de contrasten: de heel gewone woordkeus, de plechtige show die de clowns ‘met grote gebaren’ maken, de hilarische snotter- en borduurscène, het gehurkt zitten achter de stoel terwijl de clown een broodje eet (is dat soms Arnoud aan wie het gedicht is opgedragen of is Arnoud een kind met een clown als pop?), de kleverige vingers. Het is humor die schrijnt.
Buschenhenke’s gehele bundel is overigens in vet gedrukt. Alsof ze wil zeggen: hier komen jullie niet omheen (zie hierover ook mijn bespreking op https://www.tzum.info/2018/07/recensie-floor-buschenhenke-parachute/)

Maar hoe het nu zit met die ontroering? En hoe komt het dat de heel veel mensen over dezelfde gedichten zo’n diepe ontroering ervaren? Het is niet gemakkelijk daar woorden voor te vinden. Maar bij het lezen van zo’n gedicht, ook al lees ik het voor de honderdste maal of denk ik eraan als ik met mijn hond door het park wandel, ik voel me iedere keer weer opgetild, net als de bij die echt ‘hoger honing’ vindt. Het is een herkenning van iets in jezelf, iets ouds misschien, iets wat je in een flits te zien krijgt, een wijder uitzicht, een meer objectieve blik. Een blik die je kunt delen met anderen, die het particuliere voorbij is.

Maar degene die hierover het meest treffend heeft geschreven is natuurlijk Rutger Kopland. Lees behalve Buschenhenkes Parachute dus ook eens de verzameling essays die Kopland schreef, getiteld Het mechaniek van de ontroering.



Floor Buschenhenke – Vliegveld. In: Parachute 2018. Atlas Contact. 54 blz. € 19,99. eBook € 12,99




woensdag 1 augustus 2018

Recensie: Parachute – Floor Buschenhenke



 Parachute
‘The bad news is you are falling through air, nothing to hang on to, no parachute. The good news is there is no ground. (de Tibetaanse boeddhist C.T. Rinpoche)
Een parachute is een valscherm. Het is een geestig motto dat Floor Buschenhenke voor haar bundel heeft gekozen en het lijkt me typisch boeddhistisch gedacht: onverwacht, origineel, grappig, maar ook: je krabt je eens op het hoofd en voelt je in de maling genomen. Lees maar, er staat niet wat er staat, Nijhoff schreef het al. Buschenhenke zelf haalt met de lezer vergelijkbare grappen uit: de pointe bevindt zich nogal eens waar je hem niet zoekt. Biedt Buschenhenke ons een parachute? De schots en scheve letters op het voorplat van de bundel (het ontwerp is van Melle Hammer, hij ontwierp ook haar vorige bundel Het moeten eenhoorns zijn) maken voorzichtig.
In ‘Marsyas’, geschreven bij Anish Kapoors gelijknamige kunstwerk loopt de ik de turbinehal in waar het werk staat opgesteld ‘recht op de vlezige hoorn van opgespannen rood’ af:
[…] aan de andere kant tikt,
Iemand met een nagel op het doek, ja hij staat aan,
De adem van Marsyas raast me omver

van onderaf is het een opengeklapte paraplu,
een nomadentent, een luchtballon, een parachute

een transporteermachine,
het vel geolied met muziek van de goden,
vangt, versterkt en ik geef me over, ja, ik sta aan
De metamorfose (Marsyas is een personage bij Ovidius) via de transporteermachine. Er is sprake van overgave, de licht ironische toon wekt een glimlach op: ja, ik sta aan, een treffend onverwacht beeld.

Wat als eerste opvalt als je Parachute openslaat is de van begin tot eind toegepaste vette letter. Wilde Buschenhenke in haar derde bundel eens wat anders? Wilde ze ons ergens van overtuigen, iets inwrijven, onze blik van richting doen veranderen? Mooi vind ik het niet, het onderstreept wel haar strakke, bondige, kortaffe stijl: zinnetjes meestal eindigend op een punt, ze heeft duidelijk geen last van de kriebelige spinnenpootjes die Edwin Fagel zag in het gebruik van leestekens aan het eind van de regel.

