donderdag 2 juni 2016

Jaar dat woord werd, woord dat vlees werd



In het eerstvolgende nummer van literair tijdschrift Liter verschijnen twee gedichten van mijn hand. Ze hebben als overkoepelende titel: het jaar 1916. 1916 is thema van het nummer.

Ik schrijf, het zal je niet verbazen, over WO I (de slag aan de Somme, de slag bij Mametz), maar, dat zal je ook niet vreemd vinden, beschouw die door de ogen van dichters: Martinus Nijhoff, Paul van Ostaijen, Siegfried Sassoon en Robert Graves. De laatste twee, én legerofficier én dichter, zijn met hun in poëzie en proza gegoten oorlogservaringen in feite de scheppers geworden van de adembenemende poet's walk langs dito Belgische loopgraven en oorlogsbegraafplaatsen. Sassoon en Graves waren strijdende dichters of zo je wilt dichtende strijders. Romantici ook, tegen het oorlogsgeweld maar vooral vóór de hechte oorlogsvriendschappen die erdoor ontstonden. Lees Sassoon er maar op na.

Paul van Ostaijen schreef het gedicht:
'Gulden Sporen Negentienhonderd Zestien', met de schitterende regel:
"...jaar dat woord werd, woord dat vlees werd ...". Die regel werd de titel van mijn eerste gedicht.
Martinus Nijhoff schreef:  'Zingende soldaten', wat de titel werd van het tweede gedicht.
Alleen al aan de titels kun je het modernisme van Van Ostaijen en Nijhoff aflezen. Ze waren strijders met de pen, namen afstand, reflecteerden, legden ironie als een vitrage over de afschuw heen.

Maar beide veldslagen ook gezien door de ogen van fotograaf
Erwin Olaf in een interview (in de Wereld draait door) over zijn tentoonstelling Catwalk in het Rijksmuseum.  Die tentoonstelling valt volgens zijn gevoel samen met de vluchtelingencrises. In de vorm van een ruwe tegenstelling. Hij voelt zich daarover oprecht ongemakkelijk.
Én door de ogen van Aad van der Drift, trouwe vriend en verwoed verzamelaar van alles wat met WO I te maken heeft. Ook ooggetuige en recensent van het monument dat de slag bij Mametz herdenkt. Hij geeft in ons gesprek én in het gedicht ongegeneerd lucht aan zijn afschuw over die vuurspuwende vuurrode draak.

Eigenlijk gaan beide gedichten natuurlijk over engagement. Met een enorme omhaal van woorden, dat wel.

Paul van Ostaijen, Het Sienjaal. In de Verzamelde gedichten (1981)
M. Nijhoff, De Wandelaar. In de Verzamelde gedichten (1964)
De wereld draait door van 19 februari 2016.

Over Mametz:
Zie ook Michel Renshaw, Mametz wood. Battle ground Somme. Leo Cooper (1999) en Nigel Cave Pen&Sword Military (2006, 2011).



dinsdag 8 maart 2016

Tom van Deel over Een grazende streep in de lucht.

Een grazende streep in de lucht

Titel:Een grazende streep in de lucht
Auteur:Jane Leusink
Uitgever:Uitgeverij Kleine Uil
Jaar van uitgave:2015
Pagina's:72 pagina's
ISBN:978-94-921900-8-6
Rating:
Jane Leusink is laat gedebuteerd maar direct herkend als een authentiek geluid in de poëzie. Haar eerste bundel kreeg meteen de Buddingh'prijs voor het beste debuut (2003). Dit is haar vijfde bundel in ruim tien jaar. Het overkoepelende thema is dood - met afscheid, vertrek etc. als verwante motieven. Ze put uit haar eigen geschiedenis en die van de provincie Groningen, maar weet alle gevoelens en waarnemingen altijd breder van toepassing te maken. De hoofdmomenten van deze prachtige bundel bestaan uit 'Kaddisj', waarin op grond van foto's de geschiedenis van een familielid wordt gevolgd, tot aan Sobibor toe: 'Zo kwam ik in Sobibor terecht / het was vrijdag, drieëntwintig april, de zon scheen / het leek een stralende zomerdag. / Ik heet Thomas, ze noemen me Toivi. Ik kom uit Izbica.' Veel indruk maakt het lange prozaïsche slotgedicht over een pasgeboren meisje uit 1872 dat vlak na haar geboorte stierf. Zij wordt na zoveel jaar waardig in deze serieuze poëzie herdacht en herbegraven. Dit is poëzie om lang bij stil te blijven staan. T. van Deel.
Biblion/Boekensalon

