maandag 17 december 2012

Dat wat ik vasthield liet mij zomaar los. Eijkelboom op Tzum.nl

Recensie:  J. Eijkelboom – <em>Verzamelde gedichten</em>

Recensie: J. Eijkelboom – Verzamelde gedichten

woensdag 12 december 2012 door Jane Leusink
Dat wat ik vasthield liet mij zomaar los
Eijkelbooms poëzie is herkenbaar en toegankelijk. Velen, ook jongeren (Eijkelboom was al drieënvijftig toen zijn eerste bundel verscheen) liepen ermee weg, niet in de laatste plaats waarschijnlijk door het onburgerlijke, enigszins onaangepaste karakter ervan. Zijn thema’s zijn onveranderlijk de drank, de liefde, de eeuwige strijd met zichzelf en het leven en de naderende dood. Zijn wijze van zeggen was altijd gedurfd, ironisch en genadeloos persoonlijk.
Dat blijkt al uit het gedicht ‘Inferno’ (met de mooie derde regel ‘Dat wat ik vasthield liet mij zomaar los.’) in Wat blijft komt nooit terug:
Wel had ik nooit iets opgelost,
altijd maar liever meegegeven
en wás er iets, dan had ik dorst.
Om te eindigen met:
Erger dan wanhoop is het kwaad
dat mij hier doodstil gadeslaat.
Zelf kreeg ik de eerste twee bundels bij mijn afstuderen cadeau. Mijn lievelingsgedicht werd ‘O’ uit De gouden man:
O
O, dat ik ooit nog eens
een vers met o beginnen mocht,
dat het dan ongezocht een ode
werd waarin zeg maar een dode
dichteres tot leven kwam
ofwel een warm lief lijf
tot marmer werd waardoor
voor wie daarvoor gevoelig is
een adem ging als was het
leven nu voorgoed betrapt.
Maar nee, wat bij mij ingaat moet bezinken,
verdicht zich tot een sprakeloos substraat
dat roerig wordt en uit wil breken
en soms vermomd de mond verlaat.
0, klonk het nog eens ongehinderd.