In ‘Yoko-stijl flower piece’, is ook sprake van overdracht namelijk die van het inzicht, van dharma, het ontstaan van zen. Het is de tijd van de flower power in de stijl van Yoko Ono en van John Lennon met zijn ‘Imagine’, waarin gedroomd werd over liefde met een bloem in de hand, een onvoorwaardelijke liefde. Het gaat hier over ongewassen mannen die zich overgeven aan een ook bij ons welbekend spelletje en die een bloem zijn blaadjes uit moeten trekken terwijl ze achtereenvolgens ‘hij/zij houdt van me (kies wat van toepassing is) …’ moeten zeggen.

Een paar hebben niet door dat het al begonnen is.
Een paar schuifelen en kuchen wat.
Eén besluit dat dit de godsgloeiende druppel is
En Makakasho glimlacht
En de Boeddha knikt.

Voor gevorderden: doe een trouwjurk aan
Op een eerste date.

Zalig zijn de eenvoudigen van geest die het toch heel precies weten te zeggen: de van god gloeiende druppel, het is bijna een bekend gezegde, maar toch, in deze context mag je die druppel gerust letterlijk nemen. Maar je kunt ook denken aan ‘godsgloeiende stinkende …’ en dan hebben we een minder positief gestemde uitroep te pakken. De raad die je in de laatste regel krijgt is nauwelijks in woorden te vangen, misschien iets als: voor de zekerheid?  Maar, en de dichter zegt het er meteen maar bij: alleen voor gevorderden.

Er staan verschillende prozastukken in de bundel. ‘Hallellujah Mix Tape’ is er een van. Als de kinderen naar bed zijn, zit een echtpaar op de bank naar muziek te luisteren, ze bespreken de teksten, deze weerspiegelen naar hun gevoel hun eigen situatie. Is er hoop? Ik weet het niet zegt de man, de vrouw voelt juist hoop maar beseft ook dat ze een fundamentalist is: alleen haar interpretatie geldt.  En dan kantelt het gedicht en maakt de nogal voorspelbare verwachtingen van de lezer op flinke bonje niet waar. In de innerlijke monoloog van de vrouw die volgt betoogt ze naar aanleiding van  het beroemde ‘Anthem’ van Leonard Cohen: ‘Het is niks persoonlijks. Iedereen barst een keer open.’ Waarna de verrassende ontknoping volgt: ‘Maar ze zegt het niet.‘
Dat is wat mij betreft de parachute: ontroering, liefdevol en compleet onverwacht. Er volgt in het geheel geen gevecht of forse discussie. Meteen daarna volgt de playlist, bestaande uit de nummers die door het stel net zijn besproken. Ook daardoor worden we op ons andere been gezet: ook de lijst werkt ontnuchterend. Knap gedaan. Originele vondst ook om die lijst op te nemen.

In de reeks ‘Hoop’, vijf gedichten waarin de hoop gepersonifieerd optreedt als iemand ‘die ergens voor traint’, is dat ‘ergens voor’ interessant als we naar het motto kijken dat Buschenhenke koos voor deze gedichten: ‘The act of making poetry is an act of of hope’ (Natasha Thretheway) dat van de reeks een poëticale reeks maakt. Dan blijkt dat dichten vaak vies werk betekent, waarbij je veel weggooit, slapeloze nachten hebt en dat alles met als ultiem doel die zo hardnekkige hoop het zwijgen op te leggen. In het vierde gedicht treedt de dichter/ik zelf op in deze strijd waarin het in het vijfde gedicht uitdraait op een wapenstilstand tussen hoop en de ik:
Ik heb haar meegenomen naar buiten.
Ik heb haar kapotte handen vast gehouden.

De gedachte is niet bijster origineel, hoop teistert de meeste dichters, de uitwerking ervan is
dat wel: aards en puntig.

