dinsdag 16 januari 2018

Benno Barnard - Het trouwservies, hieruit 'Ode aan Joy'


   
                                        

http://ooteoote.nl/2018/01/ei-75-benno-barnard-ode-aan-joy/
Vreugde, vreugde 'Ode aan Joy'

Ode aan Joy
Gewijd aan jou zijn door mannen al veel
te veel bezweringen, incantaties, liederen,                       
bijvoorbeeld over je losse haren, door                                 

 de handen van de wind geknoopt, verstrengeld
en dan verward als het hart van je zanger.
Ik zou dus moeten kunnen zwijgen, alleen:

 er is dat angstaanjagend vrouwelijke
van mij doen meeduizelen met het draaien
van je gehaaide hoge hakken, zoals

het meekantelen van mijn gedachten
in het enjambement, of het verkeren
van mijn gevoelens in een hitsig verlangen

maar nu gluren we al naar de schaduwrijke
plek waar ik mij neer wil vlijen, de bron

 waar het leven opwelt, schat … inderdaad,
ginder tussen je dijen, aan de rand van je rok. –
En nu je zo koket je lippen retoucheert:

 het is je vast ooit opgevallen dat de lipstick
tevoorschijn komt als uit zijn voorhuid
de hondenpik? Ja kind, alles is seks,

 en wij mannetjeszangers maar sublimeren.
Vergeef ons in de kerk van de H. Emancipatie,
waar de geslachten ongeslachtelijk met elkaar                                 

verkeren … o mij best, ik zwijg al weer, maar
gedenk het scheuren van je maagdenvlies:
wanneer Joy glimlacht, breekt het trouwservies.

Negen strak opgezette, drieregelige strofen, in hoofdzaak jamben met hier en daar, ter verlevendiging, een dactylus of een trochee, telt Barnards lyrisch gedicht Het trouwservies.

Rijm en assonantie worden niet geschuwd. Ziehier de ouderwets aandoende - het genre van de ode was populair in de renaissance maar werd al in de oudheid beoefend - lofzang op Joy, echtgenote van Barnard. Ze zijn beslist niet gisteren getrouwd, het trouwservies vertoont barstjes en scheurtjes van ouderdom. These are private words adressed to you in public, schrijft Barnard naar T.S. Eliot als motto aan het begin van de afdeling. Hij spreekt Joy toe zoals dat hoort in een klassieke ode. Niet door haar op lyrische wijze als een heldin te vereren. Integendeel, hij doet dat juist door zichzelf te verkleinen, zich als een door seks beheerst mannetjesdier af te schilderen. En daar genoegen aan te beleven. Hij heeft het ongetwijfeld overwogen, maar Barnard wilde geen echte porno schrijven, daarvoor is hij nu eenmaal veel te highbrow en subtiel in zijn beeldkeuze. Nee, het gedicht is een en al sublimatie, zoals hij zelf zegt in de een na laatste strofe. Maar dan wel geraffineerde sublimatie.

 In de eerste twee strofen wordt Joy bezongen, niet door hemzelf maar via ‘mannen’ die haar prijzen in allerlei teksten: bezweringen, incantaties, liederen […] bijvoorbeeld over je losse haren, door//de handen van de wind geknoopt, verstrengeld […]’. Hij zou zich daar niets van moeten aantrekken, maar toch, hun beelden nestelen zich in zijn hoofd en zijn fantasie brengt dat hoofd op hol. (Incantaties zijn toverachtige bezweringen, jl).

Waarmee de tweede sublimatie wordt ingezet: hij spreekt daar over het draaien ‘van je gehaaide hoge hakken’ en het ‘het meekantelen van mijn gedachten/in het enjambement.’ Wij, tenslotte geraffineerde lezers, ontkomen hier niet aan onze eigen fantasie die maakt dat we hier (ook) de seksuele daad in lezen. Waarna Barnard, die dat ongetwijfeld voor ogen stond, nogal ontnuchterend schrijft dat dat helaas alleen in de taal gebeurt. Het ‘in het enjambement’ is subtiel geplaatst, je hoort de dichter gnuiven bij het opschrijven.

Zijn beschrijving maakt ook zijn eigen ‘hitsig verlangen’ wakker. Let op de mooie regel ‘bij de toverslag van het formuleren’ (een incantatie, zie hierboven). Het eeuwige wonder van de taal voltrekt zich onder de handen van de schrijvende dichter: taal schept werkelijkheid.

Hij gaat direct op zoek naar een schaduwrijke plek om zich neer te vlijen ‘de bron waar het leven opwelt’. We ontkomen er ook nu niet aan, we zien hier eerst een romantisch ongetwijfeld, mosrijk plekje in het bos onder een boom met een bron ernaast. Pas daarna lezen we: ‘ginder tussen je dijen aan de rand van je rok.’ Tja, wie is hier nu eigenlijk wie aan het opvrijen? Let op het effectieve rijm: vlijen – dijen.

 Dan de volgende sublimatie. De rauwe directheid van de combinatie seks en het dierlijke beneemt je bijna de adem:

‘het is je vast ooit opgevallen dat de lipstick
tevoorschijn komt als uit zijn voorhuid
de hondenpik?'

'Ja kind alles is seks,’ zegt de dichter tegen Joy (en de lezer) en verklaart zichzelf met een nogal gedateerd aandoende veeg uit de pan:

‘en wij mannetjeszangers maar sublimeren.
Vergeef ons in de kerk van de H. Emancipatie,
waar de geslachten ongeslachtelijk met elkaar//verkeren … […]

In welke tijd leeft deze dichter eigenlijk? Nog steeds in de zestiger/zeventiger jaren toen tijdens de tweede feministische golf heel wat heilige mannenhuisjes ter ziele gingen? Gezien zijn leeftijd, ja.