Voor een pas afgestudeerde met dichterlijke aspiraties was dit precies wat ze horen wilde. Hoe onnadrukkelijk nadrukkelijk die o-klanken. Hoe elegant het beeld van die in Hegeliaans aandoende dialectiek gevatte tegenstellingen dood-leven, leven-beeld, beeld-adem. Alleen de (leven scheppende) adem ontbreekt. Zeiden ze dat in de Oudheid al niet van de Aphrodite van Praxiteles?
In de tweede strofe zijn het de rauwe r-klanken, het binnensmonds mompelen en het gevoel in het zeggen almaar mis te kleunen die de wanhoop van de dichter ook in woord en klank verbeelden. Waarna de laatste regel het gedicht met een diepe zucht afsluit. En dat alles ook nog eens vervat tussen twee, nee drie O’s. Wat een perfecte taal, wat een schitterende compositie.
Jan Eijkelboom (1926-2008) publiceerde zijn eerste, vele malen herdrukte bundel, Wat blijft komt nooit terug, in 1979. Voor zijn tweede, De gouden man, ontving hij in 1982 de Herman Gorterprijs en met Een olifant met geheugenverlies schreef hij in 2005 zijn laatste. In totaal schreef Eijkelboom twaalf bundels. Hij ontving in 1994 de Anna Blamanprijs voor zijn gehele oeuvre en in 2003 voor Heden voelen mijn voeten zich goed de Jan Campertprijs. Dit jaar verschenen zijn Verzamelde gedichten.
‘Ik tracht nu hardnekkig / aan de dood te denken’, schrijft Eijkelboom rond zijn tachtigste in ‘Atrium’ (Nagelaten gedichten), ‘maar mijn gedachten dwalen af, / bijvoorbeeld naar die ruisende heg / in de zon, de wind doet hem buigen’. Om te eindigen met: ‘Ik moet hem nodig snoeien / maar heb nog alle tijd om dat te doen, / te laten ook.’
Aardig natuurlijk, maar ook wat gemakkelijk. Soms leidt dit type, waarschijnlijk zen-achtig bedoelde observaties tot regelrechte meligheid zoals in het gedicht ‘Interieur’ (Een olifant met geheugenverlies) waarin de ik zich vergelijkt met een oude crapaud met koekkruimels, oude centen en een potloodstompje tussen zitting en zijkant. Om te eindigen met: ‘Maar het moet gezegd, aan het eind van een verbruikte dag / zit hij wel goed’. Een punchline (clou) schijnt Eijkelboom dergelijke afsluitende regels wel genoemd te hebben. Ze komen in al zijn bundels voor. Ondanks de perspectiefwisseling die hij daarbij toepast, zou je toch willen dat hij zich wat vaker had kunnen inhouden en wat meer aan schrappen had gedaan. Bovendien benadrukken zulke regels het anekdotische van zijn gedichten dat hem zo vaak is verweten.
Dit gezegd hebbende, noem ik hier liever uit Wat blijft komt nooit meer terug het ontroerende, naar aanleiding van de zelfmoord van dichter en vriend Jan Emmens geschreven ‘Egidius’.
En uit De gouden man, de acht gedichten onder de titel ‘Wolwevershaven’. In de beginregels: ‘Water praat met het huis, / je hoort het ruisen en klokken.’ hoor je inderdaad de waterman, de precieze luisteraar, maar ook kijker, die Eijkelboom was, net als in: ‘Water, hoe ordent men dat?’ (2); en in: ‘Zie door de scheefgestreepte ruit / een vogel die hardwerkend / toch stilstaat in de storm.’(3); of in: ‘Uit weelde wil ik niet slapen, / kijk over het water uit. / Een trage golf breekt niet / maar wrijft zich tegen ’t huis.’ (8).
Het water is Eijkelbooms geliefde Merwede in zijn al even geliefde stad Dordrecht. In Dordrecht ook werd hij stadsdichter, in 2003. Een eervol en levenslang stadsdichterschap dat eindigde in 2008.
Leuk om hier even te noemen is het gedicht ‘De kat’, met de verwijzing naar de dubbelgepuntmutste kat in het gedicht van Fritzi Harmsen van Beek. Hij kende Harmsen van Beek van Jagtlust, maar de drank en vrije seks daar werden ook een Eijkelboom al gauw te veel.
Ten slotte het belangrijke gedicht ’21 november 1981’, over de beroemde demonstratie tegen de kruisraketten, waar 400.000 mensen aan meededen:
Je liep daar naast mij in je gouden jack.
Ik liep je te nog te leren kennen,
Jij moest nog aan de oorlog wennen
Die ik nog niet had afgelegd.
Eijkelboom was niet iemand van demonstraties of van vol met maatschappij gevulde gedichten. Maar aan deze demonstratie deed hij mee, misschien wel dankzij de nieuwe geliefde. En hij schreef erover. In het gedicht doet hij een geslaagde poging het ongerijmde, dat wil zeggen de politiek, de liefde en zijn oorlogsverleden (hij nam deel aan de politionele acties in Indië), zo niet met elkaar te verzoenen, dan toch wel in te zetten teneinde een oorlogstrauma te verwoorden:
Jij stond daar naast me in je gouden jack
Het oproer bleef uitbundig stromen
Ik heb mijn ransel afgenomen
en achteloos opzijgelegd.
In de bundel Het lied van de krekel staat ‘Callantsoog’ met de slotregels: ‘In feite zitten zij nog net zo om die tafel / in dat doorzichtige huis, zo blijvend / buiten bereik.’ In Het arsenaal ‘De winterschilder’ dat eindigt met: ‘Die dan weer weet: het was genoeg, / heel deze overvloed / aan schaarste.’ Kijk, dat vind ik nu twee voorbeelden van geslaagde punchlines.
Jan Eijkelboom was groot vertaler van Engelse/Amerikaanse dichters. We vinden in de diverse bundels het een en ander terug van Emily Dickinson, Philip Larkin, W.B.Yeats, Derek Walcott en W.H. Auden. Zijn veelgeprezen vertaling van gedichten en preken van John Donne kwam al in 1957 apart uit. Hun invloed op zijn eigen poëzie is groot. De bezorger van de Verzamelde gedichten Kees van ‘Hof werpt in de biografische schets achterin het boek bij monde van Kees Fens (een bron ontbreekt) een interessant licht op deze invloed. In dezelfde tijd dat in Nederland de Vijftigers actief waren keerde men in Engeland veelal terug naar meer rationele poëzie en traditionele vormen. Eijkelboom heeft zich hierin waarschijnlijk herkend. Ook zijn vriendschap met verwante dichters als Jan Emmens en Ed Leeflang krijgt hierdoor wellicht een diepere betekenis.
Jan Eijkelboom was de laatste dertig jaar van zijn leven dichter, daarvoor was hij actief als journalist en (hoofd)redacteur van Vrij Nederland, Het Vrije Volk en de Dordtenaar, medewerker van Maatstaf en Propria Cures en mede-oprichter van het literaire blad Tirade. Bezorger Kees van ’t Hof heeft voor deze uitgave prijzenswaardig – Verantwoording -, soms pijnlijk nauwkeurig werk geleverd: in de Aantekeningen bij de gedichten vraag je je af wie hij als lezer voor ogen had met zijn uitleg (ketter: iemand die afwijkt van de leer; earl grey: een theesoort). En als je niet oppast denk je bij al die bekende straatnamen: gut heeft Eijkelboom soms ook in Groningen gewoond? Opvallend is dan weer dat in de biografische schets de chronologische dwars door de systematische ordening van de feiten heen loopt. Verwarrend. Maar misschien zijn dat wel erg veel spijkers op laag water. Feit blijft dat we Jan Eijkelboom door middel van deze mooi bezorgde uitgave van Van ‘t Hof kunnen blijven gedenken én lezen. In Eijkelbooms eigen woorden:
Als ik die overrompeling
toch vast wil leggen, dan moet dat zijn
in onversierde taal, bijna vanzelfsprekend.
Uit: Een olifant met geheugenverlies
Jane Leusink
J. Eijkelboom – Verzamelde gedichten. De Arbeiderspers, Utrecht. 560 blz. €45,-
     

     

     


    donderdag 22 november 2012

    Ontmoet de dichter ...