In ‘Het is gewoon klote’ komt in een reeks van zeven gedichten het stervensproces van waarschijnlijk een moeder voorbij, minutieus, vertelt door de ik i.c. de moeder, aan een hij, misschien een zoon. Het is een recht toe recht aan vertelde indringende weergave die in gedicht 6 van perspectief verandert en behoorlijk uit de hand lijkt te lopen door een grappig spottende beschouwing over morfine en een vakantieplaatsje in Monaco met veel verse vis. Maar dan en dat is werkelijk knap gedaan, de laatste strofe:
Als een vissersbootjer dobber je
op de vloeistof: je ogen vallen steeds dicht.
Je stuurt je bootje rakelings langs pieken van pijn.
Je strijdt met het knopje – je vindt het te hard gaan.
Na het toedienen ligt er een glimlach om je lippen,
staat dan op, strekt zich uit en vertrekt.
Het toeristenseizoen is voorbij.

Let op de afstandelijke, geobjectiveerde een na laatste regel.

In het laatste gedicht ‘Niet gebruiken in geval van brand’ is loutering
en acceptatie aanwezig, waarmee Buschenhenke nu zonder
enige ironie weer aansluit op het zen-achtige motto van de bundel:

Toch geloven we er niet in, een verhaal dat verder draaft zonder ons.
[…]
Wij ontglippen elkaar, wij kleintjes
die […]al vallende/nog, altijd, onze grond verwachten,
de onmogelijke noodzaak van een landing
omarmen nu verder alles, en alles verder –


Buschenhenke schreef een crisisachtige maar vrolijk stemmende bundel waarin essentiële vraagstukken effectief aan bod komen.

Floor Buschenhenke – Parachute. Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen. 54 blz. € 12,99
eBook € 9,99

dinsdag 29 mei 2018

Van de zon van de lucht - Tsead Bruinja

oote oote - eerste indruk



van de zon van de lucht
van de plant van de vis
van de vogel van de lucht
van de grond van de tijd
toegerekend – opgeëist
uitgesproken
neem het terug riep je
deel het opnieuw op
laat ons begaan
haal ons aan
*
als je dat doet
zet je de sluizen open