Hij kruipt overigens snel in zijn schulp met alweer zo’n typische mannenopmerking:

‘o mij best, ik zwijg alweer. Maar
gedenk het scheuren van je maagdenvlies:
wanneer Joy glimlacht, breekt het trouwservies.’

Tussen trouwen, het stel krijgt een servies, en het breken van dat servies zit dertig jaar (zo lang blijkt de dichter getrouwd-zie het gedicht CXIII elders in Het trouwservies, de bundel heeft zijn titel ontleend aan het gedicht). Kijk je nu allereerst naar de taal dan valt op dat tussen vlies (maagdenvlies) en vies (trouwservies) maar één letter verschil zit, de l. In die laatste lettergreep, vies, hóór je de voorafgaande strofen resoneren. Je zou haast zeggen: als commentaar van de dichter op wat hij daar schrijft: vies, bah. En misschien ook als commentaar op jezelf, die hij zo fijn heeft laten meegenieten en beet genomen. Je kunt het je afvragen.

 Zoals er overigens ook dertig jaar zit tussen het scheuren van Joy’s maagdenvlies en het breken van het trouwservies. ‘Breken’, we kunnen het overdrachtelijk én letterlijk lezen. Een dertig jaar oud servies vertoont immers allerlei lijntjes en barstjes, adertjes in het porselein? De tijd is er niet aan voorbij gegaan. Net zoals het huwelijk van de dichter niet aan de tijd is ontkomen, ook dat vertoont scheurtjes. Bovendien, symboliseert het huwelijk niet de onverbrekelijke band tussen man en vrouw? Het is een treffend beeld dat Barnard hier schetst. Het geeft aan dat hij een man is van traditie.

 En wat te denken van Joy’s glimlach? De dichter smeekt haar om aan de eerste keer te denken dat ze met elkaar naar bed gingen. Het lijkt haast een wanhopige oproep om niet te vergeten hoe het was, ooit. Moet ze daarom glimlachen? Liefdevol, misschien zelfs moederlijk. Of treurig? Ze kent hem na zoveel tijd immers door en door, haar zanger, haar romantische, seksistische, anti-feministische maar ook ontwapenende en geestige taalvirtuoos?

Opvallend is dat de dichter hier Joy niet meer toespreekt maar óver haar spreekt. Hij zet haar op een voetstuk en op afstand. Hij zet daarmee ook ons, lezers, op afstand, daarmee de ‘feitelijkheid’ van het breken benadrukkend. En breekt op dat moment het oude servies misschien om de weg vrij te maken voor een nieuw, als een nieuw begin?

Kan taal ook dat bewerkstelligen? Een dichter als Barnard zal dat nooit ontkennen. Door aan het scheuren van haar maagdenvlies te refereren spreekt hij zijn hoop uit.

 Het gedicht met zijn romantisch beschrijven van de geliefde met haar losse haren in de wind. En van de natuur met zijn schaduwrijke plekjes bij een bron, het teken van nieuw leven, doet denken aan de liederen die minstreels in de middeleeuwen voor hun beminde zongen. Dikwijls in de standaardbewoordingen die ook Barnard kiest. Ook toen diende het beschrijven van haar schoonheid en de ontmoeting op een lieflijke plek, een locus amoenus, als een kracht waarmee zij gewonnen kon worden. De natuur stelde zich helpend op. De dichter schrijft hier weliswaar binnen een traditie, maar die keert hij in letterlijke zin om. In de ogen van andere ‘mannen’ is zij een en al lieflijke pracht, bij hem roept die echter hitsigheid op. Hij verantwoordt zich in de laatste twee strofen van het gedicht. Dat krijgt zo het karakter van een boetedoening. Het beschrijft, en dat doet Barnard rücksichtlos, de complete geschiedenis van een liefde. Oprecht en vanaf het begin.

 Inmiddels weten we dat Barnards geadopteerde dochter Anna iets meer dan een jaar geleden bij een tragisch verkeersongeluk is omgekomen. Ze was pas achttien jaar. Het hele gedicht en vooral de slotstrofe komt daardoor in een ander, dat licht, te staan. Het breken van het trouwservies staat nu ook symbool voor de dood die ruim baan kreeg.

Barnard zelf heeft ongetwijfeld aan zijn geliefde dichter W.H Auden gedacht die schrijft:
‘And the crack in the teacup opens/A lane to the land of the dead.’ (As I walked out one evening).

Aansprekend en symbolisch voor hoop is Leonard Cohens bekende lied: ‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in.’

Zie ook mijn (jl) bespreking van Barnards bundel op https://www.tzum.nl 

Het trouwservies
Benno Barnard
Uitgeverij Atlas Contact
ISBN: 978 90 254 5150 9
http://ooteoote.nl/2018/01/ei-75-benno-barnard-ode-aan-joy/

Ik was eigenlijk met iets anders bezig. Het gebruik van verboden woorden.

Ik was eigenlijk met iets anders bezig (een bespreking van een gedicht van Benno Barnard op mijn blog zetten) en toen gebeurde onverwacht dit: een fijne recensie van Joep van Ruiten op Woest en Ledig van Tot alles goed strak staat uit 2011. Ik word niet verwend met recensies, dus ik plaats hem hier graag.
Nog altijd is het een zin die me raakt: het is rustig hier op het eiland.
Het gedicht dat eruit is voortgekomen heet 'Alleen geen rood'. Het staat in mijn eerste bundel Mos en gladde paadjes (2003) en begint zo:
 
'Het is rustig hier op het eiland,
op deze open plek in het bos
is het licht'.
 