    50 gedichten van 50 dichters
    die optraden in het Poëziecentrum Nederland
    met 50 prenten van Gerrit Westerveld

    http://nederlandsepoezie.wordpress.com/2012/11/14/ontmoet-de-dichter/

    'In deze uitgave hebben wij de prenten van de eerste vijftig dichters die in 'Ontmoet de dichter ...' hun opwachting maakten, bijeengebracht', schrijft Wim van Til, oprichter van het Poëziecentrum, in het Voorwoord.
    Het centrum vestigde zich in 2005 in Bredevoort Boekenstad, in een voormalige basisschool omgedoopt tot Boek op 't Zand. Ikzelf zat op een middag in 2008 bij Wim van Til aan tafel. Het klaslokaal stond barstensvol dichtbundels (Van Til is groot verzamelaar). Om de tafel zaten poëzieliefhebbers en - grote verrassing - mijn moeder, zus en haar partner - helemaal vanuit Arnhem afgereisd. Ook daardoor werd het een bijzondere middag: Wim van Til betrok mijn familie bij het gesprek. Van Til is een meester in wat hij zelf noemt 'loslippigheid': 'elke dichter was zonder uitzondering loslippig', schrijft hij ook in het Voorwoord. Hij vroeg de dichters om een gedicht en graficus Gerrit Westerveld maakte er een prent bij. Mooie en bijzondere prenten zijn dat geworden. Mijn moeder, zus met partner en ik gingen na afloop een hapje eten in een onderaards ogend restaurant in Bredevoort. Ik koester de herinnering aan die middag.
     
    Mijn gedicht, dat uiteindelijk uitgroeide tot een reeks van acht gedichten die terecht kwam in Tot alles goed strak staat (2011) neem ik hier op:
     
     
    Het is de vraag

     
    Er zijn gedachten die geen ruimte of kiertje open laten

    voor wat ook beendroge gedachten niet meer te plooien

    nog gisteren met potlood neer-  en ingeschreven

     
    vandaag is het gedicht een muur van metershoog levend

     
    moest ik steeds naar bomen kijken zag

    wat hij gezien had en schilderde een oeroud

    landschap open verbinding waar jij en ik

    ons kunnen vertreden boeiend uitzicht zomer

    en winter in steigers van hedera helix

     
    vandaag is het gedicht omwille geplukt

     
    fixeert een dromende hond zijn wakkere vlucht

    tot standbeeldje in zijn hart liggen herinneringen

    te wachten op ontslaping er staat geen wind

    de wind instinct schaap of wild zwijn

    dat door de varens ruist.

     
    vandaag is het gedicht een scheet in een netje

     
    willen ook kleren bewoond worden

    ze hebben je nodig herinneringen houden ze

    vast al die lege kleren prachtige spullen

    als een pratende verzameling stiltes

    je onuitsprekelijkheid bewaart

     
    vandaag is het gedicht potdicht gegroeid

     
    zweet een vrouw met het puntje van haar tong

    tussen haar lippen het verschil het schort hier

    niet aan verbinding schrijft ze, ik zie niets

    in het licht van bevroren conflicten

    en omstandigheden

     
    op  haar vleugels vatten dode schilders post

    onder haar vleugels drijven schapenhonden

    lege kleren snijden haar reliëf

    de vraag is of ze vormt of mis-

    dinsdag 20 november 2012

    Recensie Charlotte Mutsaers' 'Dooier op drift'


     Op Tzum, het literaire weblog van Coen Peppelenbos

     
    Recensie Jane Leusink van Charlotte Mutsaers Dooier op drift
     

    Annie Hall met toffe stropdas

     Het engste schilderij dat ik ken is Kronos verslindt zijn kind, in 1637 geschilderd door Rubens. In het openingsgedicht van haar gedichtenbundel Dooier op drift schrijft Mutsaers ‘Kronos at met smaak / zijn eigen kinders / op / peanuts / naast / de aangevreten / hartenklop’. Zodra je bent geboren gaat de dood al aan het werk, gedurende je leven word je al dooier en dooier, zelfs je hart dat toch bij uitstek het symbool is van de liefde. Dat is het allerergst. Het universum van Charlotte Mutsaers is van taal en associaties gemaakt en je wordt daar in deze bundel pardoes en uiterst doeltreffend ingezogen. Vitale taal, al wil ik zo’n suggestieve term liever niet plakken op iemand die net de zeventig is gepasseerd, op haar verjaardag een bundel gedichten presenteert en Charlotte Mutsaers heet. We kennen haar immers al van avontuurlijke prozawerken zoals daar zijn Kersebloed, De Markiezin, Rachels rokje, Koetsier Herfst en uit mijn boekenkast plukte ik ook nog de hilarische bundel emblemata Circus van de geest uit 1983, het eerste werk. Laat je door de opgewekte toon van ‘When walls come tumbling down’ (in het Engels bekt het beter) dus niet beduvelen. Overal loert dood en doodsangst. En levensdrift. De meute (drift) gedichten die Mutsaers op ons afstuurt eindigt met het gedicht ‘Zeventig’:
     