___
Zodra ik een kort gedicht met veel ritmiek en een vis erin tegenkom moet ik denken aan Marc groet ’s morgens de dingen, het beroemde gedicht van Paul van Ostaijen. Het was een van de eerste “moeilijke” gedichten waarmee ik als middelbare scholier (ja, uit de vorige eeuw) werd geconfronteerd. Het was een doorbraak toen het “open” ging en ik ontdekte dat je het alleen maar heel precies hoefde te lezen, gewoon wat er staat dus. Het mag veelbetekenend genoemd worden voor mijn/onze manier van lezen dat we dat niet konden. Tegenwoordig noem ik het gedicht ook wel een grappige en ontroerende voorzetseloefening.
Bij Tsead Bruinja komt alleen de vis aan de orde, geen visserke vis, geen visselijn. De kracht van de associatie met Marc zit ‘m waarschijnlijk in het speelse, het heldere en dingachtige van in elk geval de eerste drie regels van de eerste strofe bij Bruinja.
Behalve dat het een treffend voorbeeld van parallellisme is, is in die eerste strofe het woordje ‘van’ intrigerend, drukt dat een bezitsrelatie uit? En wat is dan van de zon of van de lucht, van de plant, van de vis, van de vogel, de grond en de tijd? Het leven? Daar geeft de strofe geen antwoord op. Je kunt ‘van’ ook vervangen door “over”. De strofe gaat dan over de zon, de lucht, de plant, de vis, de vogel, de grond en de tijd. Merk op dat ‘van’ en “over” in dat geval hetzelfde betekenen.
Zie trouwens ook dat er in de eerste regel sprake is van lucht, in de laatste van grond (naast tijd), dat er in dit gedicht met andere woorden een beweging naar beneden zit.
In de tweede strofe is sprake van drie voltooid deelwoorden. Worden de “dingen” uit de eerste strofe hier misschien aan iets of iemand toegerekend, bijvoorbeeld de vogel aan de lucht, of opgeëist door iets of iemand, bijvoorbeeld de plant door de grond? Moet er ergens iets uitgesproken worden? Mmm. Is er wellicht sprake van mogelijke handelingen die we met deze dingen kunnen verrichten?
Als je het zegt, gebeurt het al: we geven betekenis aan iets zoals de conventie ons oplegt: zeg vis en de manier waarop we in ons hoofd de vis in beeld brengen, verschijnt compleet mee. Het zit in ons (taal)systeem, zeggen we dan. Zeg vis in de context van het gedicht van Tsead Bruinja en bij mij verschijnt het complete gedicht van Van Ostaijen. Dat zit kennelijk in mijn (taal)systeem. Op dat laatste verschijnsel plakken we tegenwoordig het woord intertekstualiteit. Bij ieder woord dat we gebruiken resoneert de conventie, het geheel aan betekenissen dat een woord of een zin produceert, als het ware mee. Dat geldt ook voor een heel gedicht. Het gedicht van Van Ostaijen resoneert in het gedicht van Bruinja. Voor Jane in ieder geval.
Taal schept werkelijkheid, zou je misschien ook kunnen zeggen. Ook: taal schept de manier waarop wij orde brengen in de werkelijkheid om ons heen. In chaos kunnen we niet leven.
In de derde strofe is sprake van iemand die iets roept tegen iemand anders en ontstaat er opeens iets van een verhaal: iemand roept dat je iets moet terug nemen, en opnieuw moet opdelen. Tenminste als je je aangesproken voelt. Wie is die ‘je’?
En dan is de volgende strofe opeens in het meervoud, is er sprake van een ‘ons’, maar wie zijn hier aan het woord? De dingen soms uit strofe één, die willen dat je iets (hun indeling) opnieuw ter hand neemt? Die aangehaald willen worden? Als een kat? Of geciteerd?
En dan dat sterretje, is dat ook een strofe? Een rust soms? Of is het een asterisk en duidt het op een verwijzing, of wordt er iets weggelaten en mogen we zelf bedenken wat?
In elk geval lijken de laatste twee regels over de sluizen open zetten (let op dat er een spreekwoord meezingt) ons tot voorzichtigheid te manen.

Hoe dan ook, ik lees ik dit gedicht als het leven zelf, vanaf het begin, de geboorte, tot en met het eind, de dood “tot in den eeuwigheid” (en daar duikt het onze vader al op). Via geel, blauw, groen, zwart, via de lucht, de plant, de vogel, de vis, de grond en de tijd.


http://ooteoote.nl/category/eerste-indrukken/


Kapstok
Tsead Bruinja
Uitgeverij Stichting Algemiene Fryske Underrjocht Kommisje AfÛK
ISBN 9789492176738
Dit gedicht is onderdeel van de afdeling Voorlopig land uit de bundel. De hele (tweetalige) tekst van deze afdeling is te lezen op de website van Lân fan taal.
Lees ook de recensie van de bundel op Tzum.

zondag 27 mei 2018

Tsead Bruinja - Kapstok



Engagement: warme sjaal aan kapstok, het overbelaste knaapje

De sjaal hangt speels aan een knaapje en staat afgebeeld op het titelblad van de eerste afdeling ‘in de kou een vriend vinden’ van deze zowel Fries- als Nederlandstalige bundel.

De eerste reeks is lange opsomming van disticha en terzinen met regels als: ‘in het huis van een ander wonen’, ‘de huid willen verlaten’, ‘van grond afscheid nemen’. Het lijkt te gaan om een proces van loslaten dat met gewond raken gepaard gaat en dat zich net zo lang herhaalt tot je ‘in je eigen wond [kunt] wonen’.