Jane Leusink en het gebruik van verboden woorden
Jane Leusink (foto Dolf Verlinden) weet het nog, het moment waarop ze door de ‘muze' werd bezocht. Het was omstreeks 1994. Ze zat 's avonds in de auto op weg naar huis en luisterde naar de radio. Opeens hoorde ze een stem de volgende zin uitspreken: ‘Het is rustig hier op het eiland.' Zeven, tamelijk alledaagse woorden. En toch raadselachtig.

donderdag 4 januari 2018

Recensie: Benno Barnard – Het trouwservies


 
Een mens is een mens door andere mensen
Het verstrijken van de tijd en daarmee van zijn leven, is het overheersende thema van Benno Barnards forse, klankrijke, uiterst strak gecomponeerde bundel Het trouwservies, waarin de gedichten alle bestaan uit drieregelige, soms van rijm voorziene strofen met daarin regelmatig meezingende lievelingsdichters. Kan het biografischer, intellectueler, maar ook, kan het traditioneler?

Barnard zou echter Barnard niet zijn als hij in ‘Goede raad’ niet ook schrijft: ‘Jochie, kijk uit voor het rijm dat bedwelmt’. De gedreven dichter die hij is, aan wie de laatste veertig jaar poëziegeschiedenis niet ongemerkt voorbij zijn gegaan en die gewend is geen blad voor de mond te nemen, schrijft in gedicht III van de afdeling ‘Gebed zonder eind’: 

Ik overwoog de heiligheid van gedichten.

Nogal wat dichters waren dogmatische gekken

en de tempels van hun dichtkunst oorden

 
van intolerantie, waar onvertogen woorden

over de woorden vielen, waar logge ideeën omtrent

de werkelijkheid en haar kale mimesis

 
ruzie zochten. Maar soms zat een muis in de onverlichte

hoek van een onopvallend enjambement

heimwee te hebben naar haar oorspronkelijke plekje […]


 Barnard heeft het allemaal meegemaakt. Zijn commentaar snijdt: ‘de plechtstatiger reiger zocht naar vis/en niet naar God; de bureaulamp was geen giraf/die haar nek uitstak;’ Soms moet je overdrijven om foute enjambementen aan de kaak te stellen, eroverheen gaan. Mooie voorbeelden zijn dat.

 Het postmodernisme, waar Barnard aanvankelijk een rol in speelde (eind jaren tachtig van de vorige eeuw) omhelsde hij de poëzie van postmodernistisch dichters als Spinoy en Van Bastelaere. Het postmodernisme krijgt er echter flink van langs in ‘Vaderdromen’ waarin de vader lacht om de ‘postmoderne bekommernissen’ van zijn zoon. En in ‘Goede raad’ klinkt het luidkeels: ‘Minacht het postmodernisme/het heeft geen kloten’. Barnard is er, zoals ook Spinoy (Van Bastelaere koos een andere weg) dwars doorheen gegaan. 

 Barnard is een verklaard darwinist. In de ontroerende afdeling ‘Darwins dieren’ eert hij in aansprekend parlando apart de schildpad, hond en haas. In ‘De schildpad’, noemt hij april de tijd ‘van de warmbloedige schepsels met hun ongemakkelijke herinneringen en hun afschuwelijke kwetsbaarheid’. Dat is treffende zeggingskracht  van de dierenliefhebber die zichzelf niet spaart, de eerste regel van deze reeks luidt dan ook veelzeggend: ‘Ik ben altijd weer ontevreden in het dode leer/van mijn schoenen’. Na een aanrijding spreekt hij de haas toe en heeft het over ‘- mijn lafheid en jouw pijn, […]’

 De bundel in zijn geheel is een vitale, ook ontroerende hommage aan Barnards vader, de dichter Guillaume van der Graft, aan zijn huwelijk, zijn vrouw Joy, zijn kinderen. Zijn geadopteerde dochter Anna stierf bij een verkeersongeluk, nu iets meer dan een jaar geleden, de tragiek uit zich doordat hij niet over haar schrijft, niet over haar kán schrijven. Het enige gedicht aan haar gewijd schreef hij al voor dat ongeluk: ‘Voor een geadopteerde dochter’.

Aan zijn zoon Christopher draagt Barnard de afdeling ‘Gebed zonder eind’ op die bestaat uit maar liefst tien lange gedichten: ‘Er kwam een storm op ons af toen ik vader/zou worden’. Zo begint de eerste. De laatste eindigt subtiel met: ‘er komt storm en ik moet nog vader worden.’ Maar veel gedichten van deze reeks lijken vooral Barnards eigen preoccupaties te behelzen. Gezien het cadeautje voor Christopher als hij achttien wordt, lijkt zijn niets ontziende eerlijkheid tegenover zichzelf hier soms ook op koketteren.

Uitgebreid komt zijn zestigste verjaardag voorbij: ‘Alweer november en je wordt godsamme zestig’. Hij wijdt er de uit vijf gedichten bestaande afdeling met de onuitsprekelijke titel ‘Umuntu Ngumuntu Ngabantu’ aan: a person is a person through other people.
 
De afdeling waaraan de bundel zijn titel ontleent kreeg de opdracht ‘Voor Joy’ mee met een citaat van T.S. Eliot: ‘These are private words adressed to you in public.’  Het eerste gedicht heet, met een typische Barnard-geestigheid, ‘Sonnet CXIII’ (Shakespeare, jl) Het sonnet waarin de ik in de natuur niets anders meer kan zien dan de contouren van de bij hem weggelopen geliefde. Barnard daarentegen schrijft:

Ik ben een puber van zestig en mijn gemoed,

gevoelig gebleven voor melkwegen, slaat vijftien

glazen achterover om een beetje te zwijmelen

 
en te rijmelen: ik zie haar handen een stras

van sterren in haar haren vlechten – kijk eens aan,

ze schittert weer even als het mokkel dat ze was.


 Je zou om minder al blij worden.