    De zilte struiken hielden mij
    voortdurend uit de slaap
    de honden naast me
    dreven langs voor aap
     
    Koreaanse oesters met Koreaanse baarden
    zeepaarden gestuwd door paardenstaarten
    dennenstroop met tuiten langs de mastschacht
    korenaren wiegend in de zweetnacht
     
    Zo sliep ik in
    mijn bed op open zee
    alles normaal alleen
    mijn leeftijd vreemd
     
    Kun je je het levensdriftiger voorstellen? Voor Mutsaers geen Japanse oesters of tranen met tuiten, ze doet er schepjes bovenop. En wat is vruchtbaarder dan korenaren? En alles op rijm, of het nu binnen of aan het einde van de regel zit. Het dwingt al die wilde beelden in het gelid, het is strak geordende chaos, die je aan een schilderij van Matthijs Röling of Wout Muller doet denken. Maar ze heeft die (ver)vreemde(nde) leeftijd toch maar mooi gehaald. Je wrijft je ogen erbij uit.
    Charlotte Mutsaers schreef tot nu toe twaalf boeken. Haar literaire werk werd achtereenvolgens bekroond met de Jan Greshoffprijs, de Busken Huetprijs, de Constantijn Huygensprijs en de PC Hooftprijs. Voor haar literaire en beeldende werk ontving zij de Jacobus van Looyprijs. Ze werd genomineerd voor zowel de AKO Literatuurprijs, de Gouden Uil als de Libris Literatuur Prijs. In mei 2010 heeft Charlotte Mutsaers de P.C. Hooftprijs ontvangen voor haar gehele oeuvre. Dooier op drift is eigenlijk haar tweede bundel. In 2009 verscheen Slagboom in bloei bij Druksel in Gent, waar maar 126 exemplaren van werden gedrukt. Die gedichten zijn ook opgenomen in deze bundel, zodat we nu alles kunnen lezen.
    Naast de dood heerst er angst voor de taal, hoe kan het anders. In ‘Lexicaal bedreigd’ is het de taalmacht, die het kind bevangt als eerst het woord ‘moordenaar’, afkomstig van de vader, en dan het woord ‘medeminnaar’, van de moeder, ’s nachts opstaan en gaan rondspoken: ‘Words words / onderschat ze niet / taaier dan draadjesvlees / scherper dan scheermessen / vachtloze voorbodes van / verdriet. ‘Vachtloos’, kan het veelzeggender? En in ‘Knoflookkapsel beter dan capsules’ waarin zowel Medusa, als de schroeilucht van knoflookvlechten en Goud-Elsje langskomen heet het: ‘Doe maar voort fictie / fik maar rustig zo door’.
    De dood heerst ook onder de vrienden met wie de ik eeuwig vriendschap gesloten dacht te hebben: ‘Wist ik veel / dat er maar één / bestaat / die recht van sluiten / heeft / de nietsontziende / claviger / geheten / Dood’. De sleutelbewaarder, het is net een concierge.
     Ook geliefde kunstenaars worden bediend, maar altijd net even of radicaal even anders dan je zou verwachten: Ensor, waarin ze met een bos plastic tulpen een kat van zijn graf aan zee mept en de lokroep van de dood weerstaat, want helaas ‘alles wat dood is blijft eeuwig / bestaan en leeft levenslang met u mee’. Louise Bourgeois die wreed met haar naam is opgezadeld, met in hetzelfde gedicht de Hitlerkever. Dali die altijd met een lepel in zijn hand insliep en wakker schoot als die op de grond viel: ‘Zo lukte het / droom / na droom / op te scheppen’. Verder Goldberg, Kafka van wie Mutsaers in 'Herziene uitgave' het einde van Het Proces herschrijft: ‘Veranderen wij / domweg / Hund in Mensch / Wie eins Mensch / sagte er, / wie ein Mensch’.  Passeren verder nog Kierkegaard, Mulisch, Max en Moritz, Raveel, Bergman, Castro (samen in een gedicht) en Proust.
    Wat ik me afvroeg is waarom Mutsaers in deze kunstenaarstentoonstelling geen gedicht heeft gewijd aan de voor haar kijk op de werkelijkheid zo inspirerende Russische dichter Daniil Charms. Ze schrijft over hem op p. 163 van mijn uitgave van Kersebloed (1990): ‘Misschien dat nu duidelijk wordt waarom het werk van Charms niet louter als een circus van de grappigheid dient te worden beschouwd en waarom het je gevoel geen haar minder beroert dan je verstand. Het is geen verzameling van vrijblijvende surrealistische bedenksels maar een zorgvuldige ordening van chaotische dwaze, geestige, opstandige, reële en hoogst persoonlijke waarheden’
    Maar er is ook nog het ruiterkekuikerke dat in het gedicht waaraan de bundel zijn titel ontleend (de dooier die men niet zag, want uitgekomen op de rug van een witte schimmel - let op het pleonasme) een tragisch einde vindt in het vers dat tegen de rijmrichting in de duistere snelweg op dendert: ‘Ik heb het al vaker gezegd: / men kan aan mij zien / wat ik allemaal weet / van wat er / van anderen / zal kunnen / geworden’. De ik in het gedicht lijdt aan een ongebreidelde fantasie, waar je mee uit moet kijken ‘want het kan je vreugde om totaal in iets op te gaan lelijk vergallen’, zegt Mutsaers in een interview. Ondertussen schetst ze een liefdevol beeld van het kuiken.
    Haar dierenliefde is bekend. De in het gedicht ‘Terugkerende jagers over de bergwei’ gaan van bierproeverij naar dierproeverij ‘een bitterbal in het vizier’.
    Mutsaers gedichten schrijnen, ze balanceren soms op de rand van meligheid, maar vallen er nooit overheen. Daarvoor zijn ze ook te geestig, ook te barok, te zonderling, bizar en grillig. Ze ont-roeren zoals de gedichten van Fritzi Harmsen van Beek Mutsaers ontroert moeten hebben: ze brengen iets bewegingloos in onrustige beweging en verwarren je. In ‘Voor je tentoonstelling’, een brief van Harmsen van Beek, door Mutsaers opgenomen in Schilderijen, opgeluisterd met een brief beschrijft Harmsen van Beek het land waar ze woont: ‘waar de golven een beestachtig lawaai maken zoals andijvie’. Ze zal er hartelijk om gelachen hebben en zich zeer mee verwant hebben gevoeld.
     