In de tweede het indrukwekkende in memoriam voor de in 1942 in Dachau vermoordde Friese pater Titus Brandsma oftewel Anno Sjoerd Brandsma - Bruinja draagt deze reeks aan hem op-: ‘ze schopten anno sjoerd en ze schopten titus’. (Er zijn geen leestekens en geen hoofdletters bij Bruinja).

De derde heet ‘wisseltong’ (het omzetten van een spoorwissel) dat filosofeert over soorten gelijk van de wereld, waarbij de tijd de kroon spant.

In de tweede afdeling ‘hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok’ lees ik regels als: ‘ik vergroei met de stoel/waarover ik uitloop’ (opgeblazen en uitgevouwen), is er sprake van een machinist ‘die als een pas geschoten haas/achter in mijn mond/moest besterven (ren), en, in het laatste gedicht van de reeks, van:‘ riep de leegte op/die ik toesprak’. Er lijkt een relatie geëvalueerd te worden, was de kapstok te vol?

‘Voorlopig land’, de derde reeks in deze bundel, werd ook als videokunstwerk gemaakt samen met Herman van Veen en beeldend kunstenaar Jules van Hulst. Het kunstwerk werd afgelopen voorjaar geprojecteerd op de kerk de Oldehove in Leeuwarden.


‘Zwanendrifter’ lijkt te gaan over het houden van zwanen, een omstreden tak van sport in de veehouderij. Er zijn slachtoffers, er wordt een dier (een zwaan?) of iemand gevild: ‘van kruin tot kruis /door mijn tere huid getrokken’ (verlichting), ‘en zo zeggen wij dank/voor de sterke benen die je ons gaf/en de weke nek’ (volksheld).

Lijkt, schrijf ik steeds, dat komt omdat ik er niet altijd zeker van ben. Bruinja schrijft vaak mooie, duidelijke regels, maar laat de lezer, in elk geval deze lezer, wat het verband ertussen betreft regelmatig in de steek. Aan de andere kant, opper ik voorzichtig, kun je deze gedichten ook zien als uitgestalde tekens, letters en woorden op een pagina, verwijzend niet uitsluitend naar vastliggende maar ook naar mogelijke betekenissen. Te lezen als een abstract schilderij. De delen van het gedicht breng je als lezer zelf in (nieuw) betekenisverband, je bouwt het gedicht als het ware (opnieuw) op.



Wij komen uit zee


Ik wilde een kind

Maar mijn man was van plastic

Ik wilde een triomf


Prachtig komen deze gedichten overigens uit als je Soundcloud-opnamen van ze beluistert. Bruinja heeft een gelijkmatige ritmiek, vleiend, veroverend, strak, geen gekke accentdingetjes of hinderlijke spraakafwijkinkjes, ook geen geslis of geslik. Bruinja is, kortom, een goede performer. Hij schrijft nu al zo’n twintig jaar de éne bundel na de andere, treedt op in binnen- en buitenland en vergeet zijn roots in het Fries/Groningse niet. Als dichter Anneke Claus in haar gedicht ‘Veen, geen’ schrijft ‘Wie zet het Noorden nu weer/op de kaart’ kunnen we zeker ook aan Tsead denken.


Jane Leusink

Tsead Bruinja – Kapstok 2018. Afûk, Ljouwert. 107 blz. € 18,50

maandag 9 april 2018

Dmitri Danilov - Het saaie, het gewone. Hieruit: 'Het kleine, het schamele'

                  

Het kleine, het schamele

De zogeheten ‘jaren’ ‘gaan door’