 

dinsdag 12 december 2017

Jan Glas – Het waaide er, hieruit 'Polderland'.





Cover_JanGlas4



http://ooteoote.nl/2017/12/ei-70-jan-glas-polderland/



                            
Polderland

Ik was het eerste kind en werd Konijn

genoemd, de zoon van een Koningin, een moeder

die alles zelf naaide: een berglandschap

waar in ons polderland geen plaats voor was,

een trein die in één keer doorreed naar Parijs,

niemand die daar in 1967 belang bij had.

 

Midden in de Koude Oorlog naaide ze

de zwartste dag; het moment waar iedereen

bang voor was. Nu nog word ik soms wakker

van het gebrom van een naaimachine in de nacht.

Wat die tijd zo anders maakte: we hielden niet

van politici, we hielden van onze buren.

 

‘Polderland’ geschreven vanuit het ik-perspectief door een (eerste) zoon die met zijn gedicht een jeugdherinnering oproept en daarmee een hommage brengt aan zijn moeder. Het gedicht bestaat uit twee strofen van elkaar gescheiden door een opvallende verandering van toon en tijd, onbezorgdheid tegenover angst, verleden tegenover heden. Als Glas de sonnetvorm had gekozen voor zijn gedicht zou je op deze plek spreken van een volta.

In de eerste strofe introduceert de ik zichzelf met de naam Konijn, die de zoon was van een Koningin. Voorwaar geen naam waar een jongen blij mee hoeft te zijn, een konijn staat immers voor zacht, lief, kwetsbaar, aaibaar. Maar het tegendeel lijkt het geval, niet alleen schrijft de dichter hun beider namen met een hoofdletter, hij laat ook zien dat ze beginnen met maar liefst vier dezelfde letters: de k, de o, de n en de i en als slotletter de n. Kan trots en verbondenheid nog explicieter worden uitgedrukt? Zelfs de taal werkt mee. Je wordt dan wel ‘Konijn’ genoemd maar je krijgt er een ‘Koningin’ voor terug. Ze borrelen op, maar je denkt hier niet echt aan een verwijzing naar die gelijknamige maar minder prettige figuren uit Alice in Wonderland.

Bovendien, de moeder lijkt allereerst koningin, pas daarna moeder. Volgt een effectief enjambement met de nogal abrupte, daardoor ironisch aandoende derde versregel ‘die alles zelf naaide’. Een dubbelzinnig werkwoord dat niet alleen verwijst naar het naaien op een naaimachine. Ik neem aan dat de dichter weet heeft van deze connotatie en deze hier met opzet inzet: verwarring zaaien, het gaat hier natuurlijk wel om een zeer speciaal iemand.

Hoe dan ook, de dichter vervolgt met een wederom bizar-ironische opsomming van wat de koningin-en-moeder allemaal op die naaimachine naaide, geen jurken of broeken in elk geval, wat alle moeders toen nog deden. Maar: een berglandschap, ja, dat heb je in de polder niet voorhanden; een trein die in één keer doorreed naar Parijs, ook dat bestond in de tijd van de dichter nog niet, het was overstappen geblazen in 1967, in ieder geval vanuit Uithuizen (de dichter is in het polderdorp Uithuizen geboren). Overstappen moest je in de stad Groningen, in Zwolle, Amsterdam, Brussel wellicht. En wie ging er in 1967 nou uit Noord-Groningen helemaal naar Parijs? Men had er geen belang bij, schrijft Glas die hier een typisch Groningse streektaaluitdrukking gebruikt. Laat staan dat die enkeling ook nog in één keer door wilde reizen naar Parijs, je was al blij dat je er kon komen, stel ik me zo voor. Met al dat overstappen deed je er toch nog wel een uur of negen over. Ja, de dichter is wel degelijk afkomstig van het platteland.

Wat een opsomming trouwens, bergen én Parijs. En wat een moeder dat ze dáár haar fantasie op los liet. Ze had natuurlijk foto’s gezien in een tijdschrift, foto’s waarop berglandschappen te zien waren, of Parijs met de Eiffeltoren. Ze kon daarmee daadwerkelijk haar verlangen naar avontuur, naar verre landen en steden uitdrukken. En je voelt ook hier de grenzeloze bewondering van de ik voor zijn Koningin, zijn moeder. Ze toverde hem een buitenwereld.

Maar waarom dan toch in de derde versregel dat dubbelzinnige woord ‘naaien’ gebruiken, zo pats boem zonder er ‘op de naaimachine’ aan toe te voegen? Is de gehele eerste strofe misschien opgezet om de dreiging die uitgaat van de tweede in te leiden, evenals het effect van beide op de dichter in het heden?

De Koningin tovert hem in de tweede strofe het gevaar dat in de buitenwereld dreigt. Ze naait  midden in de Koude Oorlog de zwartste dag: ‘[…]het moment waar iedereen/bang voor was’ (r. 8,9). Welk moment dat was, schrijft de ik niet op. We worden kennelijk geacht dat zelf in te vullen. En ja, de grijze hersencellen van deze lezer gaan meteen aan het werk: de angst dat de atoombom zou vallen en er een kernoorlog tussen Amerika en de Sovjet-Unie uit zou breken, de angst voor radioactieve straling die vrij zou komen en ons allemaal zou vernietigen. In het provinciale Nederland kregen we in die tijd van de overheid ook provinciale adviezen: ga onder de trap zitten, neem een knijpkat mee; het stond in de huis-aan-huisfolder die alle huishoudens in Nederland ontvingen. Of dit de invulling is die Glas van zijn lezers verwacht? De lezers zijn daar vrij in.