    Hier nog het vervolg van het hilarische gedicht van Daniil Charms over de roodharige man die slechts voorwaardelijk rood was doordat hij geen haar op zijn hoofd had. De voordracht op You Tube (zie de link hierboven) geeft niet de rest van het gedicht:
     
    'Hij kon niet spreken, want hij had geen mond, een neus had hij ook al niet,
    Hij had zelfs geen armen en benen en geen spoor van ingewanden. Hij had niets! Zodat het niet duidelijk is over wie het eigenlijk gaat. Laten we het liever niet over hem hebben.
     
    'Ik las ze', schrijft Charlotte Mutsaers 'en al mijn zintuigen werden ververst'.
    (Kersebloed, p. 159)
     

    woensdag 24 oktober 2012

    Nieuw gedicht

    http://ooteoote.nl/2012/10/ll36-jane-leusink-je-bent-nog-volop-vreemdeling/#

    LL36: Jane Leusink – Je bent nog volop vreemdeling

    19/10/2012
    Door

    Je bent nog volop vreemdeling

    Je bent nog volop vreemdeling, ongestempeld
    zwemdiertje dat zich waant wie weet hier daar
    waar ook, de Lofoten, Longfellow of een mistig huis
    in de bergen. Wij dekken de tafel met borden, brood
    met handen zo open van verwachting, een haper misschien
    in de keel. Je blik is zo leeg als de blik van een vis
    uit je binnenste wereld gevouwen maar kan zijn.
    Hierbuiten trouwens veel natte natuur en netels
    tussen de woorden. Wat je hopelijk kunt billijken.
    We leggen een warmstenen vuur in de haard,
    praten geruststellende taal het meest
    tegen elkaar. Je bent niet meer wie je was,
    geen idee wie je morgen zult zijn, en
    wat als het arcadische verlangen naar meedoen je overvalt?
    We verzinnen wat af. Ik weet het, in de regel.
    Of altijd kun je volstaan met een aantal bewonderende zinnen,
    een drang is een wil, een stom ding van binnen. Maar toch, gisteren droomde ik nog
    van een kletsnatte kat, haar kopje duwde duwde
    en toen haar staart zo stenen tegen je beentje mieuw
    mauw en wilde, of hoe zeg ik, een wil is ook een dit
    of dat van de kat, die ergens over gaat. Je armen.
    Maar mocht je toch, dan vraag ik:
    raadpleeg bij twijfel ajb altijd mijn dochter
    of een van haar wijze vriendinnen.

    ___

    Jane Leusink is dichter, docent aan de Schrijversvakschool Groningen en recensent poëzie voor het literaire weblog Tzum. Ze ontving in 2003 de C. Buddingh’-prijs voor haar debuut Mos en gladde paadjes (Uitgeverij Mozaïek, 2003). Sindsdien schreef ze de bundels Erato (2005), Er is weinig aan de lente veranderd (2008) en Tot alles goed strak staat (2011). Ze was redacteur van Kwam iemand in de tuin vanmiddag, een poëtische hommage aan de dichter C.O. Jellema (Uitgeverij Kleine Uil, 2007) en De wierde van Wierum, gedichten ter gelegenheid van de renovatie van een wierde (Uitgeverij Kleine Uil, 2010). Daarnaast was ze schrijver en uitgever van het kijk-, lees- en kookboek Koken op het Hogeland, dat in 1999 één van de ‘Best Verzorgde Boeken’ werd. Ze schrijft voor Bouillon!-Magazine.
    Foto auteur: Jan Glas

    Eppie Dam over 'Tot alles goed strak staat'


    Als met een ganzenveer gebeiteld Een labyrint met spannende wendingen en omleidingen EPPIE DAM  Jane Leusink – Tot alles goed strak staat Kleine Uil, Groningen; 64 blz., €15 J e hebt dichters die werken vanuit de schaarste. Aan hun gedichten lees je bijna af dat het weinige waarmee ze begonnen, traag en mondjesmaat is aangegroeid. Anderen werken vanuit de overvloed. Wat niet wil zeggen dat daardoor het scheppingsproces alleen maar vloeiend verliep, maar bij wijze van spreken was alles op voorhand aanwezig.