vrijdag 12 februari 2016

Vanmorgen liepen Hond en ik ons bekende rondje



Vanmorgen liepen Hond en ik ons bekende rondje langs het ruige stuk van de Oosterhamrikkade en sloegen rechtsaf de Kapteynbrug over. Op de hoek van de brug en het begin van het pad langs de studentenflats stond opeens de man die zei: wat een mooi gezicht die kameraadschap tussen hond en mens. Terwijl ik net aan het nadenken was over de maatschappelijke taak van de kunstenaar naar aanleiding van C’s poëziecollege en helemaal niet op Hond lette. Of het daarover ook gaat straks als ze op college Faverey bespreken en of ze die taak dan misschien ook melodrama en op de borstklopperij vinden. Evenals mijn favoriete dichter van het moment, Robert Hass, die dat overigens maar gedeeltelijk vindt.
Ik schrok dus op, de zon stond nog laag en scheen fel in het gezicht van de man. Hij sprak over zijn hond die de eerste nacht gewoon bij hem op bed was gaan liggen (wat hij voordien nooit deed) toen hij na een vechtscheiding terug kwam in eindelijk een eigen huis en de hond weer bij hem kon zijn. En ook over zijn kinderen die hij bijna niet zag, sprak hij. 
Ik zei dat ik die onvoorwaardelijke trouw van een hond blijvend ontroerend vind.
Toen ik verder liep (ik houd u op, zei de man) dacht ik aan mijn Franse kleinkind, aan dochter - haar moeder - aan hun diepe verbondenheid aan elkaar en aan hun tante en zus, mijn Russische dochter. Maar ook aan hun verbondenheid aan mij en mijn man, hun (groot)ouders, dacht ik, en aan de vader van mijn man, hun (over)grootvader en aan diens Russisch-Poolse ouders, hun (bet)overgrootouders. En dat ik toch echt over die relatiekluwen moest gaan schrijven. Straks. 
Ook dacht ik aan het wonder van het spontane zomaar kunnen houden van een kleinkind. En meteen ook aan het gedicht dat welbeschouwd niets anders is - of dat zou moeten zijn - dan een met woorden gemaakt liefdesbouwwerkje. En dat die woorden verspreiden wel eens de maatschappelijke taak van de dichter zou kunnen zijn. Als die tenminste over zijn eigenliefde heen kan stappen.
Toen we het pad langs de studentenflats insloegen kwam Hond dicht naast me lopen en keek met dwingende blik naar me op. Ze was tenslotte werkhond. Ik wist dat het nu tijd was een stok te zoeken, Honds liefde voor mij was dan wel onvoorwaardelijk, maar enige wederkerigheid stelde ze wel op prijs .
Lotte Jensen laat in De verheerlijking van het verleden zien dat nationalisme, vaderlandsliefde en heldenverering voor de negentiende-eeuwse Nederlander even vanzelfsprekend was als ademen, lopen en bewegen. Via de literatuur konden de lezers kennismaken met de grote namen uit de vaderlandse geschiedenis. Jensen haalt deze vaak bombastische, maar soms ook ontroerende literatuur uit de vergetelheid. Ze laat zien dat deze teksten een nieuw elan krijgen wanneer ze worden gelezen in dialoog met de tijd waarin ze geschreven zijn. De literatuur leerde het publiek niet alleen iets over het verleden maar ook over de eigen tijd.
Jos Palm zei over dit boek in OVT: ‘Aanbevolen lectuur voor iedereen die moe wordt van het vaak holle geschreeuw en geblaas over de Nederlandse identiteit.’
Ik lees dit in de voorjaarsbrochure van uitgeverij Vantilt.