Inderdaad het ergste, het zwartste, valt niet op te schrijven, dat heeft de dichter goed aangevoeld en effectief ingezet. Zelf schrijft hij, en we bevinden ons nu abrupt in het heden: ‘Nu nog word ik soms wakker/van het gebrom van een naaimachine in de nacht.’ (r. 9,10). We bevinden ons ineens midden in de Tweede Wereldoorlog; in alle oorlogsboeken die je las en die de dichter ongetwijfeld ook heeft gelezen kwam dat voor, het gebrom van vliegtuigen die ’s nachts over ons land vlogen op weg naar Duitsland of vice versa naar Engeland. Er zit nu merkbare subtiele ironie en relativering in het gebruik hier van het woord ‘naaimachine’: naast het veiligste het ergste zetten. De ik wordt in zijn dromen terug geworpen op zijn jeugd. De Koude Oorlog doet zich voor als Tweede Wereldoorlog. Alles wordt samengebald in het geluid van de naaimachine uit die jeugd, die daarmee ook het beeld van de koningin en moeder weer levendig oproept. Maar ook Camperts ‘Alles zoop en naaide/heel Europa was één groot matras’ resoneert hier. Wellicht kunnen deze regels verwijzen naar het ‘eerste kind’ in r. 1. Wellicht ook werden de andere kinderen uit het gezin in die angstige Koude-Oorlogsperiode geboren.

Volgen de wederom bizarre, ironische en ontnuchterend concluderende slotregels:

‘Wat die tijd zo anders maakte: we hielden niet

van politici, we hielden van onze buren.’ (r. 11, 12)

Waarmee het gedicht terugkeert naar het begin: Polderland. Waarmee het gedicht opeens ook vooruit lijkt te wijzen naar de hedendaagse actualiteit. Het polderland van Noord-Groningen destijds,  uitvergroot tot het Nederland van nu en de reactie op de buitenwereld (waarbij zo’n onbevreesde koningin-en-moeder ontbreekt).

Het gedicht bestaat uit twee strofen van elk zes versregels met een breuk na de eerste strofe. Er is sprake van alliteratie: Konijn, Koningin (let dus op de letters). Van assonantie: Konijn, trein (volrijm), Parijs. Naai(en)(de), plaats, Parijs. Landschap, had, zwartste, dag, bang, wakker, nacht, anders. Ritmisch werken de drieslagen: ‘plaats voor was’(r. 4), ‘belang bij had’ (r.6), ‘bang voor was’(r. 9). En ook in de laatste regel zien we ontnuchtering door klankcombinaties die nog niet eerder in het gedicht werden toegepast: ‘politici’ en vooral, met een lange klankuithaal ‘buren’. Het dichtbije, je denkt het uitroepteken erachter. ‘Polderland’ is een uiterst compact gedicht, mede door de verticale binding die ontstaat door de hierboven opgesomde vormeigenschappen.

Het gedicht draait uiteindelijk om de tegenstelling tussen de eerste en de tweede strofe: de eerste onbezorgd, met een sprookjesachtig gezin en exotische vergezichten. De tweede dreigend, met oorlog en zelfs totale vernietiging. Een verlies van onschuld? Een oproep om ook nu niet van politici te houden, ze niet te volgen, met de Koude Oorlog en de Tweede Wereldoorlog als schrikbeelden van wat er kan gebeuren als je dat wel doet? Weer terug naar de jaren zestig en van onze medemensen houden? Moet de kunst zich bezighouden met de vergezichten uit de eerste strofe of zich engageren met de politiek uit de tweede? 

 

Het waaide er
Jan Glas
Uitgeverij kleine Uil
ISBN: 9789492190567//ePub: 9789492190574


https://www.kleineuil.nl/manufacturer/jan-glas




























https://www.kleineuil.nl/poezie/het-waaide-er-details
 

dinsdag 14 november 2017

Recensie Martijn Benders - Nachtefteling



Taalgrappenmaker

Shut up, kiss me, hold me tight

 
 
 










Je doet net of ik er niet ben. Of ik een meubel ben,

ooit in een opwelling aangeschaft, duur genoeg
 
    om niet aan de straat te zetten, maar verder

    zo opwindend als belegen brood. Wel,

    wentelteefje van mijn hart

    hoe lang moet de huisraad nog wachten

    voor de stort daagt? Dagelijks vind ik mijn kracht

 

    in het tutoyeren van de taal zelf. Ik noem de aanschijn

    bijvoorbeeld het konterfeitsel, gewoon omdat het kan.

    Maar in jouw woordenkast nooit een melkman.

 

    I wish the milkman would deliver my milk in the morning

    I wish the milkman would deliver my milk when I’m yawning”

    […]  

    "

(volgt een dubbele herhaling van deze twee regels-jl)

Zonder enige gêne spreekt de dichter-ik hier over zichzelf als ‘meubel’, belegen brood’, ‘dé huisraad’ dat naar de ‘stort’ moet (een klankdingetje). We volgen zonder problemen de tekst en raken zelfs ontroerd, niet in de laatste plaats door het ‘wentelteefje van mijn hart’. Alliteratie, binnen- en eindrijm laten de strofe stromen. Maar het echte drama betreedt het gedicht in het enjambement, na ‘kracht’; we schrikken op door de wending daar en het wentelteefje van mijn hart krijgt vanzelf iets bijtends, weg ontroering. Wat een tegenstelling ook! Mogen we trouwens bekend veronderstellen dat wentelteefjes van oud brood gemaakt worden en dat ze zowel gewonnen als verloren brood (pain perdu) heten? Een aardig vondst.