     Jane Leusink (1949) behoort tot de tweede categorie. In haar in 2003 verschenen debuut ‘Mos en gladde paadjes’ – goed voor de C. Buddingh’-prijs – toonde zij zich al dichterlijk welbespraakt en gedreven. Wie er een bewijs van wil zien, leze uit genoemde bundel het gedicht ‘Om zware dagen te dragen’, door Gerrit Komrij opgenomen in zijn bekende bloemlezing.

     Onvoorspelbaar is Leusink als dichter, onconventioneel en levenslustig, soms tegendraads en opstandig. Wanneer ze de met toverkracht begiftigde Medea aan het woord laat, gelden de woorden evengoed haarzelf en haar poëzie: ‘geen duif ben ik getemd in een omsloten tuin / met aangeharkte paden geen gras / dat vers en buigzaam langs je enkels stroomt’. Jane Leusink schrijft geen aangeharkte poëzie, wel poëzie waaraan je blijft haken, dankzij de grillige barrières telkens opgeworpen in de stroomversnelling van ideeën.

    Deze vierde bundel is nog taliger en ongeremder dan haar eersteling.

    Door de jaren werd Leusink kariger met hoofdletters en leestekens, en vaker dan voorheen worden zinnen en gedachten niet afgemaakt. Het betekent dat de lezer in een labyrint wordt geleid, waaruit hij zelf een uitweg moet vinden. Maar het is er goed toeven, met al die spannende wendingen, doodlopende wegen, omleidingen en onverwachte openingen.

     Sommige gedichten doen denken aan die van Antjie Krog en Fritzi Harmsen van Beek, beiden ook dichters van de overvloed. De laatste wordt door Leusink bewonderd, en ze wijdt aan fascinerende Fritzi zelfs een in memoriam.

     Die pastiche is minder wervelend dan het werk van de geadresseerde, maar daar staan overtuigende verzen tegenover, zoals de negen wonderschone strofen bij de renovatie van de wierde Wierum. Leusink op haar best dicht losjes en doorwrocht, als werden haar regels met een ganzenveer gebeiteld.

     Eveneens een bijzonder mooi gedicht is ‘Wat dacht je dan ik hou’, over de antieke Thonet schommelstoel van oma Jet (‘ik zie waar ze zat / aan de kuil in de biezen’). In de wetenschap dat de haar geschonken stoel verstevigd moet worden, luidt Leusinks laatste strofe: ‘ik zit elke avond te zwoegen / oefen het maken / trek biezen door gaatjes steek er meteen / houtjes achter tot alles goed strak staat / pas als alles gedaan is haal ik ze los’. Als kleindochter moet ze geweten hebben: zo heb ik oma’s stoel gemat; als dichter: en zo bedrijf ik poëzie. Met vervlochten woorden die elkaar vasthouden.

     