En wat steeds en steeds interessanter wordt

Dat is al het kleine, het nietige, het schamele

Al het oninteressante, het saaie

Het alledaagse, het doodgewone

De hoofdstraat

Zoals in sommige Amerikaanse steden

Main street

Net als bij ons

De hoofdstraat, een paar evenwijdig lopende straten

En een heleboel loodrechte dwarsstraten

Van die doodgewone flatjes, grijs en grauw

Van vier verdiepingen, van drie verdiepingen

Van twee verdiepingen

Het treinstation

En het busstation

Het nieuwe station met plastic stoeltjes en kunstgras

Of het oude, met oude houten bankjes

En echt gras

Een knollentuin waar de bal overheen huppelt

Op zo’n veld kan een team

Met veel spelers met veel techniek

Niet zo goed uit de voeten

Terwijl een team

Van spelers met weinig techniek

juist goed uit de voeten kan

In de Engelse boerenkoolstijl

Over de flank voorzetten, een voorzet

Een kopbal, en misschien wel een goal

De stoffige straten

De winkel die dag en nacht open is

Alcohol tot negen uur te koop

Maar ook wel daarna

In principe, waarom ook niet

Al het kleine, het nietige

En het schamele

Doen mij meer en meer

De dingen die zomaar rondslingeren

De dingen die nergens meer voor deugen

De kleine verkreukelde bussen

En de kleine oude auto’s

Zo’n Zjigoeli uit het jaar nul

Of zo’n Moskvitsj uit Izjevsk

Slechte, vervelende boeken

Bijvoorbeeld zo’n sovjetboek

Over hoe twee sovjetsportjournalisten

‘De wijken’ ingaan

En daar zogeheten

Misstanden aan het licht brengen

Het kwaad wordt gestraft, aan het eind

Lijkt het goede te zegevieren

Dat is zo aandoenlijk

Je voelt bijna de waterlanders komen

De kleine, de zwakke

Voerbalteams

Uit de derde divisie

Of uit de districtscompetitie

Die van het district Moskou bijvoorbeeld

Wat zijn ze schattig en lief

Die schamele teams

FC Torpedo Ljoebertsy

FC Kraskovo (regio Ljoebertsy

FC Jeugd Zilveren Vijvers

FC Olimp-SKOPA (de stad Zjelesnodorozjny)

Wat een rare naam

Alsof er geen andere naam te verzinnen was

Olimp-SKOPA

Wat een rarigheid

Maar ook die rare naam

Voegt op de een of andere manier

Iets van extra sympathie of zo toe

Of zelfs, in zekere zin

Liefde

Als je dat zo mag zeggen

Een uur of drie op een bankje zitten

En dat er dan niets gebeurt

Trieste saaie vertrekken

Gangen en kamers

Was onlangs

Op een fototentoonstelling

Het project behelsde

Het fotograferen van lege, verlaten

Interieurs van een stad in Karelië

Het ziekenhuis, de polikliniek

De kleuterschool, iets van kantoren

En meer van dat soort dingen

Wat was dat toch prachtig allemaal

Je raakte niet uitgekeken

Op die prachtfoto’s

Die het saaie en alledaagse hadden vastgelegd

En nog een ander fotoproject

Een man reist kleine stadjes af

En fotografeert kleine stadions en voetbalvelden

Bespeeld door piepkleine, nietige

Voetbalteams

Koevsjinovo (district Tver)

Poljarny (district Moermansk)

Valdaj (district Novgorod)

Enzovoort

Je kunt die foto’s

Wel vijftig of honderd keer bekijken

Er staan zoveel dingen op

Die je blij maken, heel erg blij maken

Dat onze wereld

Geilt op ongewoonheid

Oorspronkelijkheid

Opzichtigheid en andere <krachtterm>

Nog mensen kent die aandacht besteden

Aan het kleine, het saaie en het gewone

Omdat niets zo interessant

En zo schitterend is als

Het kleine, het schamele

Het saaie, het gewone

Je moet alleen wel een beetje aandachtig kijken

Goed kijken

En onze alledaagse, krankzinnige werkelijkheid

Begint te stralen in onmogelijke kleuren

Of, wat je ook kunt zeggen, te schitteren

Je moet alleen wel goed kijken, aandachtig kijken

Aandachtig en goed kijken

Aandachtig en goed

                                                           28 mei 2014

 De tijd verstrijkt, lijkt Dmitri Danilov te willen benadrukken met de aanhalingstekens in regel 1 en alles wat hij (of wij) normaliter oninteressant vinden wordt steeds boeiender. Opvallend kenmerk in het gedicht is het ontbreken van een ik-perspectief, met als gevolg dat de lezer geneigd is het gelezene ook op zichzelf te betrekken: o ja? Vind ik dat ook?
Geraffineerd.