In de tweede strofe is de toon veranderd. De nu zelfverzekerde ik voelt zich zo op zijn gemak bij de taal dat hij er je en jij tegen zegt, zich zelfs bepaalde vrijheden veroorlooft: hij stelt het woord ‘aanschijn’ gelijk aan het woord ‘konterfeitsel’. Maar hoezo? Beide woorden betekenen toch ongeveer hetzelfde? Nou, gewoon omdat het kan, zegt de dichter. Niks aan de hand? Iets, misschien wantrouwen, begint bij het verder lezen mee te resoneren, we zijn op onze hoede. Er was ook al die opvallende wending van strofe 1 naar strofe 2. En bij ‘aanschijn’ ligt het voor de hand te denken aan de uitdrukking: in het zweet zijns/uws aanschijns werken, de straf van God aan Adam en Eva als hij ze uit het paradijs verwijdert (Genesis 3). Klaarblijkelijk is zoiets eenvoudigs als het gelijk stellen van aanschijn aan konterfeitsel voor de dichter een zware (maar handig in de taal verstopte) klus. Het gaat in het gedicht bovendien om een relatie die uit de rails dreigt te lopen, het paradijs van weleer lijkt ver weg. En de dichter barst los in het venijnige ‘woordenkast’ en de gedachte aan ‘schat’ komt vanzelf boven, dubbelzinnig hoor.

Dan die toegewijde melkman die hij zich in de derde strofe wenst en die hij er staccato in zes regels bij de geliefde partner inramt. Ai. Ik lees deze regels als de zeer masculiene roep van een man, de dichter, om permanente verzorging (‘s morgens tot ’s avonds). En, ja hoor, bij de woordenkast staat nu ook nog een ijskast mee te trillen.

We keren na deze slotstrofe meteen weer terug naar de eerste. Het gedicht lijkt nu mooi rond, afgekant, zo mooi dat we bijna gaan denken aan de volmaakte vorm van het sonnet. Niet echt natuurlijk, dat zou voor de dichter Benders een brug te ver zijn. In het octaaf mist een regel en in het terzet staan er drie te veel. En dan nog die titel, haaks staand op de volgorde van de gebeurtenissen in het gedicht. Geeft die soms de echte wens van de ik weer?

Je moet voor Nachtefteling even gaan zitten, maar dan heb je ook wat. En zelfs als je geen zin hebt in close reading (de poëziekritiek zoals die in de jaren zeventig  aan de Nederlandse universiteiten werd bedreven) en je meer geneigd bent associatief of impressionistisch te snellezen blijft het drama, met de titel als kroon op het werk, vol aanwezig. Dankzij de humor, het taalspel, de verbazingwekkende, bizarre metaforen en het effectief inzetten van tegenstellingen. Ze worden nergens larmoyant en bijna nergens hersenkrakerig. Alleen hier en daar melig, zoals in ‘Wond’: […] ‘bedenk/dat alle wonden deuren zijn, open of dicht’, tja, humor is weerbarstig. Verder staan er in de bundel geen echt moeilijke woorden en zijn de buitenpoëtische verwijzingen dankzij het internet gemakkelijk traceerbaar -zowel voor de lezer als zo ook voor de dichter.

‘Toelink’ heet de afdeling waarin het besproken gedicht staat, het is de laatste van de bundel, een soort toegift van bijna twintig gedichten. Met een in het o zo sierlijke Georgische schrift opgenomen magisch vierkant, gemaakt door de dichteres Nene Giorgadze. Dat lezen we overigens alleen in de aantekeningen, die de dichter Krabbels noemt. Waarom? Het zijn immers noodzakelijke verwijzingen naar gedichten die door Benders vertaald, bewerkt of samen met anderen gemaakt zijn, het zijn er negen. Bij de gedichten zelf wordt dat niet verantwoord. Een inhoudsopgave ontbreekt. Nou ja, wie maalt er (in de postmoderne tijden van) tegenwoordig nog om verantwoording en inhoudsopgave.
 
Martijn Benders – Nachtefteling. Van Gennep, Amsterdam. 86 blz. € 17,90.

dinsdag 17 oktober 2017

Recensie: Pierre Kemp - Het regent in de trompetten


Pierre Kemp - Wiel Kusters (ISBN 9789460040443)
Zenmeester Kemp
 
Een groot deel van Kemps gedichten ontstond in de trein. Bijna dertig jaar lang was hij ambtenaar bij de kolenmijn Laura en reisde in die hoedanigheid op en neer tussen Maastricht en Eijgelshoven. Je kunt je afvragen of die trein niet ook motor is geweest van de altijd korte gedichten. Daarnaast heeft hij aan dat forenzen waarschijnlijk zijn populariteit bij vrouwen en meisjes te danken. Zij zagen hem schrijven, die dunne, ontroerende man met dat altijd zwarte pak, die ook scabreuze gedichten kon schrijven én gedichten die wij nu milieubewust (avant la lettre dan) noemen: ‘ik eet geen eieren zonder zon,/eieren van de lopende band.’ (‘Eieren’)

Volgens Kemp is ‘Verbascum’ zijn eerste ‘moderne’ gedicht:

De dalen staan vol gouden torens. 
De lippen van God bewegen zich 
onder Zijn sterren 
en blazen slaap over de bloemen.

Afbeeldingsresultaat voor vantilt - pierre kemp
Hij schreef het in 1927. Het is modern, inderdaad, alleen al omdat je in zijn daaraan voorafgaande lyrischer (tachtiger-achtige) en expressionistischer periode bijvoorbeeld kunt lezen:

Alarm
 
Bons nu mijn donkere, dondrende klok 
En stuw het gebrom van uw bronzen schok 
In het diepe gegons en den schellenden schal, 
Die er is tot Zijn Roem nu overal!
 
"
(laatste strofe van vijftien)
 
Je ziet en leest meteen het verschil: een verfijnde, metaforische wijze van zeggen tegenover uitbundig rijmend, gezwollen taalgebruik met een boodschap.