maandag 8 februari 2016

Een grazende streep in de lucht besproken in Meander Magazine



Jane Leusink, Een grazende streep in de lucht
door Lennert Ras
Een grazende streep in de lucht is een goed doordachte bundel, een coherent geheel, bijna prozaïsch. Ze neemt je mee door de tijd, een grazende streep door de lucht, liefde, geboorte en vooral dood.
We worden meegenomen in het verhaal van de Shoa, maar de dichteres laat ook zien, dat er andere rampen zijn, die los staan van een onmenselijk regime. De dood krijgt ook de gedaante van een lijkhuisje en hoe heden ten dage mensen zich inspannen om dat te behouden, opdat de doden niet twee keer sterven.
Het is poëzie, maar er zijn duidelijke personages. Een vader, beeldhouwer en rokkenjager (maar ook vrouwen zijn jagers), een moeder, een kind. Joodse mensen met een naam. Liefde ontbreekt niet, soms in het kleine, en kort wordt scheiding aangestipt. In het leven en door de dood.
De bundel is een ode aan het leven in al haar facetten en ook een vanitas. Ze geeft je een gevoel van melancholie. Soms zie je de dichteres lijfelijk zitten achter de pc of het toetsenbord. De taal hapert nergens en is soms heel plastisch. Zoals in het gedicht ‘Tot het af is’ waarin het proces van beeldhouwen wordt geschetst: ‘Doordat de houwer zijn beeld bouwt uit een / vierkant blik, dat als eenheid beschouwt en / daar omheen werkt.’
De bundel springt van Sobibor naar Sneek en naar het Starkenborchkanaal. Een hond moet een geliefde vervangen. De stijl is rond en nergens schurend. Opeens staat ergens een stukje proza en er is zelfs een gedicht opgenomen in een gedicht.
De besproken thematiek zet aan het denken. Een grazende streep geeft een aangename leeservaring, die niet schuwt ook de hardheid van het bestaan onder woorden te brengen. Een caleidoscopische kijk op het leven, waarin ook de dood onderdeel is.
***
Jane Leusink (2015). Een grazende streep in de lucht. Uitgeverij Kleine Uil, 72 blz. € 15,-

http://meandermagazine.net/wp/?auteur=ras

dinsdag 26 januari 2016

Poëziemarathon in Leegkerk, 31 januari, in het romantische kerkje!



Aanstaande zondag, 31 januari vindt in het kerkje van Leegkerk (achter Hoogkerk) een stukje poëziemarathon plaats waaraan ikzelf ook mee doe. Samen met dichteres Saskia Stehouwer die afgelopen jaar de C. Buddingh'prijs won, een debutantenprijs die ikzelf in 2003 in ontvangst mocht nemen.
We lezen voor de pauze vier gedichten, interviewen elkaar over onze dichtideeën en lezen na de pauze elk wederom drie gedichten. Leuke middag, ongetwijfeld, zoals al deze door de Culturele Onderneming van Gelly Talsma georganiseerde Leegkerk-evenementen.
Iedereen is van harte welkom. 



zondag 10 januari 2016

Knellschuh, willst du mich heiraten? In: STAD Magazine (dec. 2015)




Overwintering in een Gronings stadsappartement

Bijna nooit meer keerden wij terug van foute damesvakanties op dito latten.
We zeiden dat nu we ons bijna nooit meer in deze sneeuwvolle kitsch
ophielden, we deze hobbel rustig konden nemen: zwarte piste.

Knellschuh, willst du mich heiraten?

Lazen we vanuit ons skiliftstoeltje op de betonnen sokkel van de langs
glijdende pilaar. Mijn praatgrage vriendin glimlachte ontroerd: wij de ranken
slanken begeerlijken, bijna nooit meer plaagden ons angsten, smetvrees en

verkeerde mannen. Bijna nooit meer zag je ons puur en liefdevol  
de verleidelijkste fouten maken. Fouten, het zijn de steigers die
de verbeeldingskracht stimuleren, zet ze op een voetstuk.