    woensdag 3 oktober 2012

    Recensie Liter door Mart van der Hiele

    Recensie 'Gestamelde werken' -Rozalie Hirs

    Recensie: Rozalie Hirs – Gestamelde werken

    woensdag 3 oktober 2012 door Jane Leusink
    Uitslaande vleugels
    Laatst sprak ik een vriendin die zich erover beklaagde dat ze tegenwoordig nog zo weinig (eigenlijk zei ze geen) echte schoonheid meer in de kunst aantrof. Ze miste de ontroering, zei ze, kunst die gewoon mooi is. Ze was moe van kunst die de beschouwer wil ontregelen, kunst waar je ‘interessant’ of ‘boeiend’ tegen zegt of kunst waarvoor je eerst een boekwerkje door moet om te snappen wat de kunstenaar beoogt, zijn ‘concept’. Vriendin had net een weekje Documenta in Kassel achter de rug. Misschien moest ze de nieuwe bundel van Rozalie Hirs, Gestamelde werken eens gaan lezen, raadde ik aan, evenals trouwens Hirs’ vorige bundel – ook digitaal te beleven.
    Rozalie Hirs (1965) is dichter en componist (studeerde compositie bij o.a. Louis Andriessen). In 1998 verscheen haar eerste bundel, Locus en in 2008 haar vierde, Geluksbrenger, ook in digitale vorm. Op haar cd Pulsars (2010) combineert ze elektro-akoestische muziek met onder meer haar Engelstalige poëzie.
    Rozalie Hirs schrijft ernstige gedichten en ernstige muziek die ook dáárdoor overtuigen en zeggingskracht bezitten. Ze doet dat via op het eerste gezicht tamelijk onbegrijpelijke teksten en atonale muziek. Echter, alleen op het eerste gezicht. Lees, kijk en luister je beter en langer en geduldiger dan blijken overal in de gedichten de verhalen naar voren te springen en is de muziek eerder klankrijk, polyfoon en harmonieus dan atonaal.
    In Gestamelde werken heeft Hirs afgezien van de versterking die beeld en muziek gedichten kunnen geven en afgezien van woorden die als muzieknoten meezingen in de partituur. In zeven afdelingen heeft ze 51 gedichten ondergebracht, gedichten die ruimschoots ja tegen het leven zeggen. Expliciet verwoordt ze dat in de afdeling ‘Zonder titel’ in het wat geëxalteerde gedicht met de beginregels: ‘een nee is stoffig onpasselijk ontoereikend /voor de verwarring niet groot genoeg / zoals een ja wanneer / je ja! roept een ja zoekt iedere dag / anders vergaat je het ademen’. De dichter wil ons in verwarring brengen met positief getoonzette gedichten. Dat is een origineel uitgangspunt en de moeite van het onderzoeken waard, want dat zijn we niet echt gewend in de poëzie. En het blijkt te kloppen. Uit alle gedichten in de bundel treedt een fascinerende, in taal inderdaad verwarrende blijheid naar voren. Het ‘lees maar er staat niet wat er staat’ van Nijhoff wordt bij Hirs ‘er staat wat er staat, maar dat serveer ik je niet op een dienblaadje’. Het eerste gedicht van de afdeling ‘een dag’:
    vliegende vogels met verende vleugels lichten geworpen
    op een landkaart getekend in handen vlammend
    klaarwakker dat zei ik toch niet een ademloos lichtgewicht
    honingmerk en stuifmeel van levende klaprozen blauwe
    velden korenbloemen als ontpopte hoofden eenogige
    wolkenloze lucht waar dromen vandaan tevoorschijn
    komen als zijderupsjes zich in duizenden meters
    spinnende talen op grijsgroene moerbeibladen bedekt
    met haartjes onthullende draden een verliefde zon
    tegemoet komen zomaar zonder opdracht of regen
    strekkende voelsprieten even een aanraking
    van uitslaande vleugels naar wat is (een dag)
    Hirs zich bedient zich volop van alliteratie, assonantie, vergelijkingen en een voortjagend ritme, ze maakt overvloedig gebruik van bepalingen en bijzinnen, verplaatst zinsdelen en laat leestekens en hoofdletters achterwege. De vraag is of het geheel onder al die talige rijkdom te lijden heeft of dat het er juist door wordt opgetild. Ik maak dus een pas op de plaats. Alsof ik een puzzel aan het oplossen ben, breng ik leestekens aan, zet bepalingen op de, geschat natuurlijk, juiste plek en probeer een zin te reconstrueren. In het hierboven geciteerde gedicht blijven uiteindelijk de (dubbele?) positie van het ‘niet’ in r. 3, de ‘n’ in ‘wolkenloze’ (bedoeld?) en de functie van ‘zich’ in r. 7 dat er wat verloren bijstaat (‘strekkende’ r.11?) over. Vragen van iemand die globaal lezen een beetje te weinig vindt om een tekst te laten kloppen. Maar wat zijn die laatste twee regels bloedmooi.