‘Verbascum’ reikt verder. Het wil je niets voorzeggen, het wil je iets laten ontdekken. Het wil dat de je een avontuur aangaat. Met de woorden, met de taal, met de wind over de zwarte toortsen/de koningskaarsen/de bloemen. Met de adem van de wind/God ónder de sterren. Spinoza’s deus sive natura, God oftewel natuur. Het is zo ook een meditatief gedicht, het ik als vast centrum van waaruit je waarneemt, verdwijnt als het ware en maakt plaats voor het inzicht dat jijzelf nietig, niets bent, maar dat je je opgenomen mag voelen in het grotere geheel dat om je is. Je ziet een vergelijkbare gedachte terug in:

Excuse

 Ik ben niet gekomen om er te komen,
ik ben er maar zo’n beetje heengegaan,
omdat langs de weg zulke hoge bomen
boven zulke kleine bloempjes staan.
Maar nu ik hier sta, nu … ik erken,
dat ik werkelijk gekomen ben.

 
De nadruk is op het nu. Hoe maken we ons daar in deze tijd niet druk over. Het is ook het credo van de pelgrim van tegenwoordig: niet het doel is belangrijk, maar de weg zelf is het doel.
Toch was Kemp allerminst een zich aan filosofische bespiegelingen overgevende dichter. Zijn korte gedichten blijven met de voeten op de grond, juist als het dreigt filosofisch te worden:


Nachtstilte

Het is zo stil boven de planten,
boven de lage en boven de gerankten
en de lucht is alleen vol reuken
van ranonkelingen in de grote wei
Het is zo stil in de keuken
en de maan schijnt op een ei.

Geestig toch? Ja, hij scheert hier wel vlak langs de rijmdwang heen, maar die levert vervolgens wel wat op. En ja, het is een naïef gedicht, zoals hij er zo vele schreef. Maar toch, ik zou het gedicht ook geraffineerd willen noemen. En zeker ook op het ontroerend humoristische ervan willen wijzen. Een ware Zenmeester toont Kemp zich hier wat mij betreft, al zou hij misschien verontwaardigd uit zijn graf opstaan als hij zoiets over zichzelf moest lezen.

 In talloze gedichten maakt Kemp overvloedig gebruik van kleuren - hij was ook beeldend kunstenaar. Vooral het blauw en het rood zijn, soms zelfs gepersonifieerd, aanwezig: ‘Een groot blauw wandelt om de aarde/en ik wil mee, […]’ (‘Blauwte’). En: ‘Rood, waarom zijt gij geen wezen, niet vrouw, noch man,/maar dat ik toch mijn bleke handen geven kan?’ (‘Rood’).

Ook zijn dikwijls bizarre fantasie springt in het oog: ‘Nog altijd wil ik naakte jonge vrouwen/in vlaggen draaien en verzenden.’ (‘Expeditie’). We lezen over zijn eeuwig verlangen naar de kindheid: ‘Ik heb een kindertekening gehuurd/en woon daar nu in.’ (‘Kindertekening’). Over zijn liefde voor de muziek: ‘De la musique avant tout chose’ luidt een van de titels. Of over zijn altijd aanwezig besef van het tijdelijke, waarbij hij zich overigens regelmatig een diepere, maar toch grap veroorlooft : ‘De schoonheid van mijn lijk straalt al door mijn huid./Ik ga mij scheren! (‘Optimisme om de dood’).

Een groot deel van Kemps gedichten ontstonden in de trein. Bijna dertig jaar lang was hij ambtenaar bij de kolenmijn Laura en reisde in die hoedanigheid op en neer tussen Maastricht en Eijgelshoven. Je kunt je afvragen of die trein niet ook motor is geweest van de altijd korte gedichten. Daarnaast heeft hij aan dat forenzen waarschijnlijk zijn populariteit bij vrouwen en meisjes te danken. Zij zagen hem schrijven, die dunne, ontroerende man met dat altijd zwarte pak, die ook scabreuze gedichten kon schrijven én gedichten die wij nu milieubewust (avant la lettre dan) noemen: ‘ik eet geen eieren zonder zon,/eieren van de lopende band.’ (‘Eieren’)

Velen hebben zich gelukkig druk gemaakt over deze aanvankelijk zo moeilijk in een hokje te stoppen gedichten van deze dichter zó uit de periferie van ons land. Was Kemp maar een marginale, kleine dichter? Ik noem Van Duinkerken, Vestdijk (noemde hem moderner dan veel jeugd), Rodenko, Ekkers. Hun nog altijd lezenswaardige essays zijn te vinden op www.dbnl.org.
Vestdijk vergeleek Kemp met Achterberg. Rodenko stelde hem op een lijn met Gorter, Leopold, Nijhoff en eveneens Achterberg. Volgens Ekkers is Vestdijk sturend geweest in de receptie van Kemps poëzie.  De invloed van de door het niets gefascineerde Poets maudits, Baudelaire, Verlaine, Rimbaud op deze dichters is groot geweest. Kemp, hoewel misschien meer spiritueel van aard, raakt aan deze dichters als je het (Zen)gedicht ‘Finale’ bekijkt:

Er rest mij soms maar déze ene behoefte,
te rusten,
en met een bloem tussen mijn tenen
en een ring van zonlicht op een knie
niets te zijn.

In 1988 stelde T. van Deel een bloemlezing van beeldgedichten samen: Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief, naar het gelijknamige gedicht van Kemp.
En nu is er dan de ruime, thematisch geordende bloemlezing van Wiel Kusters (biograaf Kemp) en Ingrid Wijk. Zoals de dichter zelf graag zag, een brevier voor het dagelijks leven (achterflap). Ik kan wel stellen dat de samenstellers daar ruimschoots in zijn geslaagd, de bloemlezing telt zo’n 130 gedichten, de dichter schreef maar liefst 32 bundels. Het werk van Kemp werd in 1954 bekroond met de Poëzieprijs van de Gemeente Amsterdam, in 1956 met de Constantijn Huygensprijs en twee jaar later met de P.C. Hooftprijs. Tot 7 januari is er in het Bonnefantenmuseum in Maastricht een tentoonstelling te zien van zijn beeldend werk. Kemp was tevens een begenadigd beeldend kunstenaar.