Er volgt een uitvoerige opsomming van al dat boeiends verspreid over drieënhalve bladzijde. Je kunt het zo gek niet bedenken of het komt aan bod: de hoofdstraat, het treinstation, het busstation, het stadion, de winkel, de bussen, auto’s boeken, voetbalteams, het zitten op een bankje, vertrekken, gangen en kamers.

 Waar hij is aangeland bij ’De dingen die zomaar rondslingeren’ doet Danilov me onweerstaanbaar denken aan het verhaal ‘Tranenthee’ in het Gouden Boekje van Arnold Lobel Bij uil thuis. Uil besluit een kopje tranenthee te gaan zetten en gaat, om zijn waterketel vol te krijgen, de akeligste dingen bedenken. Ik vis het boekje uit onze kinderboekenkast en lees onder andere: “Lepels die achter het fornuis zijn gevallen en die je nooit meer terugvindt[…]En potloodjes die te klein zijn geworden om vast te pakken”. Uil huilt de ketel vol tranen en geniet even later van een heerlijk kopje tranenthee.

 Overigens, niet alleen de dingen zelf vindt de dichter Danilov interessant, en zoals hijzelf verderop zegt: aandoenlijk, ook de foto’s ervan kun je ‘Wel vijftig of honderd keer bekijken/Er staan zoveel dingen op/Die je blij maken, heel erg blij maken’.

Neemt hij ons, lezers, soms in het ootje?

Danilov versterkt zijn opsommingen met nogal apart en verrassend commentaar en kadert ze zo effectief in: ‘Voetbalteams/Uit de derde divisie[…]Wat zijn ze schattig en lief’. De naam Olimp-SKODA is natuurlijk wel raar ‘Maar ook die rare naam/Voegt op de een of andere manier/Iets van extra sympathie of zo toe/Of zelfs, in zekere zin/Liefde/Als je dat zo mag zeggen’.

Ironie of spot -uiteraard op de loer- blijkt geheel te ontbreken.
Nee, de dichter neemt de lezer zeker niet in het ootje, maar neemt hem daarentegen mee in zijn exuberante enumeraties van de gek genoeg boeiende sleur van het grijze dagelijkse. Knap.
 

Aan het eind van zijn gedicht schrijft Danilov dat weliswaar niets zo schitterend is als het alledaagse, maar dat je het wel moet willen zien. Het is dus zaak aandachtig te kijken (vier keer herhaald). Het is zijn dwingend devies dat je meevoert in een haast trance-achtige ervaring.

Tenslotte kun je het alleen nog maar hartgrondig met hem eens zijn. Hoe heeft hij dat voor elkaar gekregen, vraag je je vervolgens verbaasd af, en je begint weer opnieuw te lezen. Overigens schijnen er aldus de uitgevers ook lezers te zijn die dit geschrijf compleet geouwehoer vinden.
 

 
We mogen deze poëzie ongetwijfeld zien als Danilovs post-postmodernistische reactie op de postmodernistische vrijblijvendheid in de (onder andere Russische) kunst van de laatste tientallen jaren. Het is het interessante onderzoeksobject van hoogleraar moderne letterkunde/Slavistiek, Ellen Rutten aan de UVA. Zij signaleert ook in de contemporaine Russische kunst en literatuur een al tijdens de perestroika geboren hang naar nieuwe oprechtheid en compromisloze eerlijkheid -zoals bijvoorbeeld zichtbaar wordt in de optredens van Pussy Riot en de activist Aleksej Navalny. Een reactie op de leugenachtige eis tot oprechtheid van de achtereenvolgende leiders van de revolutie van 1917.

 Het saaie, het gewone

Dmitri Danilov

Uitgeverij Douane

Isbn 978-90-827231-0-6