Knellschuh willst du mich heiraten?

Keer op keer op keer waren daar die onhandigste aller letters. Let wel
bijna nooit meer waren wij met minnaars dat wil zeggen bijna nooit
meer zag je ons nog appels aandragen. Laat staan een granaatappel.

Gewone seks was ons genoeg.

Bijna nooit meer zag je ons het hazenpad kiezen. Vooral bij ongrijpbare
of verbijsterende kwesties gingen we graag meta: denken over denken
praten over praten. Zo beteugelden we ons wensdenken.

Knelschuh willst du mir dein Jawort geben?

’s Avonds zeiden we tegen elkaar dat we kenners van onze fouten waren
geworden. Het maakte mijn vriendin onrustig, in haar stem bespeurde ik wrevel.
Kijk, zei ze, de dingen zelf: ski, spar, fout, minnaar, seks, we hebben ze uit-

gespeld, opgelost. Maar hoe hunker je en hoe hou je de herinnering
aan het hunkeren vast? Hoe hou je gewicht op de wegvluchtende dalski?
Ik dacht aan de man met zijn lichaam achter het mijne, mijn ski’s

tussen zijn ski’s, armen om mijn middel, adem, zijn tanden, en dan was daar
die perfecte Schneepflug. Later voerden we met onze aangescherpte zintuigen
de lastigste verkenningen uit, hij leerde mij alles over afgronden inkijken.

Ik herinner me zo goed de sierlijke parallelbogen waarmee hij afdaalde
onverwijld de zwartste piste nam. Tot die dagenraad en hij niet meer
op mij wachtte. Mijn lichaam herinnert zich alles, al die middagen

onze kraakheldere sporen in de sneeuw, de klare hemel en als een zucht
van opluchting de snik waarmee ik de volgende ochtend ontwaakte, mijn handen
voor mijn mond geslagen, mijn mond die Knellschuh, Knellschuh, Knellschuh deed.


dinsdag 5 januari 2016

Van Remco Ekkers

Kan rouw je verlaten? De dichteres Jane Leusink vindt ‘het hooguit raar nu ook rouw haar verlaat, nee / in de steek laat, het komt toch hard aan, zegt ze / harder nog na veertig seizoenen, hoe is het mogelijk.’
Veertig seizoenen, dat klinkt heel wat langer dan tien jaar.
Je kunt rouw koesteren omdat je je min of meer verplicht voelt je dode geliefde te herdenken, elke dag, elke nacht. Eerst laat de geliefde je in de steek, omdat hij dat wil, maar omdat God, nee, het lot dat kennelijk wil. Het is absurd. Alle herinneringen zijn er nog. ze blijven je achtervolgen. De reis over de bergen, de reis door de woestijn, het wonen op de klei. Wanneer is het ondraaglijk? In de zomer? Ach, natuurlijk ook in de winter. In alle seizoenen: de lente, het kleine paard
in de wei. In de gezamenlijke beleving van kunst, van zeegezichten. En is niet het schilderij van een man, kijkend, naar kolkende lucht, hoog op een berg, het schilderij dat je af en toe weer ziet afgebeeld en dat je doet denken aan hoe hij ooit stond en nu met z’n rug naar je toe. Is niet dat schilderij, een teken van je trouw en van je verdriet?
En dan besef je langzaam dat jouw leven ondanks alles is doorgegaan en dat er nieuw leven kwam en zeer vreugdevolle momenten zich aandienden, zich aan je opdrongen. Je zou jezelf kunnen of willen verachten, omdat je af en toe vergeet en ook omdat je weet dat al die herinneringen moeten worden losgelaten, misschien zelfs los getrapt. Je moet de knop in je keel doorslikken, maar hoe moet je dat doen? En je vraagt: gaat het zo? Is het normaal dat je zolang vasthoudt, dat je loslaat? Kan ik dat van mezelf accepteren?
(naar aanleiding van ‘Een grazende streep in de lucht’, vijfde bundel gedichten van Jane Leusink, uitgever Kleine Uil, oktober 2015)