Pierre Kemp - Het regent in de trompetten.
Gekozen door Wiel Kusters en Ingrid Wijk.
Uitgeverij Vantilt, Nijmegen. 166 blz. € 19,95

vrijdag 28 juli 2017

Het oog van de dichter - Recensie Anton Korteweg - 25 schilderijgedichten


25 Schilderijgedichten belicht



http://www.tzum.info/2017/07/recensie-anton-korteweg-oog-dichter/

‘Het oog van de dichter is een Musée imaginaire. De gedichten zijn de zaalteksten van de conservatoren. Mijn commentaar daarop is de tekst van de eigenwijze directeur in de catalogus. Het boek is een uitnodiging aan de lezer om, als een padvinder of rechercheur, een eigen denkbeeldig museum van zijn favoriete schilderijgedichten in te richten. Er is nog heel wat brood voor oog en hart te vinden.’ Aldus Anton Korteweg in zijn verantwoording van Het oog van de dichter.

Anton Korteweg, dichter van een stuk of twaalf bundels en oud-directeur van het Letterkundig Museum, kon zijn galerij niet beter aanbevelen dan met bovenstaande tekst. 43 bladzijden telt zijn verantwoording maar liefst, allemaal nodig om ons uit te leggen waarom hij zich toch genoodzaakt voelde af te wijken van zijn eigen strenge criterium: alleen echte schilderijgedichten opnemen. Want hij kon het gewoonweg niet laten en móest een aantal uitzonderingen maken. Aan humor heeft het Korteweg nog nooit ontbroken hetgeen ook moge blijken uit het ‘als late gepassioneerde beoefenaars’ van het genre beeldgedicht subtiel naast elkaar plaatsen van de dichters Joost Zwagerman (met ‘Jan van Eyck kon je mij niet geven’ bij het portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw) en Tom van Deel. Uiteraard verzuimt hij niet te melden dat Van Deel als docent moderne Nederlandse letterkunde het genre indertijd diepgaand heeft onderzocht. Maar uiteindelijk zocht hij naar gedichten waarin de dichter het schilderij als het ware naar zichzelf heeft toegebogen.

Door Kortewegs wat uit de hand gelopen liefde voor het beeldgedicht in het algemeen kunnen wij nu gelukkig Van Deels ragfijne gedicht ‘Fabel’ nog eens bewonderen, geplaatst naast die minstens zo ragfijne litho van Jeroen Henneman (die hier niet gekopieerd mag worden):

“Vlinder ziet een speld staan

vindt hem mooi want streng

niet doelloos doch standvastig.

Zij wil hem aan zich binden

dit eenzaam puntig wezen

[…]

‘Bang om zich te bezeren

[…]

volhardt de speld in staren

blijft stijf gesloten staan

als ik hier niet vandaan raak

grijpt het ons beiden aan.”

 

Hier komt nog zo’n prachtgedicht: ‘Meesterwerk’ van Jan Emmens, bij Rembrandts Saul en David:
 
“Wat nu de Saul van Rembrandt betreft,

mij ontbreekt het wel eens aan een tulband en iemand

die harp of harpsichord voor mij speelt,

aan een scepter en een bescheiden gordijn

waarmee ik tranen kan drogen.”

 
‘Hier wordt met ambtelijk, precies taalgebruik met understatements en ironische toevoegingen een mateloos, onbepaald, onstelpbaar verdriet opgeroepen waarin we nog kunnen geloven ook’, schrijft Korteweg. Hij noemt Emmens een poet’s poet en een dichter die geneigd is tot kleinspraak evenals, en hij noemt onder anderen Herzberg, Van Deel, Eijkelboom.

Zijn opmerking kon over zijn eigen teksten en gedichten gaan. Immers, die zijn to the point, feitelijk, strak geformuleerd, nuchter en zeer informatiedicht door verwijzingen, bronvermeldingen en samenvattende literatuurlijst. Bovendien interessant door wat hij onnavolgbaar over schilderij en kunstenaar, over gedicht en dichter heeft te zeggen. Hoe kijkt de dichter, is zijn vraag en als de meta-dichter die hij hier ook is, stuurt hij met vaste hand onze blik.

Naast veel belangwekkende (onder anderen Faverey, Jellema) neemt hij ook ‘oude’ (onder anderen Van Nijlen, Boutens) en populaire (onder anderen Herzberg , Heytze) dichters op. In totaal 25.

Sympathiek en vertederend vind ik tenslotte Kortewegs ontboezeming dat sommige musea voor hem ‘het huis van een meisje zijn met wie hij wat heeft’: Meisje met de parel (Vermeer) in het Mauritshuis: dat ze eindelijk eens op mij verliefd wordt; Meisje met de dode vogel (Zuid-Nederlandse school) in Brussels Museum voor Schone Kunsten: absoluut kinderverdriet; Meisje op rood tapijt (Casorati) in Gent: eenzaamheid van de puberteit; Idealbildnis einer Kurtisane (Veneto) in Frankfurt Städelsches Kunstinstitut als Flora: onweerstaanbare berekenende wulpsheid.

 Anton Korteweg – Het oog van de dichter, subtitel 25 schilderijgedichten belicht.

Distributie: Boekenbank en Ons Erfdeel vzw (België), Centraal Boekhuis (Nederland). Ook verkrijgbaar als e-book (ePub-formaat). 272 blz. € 35,--

http://www.tzum.info/2017/07/recensie-anton-korteweg-oog-dichter/