    De afdeling ‘het wil en wil je’ bestaat uit vier gedichten (0, 1, 2, 3) waarvan het nulde gedicht het uitgangspunt voor de andere drie vormt. Deze drie zijn variaties op het nulde gedicht: ze verplaatsen en herhalen regels en woorden ten opzichte van elkaar. Zowel afzonderlijk als samen vormen ze een opmerkelijke orgastische taalexplosie: ‘het wil en wil je tegen die boom daar / zien van hoe je stam bloeit in parels / vochtigst zaadbad’. In datzelfde gedicht
    en om zonder een lettergreep knoppen
    betasten de jij en jij die wij bloot in het verwogen
    verhemelte weg te gaan aangroeien
    tot duizend sterren wegschietende
    hemelen er binnenin
    Dat laatste is natuurlijk een cliché. Aanleiding voor deze gedichten is de lezing ‘The matter with words’ (De Gids 4/2011) door de schrijver Tim Parks (bekend van de toenmalige bestseller Teach Us To Sit Still). Parks vraagt zich af hoe het geschreven woord het leven van de schrijver zo kan bepalen dat hij er ziek van wordt. Hirs schreef de reeks, zoals ze in de aantekeningen bij de bundel uitlegt, in opdracht van De Gids.
    Dichters in de Prinsentuin 2012
    In de in het Engels geschreven afdeling ‘long at present longing’ heeft Hirs het nulde gedicht van de vorige afdeling vertaald en laat dit nu volgen door zes variaties. Ook weer met gebruik van dezelfde of vergelijkbare woordgroepen, maar vrijer dan in ‘het wil en wil je’. Het Engels lijkt een strakker, grammaticaler en steviger product op te leveren dan het Nederlands. Het resultaat is wat mij betreft overeenkomstig met dat van het onderzoek dat Tim Parks ooit deed met Italiaanse studenten. Hij liet die een oorspronkelijk Engelse tekst en de Italiaanse vertaling ervan vergelijken en beoordelen (D.H. Lawrence, maar dat zei hij er natuurlijk niet bij). Het zal in het licht van mijn lezing van Hirs’ reeks geen verbazing wekken dat de studenten de Italiaanse tekst als brontekst aanwezen. In de aantekeningen schrijft Hirs dat ze de grammaticale regels van het Nederlands en het Engels op het niveau van de zin vergelijkt en onderzoekt.
    Het eerste gedicht uit de afdeling ‘zonder titel’ doet me onmiddellijk denken aan de aangrijpende bundel Stof dat als een meisje van Toon Tellegen. Ook hier pakt het me meteen: ‘een engel loopt over straat ontmoet een man / verdwijnt om de hoek//wanneer de engel en de man elkaar / hoe dan ook gezien hebben / verschijnt het glimmen van ogen / een zoeken verwoed naar oogleden neerslaan of / woorden van de vloer rapen’. Net als bij Tellegen vindt ook hier een – nu op subtiel niveau – gevecht plaats. De laatste twee regels zijn trouwens een lelijke afknapper: ‘bewust zijnd lichaam / op drift’.
    In de losse en hier en daar qua taal rustiger gedichten van deze afdeling ook gewoon mooie regels als ‘een dag rolt de straat op’ met de slotstrofen ‘zomert een blad//kentert een bloem’. Hier ook onverwachte perspectieven en fijnzinnige beschrijvingen van bijvoorbeeld een stofje (‘naast de voet van het papier en waar al’). Soms doen de gedichten in de verte denken aan Eva Gerlach (‘het begin van de dag’) en Hans Favery (‘vandaag probeer ik’).
    Wat geforceerd en gemakkelijk zijn de gedichten ‘duizend en één pixel…’ (waarin het onderzoek naar elementaire deeltjes van het Zwitserse CERN -‘het pakhuis van stofverwarring’- als ijdel en tijdelijk wordt beschreven), ‘een wereld als verzameling’ (overigens wel met een originele kijk op de vrije wil) en ‘om ons hollen’ (waarin de talloze feiten ons aangaande het nieuws nevengeschikt voorgeschoteld als ‘veelvuldig heden’, vervliegen in het licht van maan, wereld en heelal).
    Dat geldt ook voor de afdeling ‘bij toeval en de sterren’. De twaalf tekens van de dierenriem worden hier in twaalf gedichten tegen een nachtzwarte hemel oftewel pagina’s geprojecteerd. Alles heel mooi gedaan, al lijden de – gepersonifieerde – sterrenbeelden helaas onder hun uitbundige, maar daardoor ook saaie beschrijvingen. Misschien dat ik afgestompt raak door de vele taalvondsten, misschien ook dat het gebrek aan diepte me parten speelt. De opdrachtsituatie (themanummer Kluger Hans KH#6) lijkt Hirs in deze bundel wel parten te spelen.
    In ‘vier de stameling’ viert Hirs tot op het bot (de lettergreep) de taal. Het is een letterlijk duizelig makende samenvatting van ‘bij toeval en de sterren’ waarin mij de laatste twee strofen troffen: ‘al wat de naam / te verstamelen geeft’. Terwijl ik dit typ en de spaties tussen de woorden van het citaat oversla, moet ik onweerstaanbaar denken aan Nijhoffs ‘maar toen heeft het geschreven, / zonder haast en zonder schroom, / al wat ik van mijn leven /
    nog ooit te schrijven droom’ (‘Het kind en ik’).
    Ten slotte de laatste afdeling (1-7) ‘die deed mijn schoenen aan’ waarin de ik voluit ochtend, dag en nacht bezingt. In het eerste gedicht heet het: ‘ben ik even dageraad sering als zijn stengel knopperig’, in het tweede: ‘huilde ik kom nu dan kom gestoppelde ochtend’, in het derde: ‘bloem haar knopen openbloeiende letters greep de dag / de nacht’; in het vierde: ‘dat ochtendrijp zo kiemt en kiemt de melkwitte zon’, in het vijfde: ‘onkruid gestekte paardenstaarten een land vol mei//bevochtig aarde om lente te zaaien’, in het zesde: ‘aan water toe in brandende zon volgen oogtakken’, in het zevende: ‘langs bleke berkenbast bijen zoeven//de maan zijn fratsen zien oogdiertjes springende nachtegaal’.
    Het is trouwens de dood die de ik schoenen aandoet, maar gemakkelijk weer ontloopt: ‘door springvorst ben ik weggegaan op blote voeten’. Vergelijk het ‘anders vergaat je het ademen’ uit het hierboven al aangehaalde gedicht dat je als het credo van de dichter kunt lezen.
    Ze blijven op het niveau van de zin misschien vooral voer voor neerlandici, deze gedichten. Misschien moet je ze ook helemaal niet zo lezen, maar ze integraal tot je nemen, zoals je een wolk spreeuwen beschouwt, als collectiviteit. Ze geven zich uiteindelijk wel prijs, maar dat lijkt meteen ook het probleem. Ook inhoudelijk wil je graag dat een dichter, mét open plekken voor de lezer, een waarheid, een originele, liefst diepe of ontroerende of onthutsende blik op de werkelijkheid opschrijft. Bij Hirs blijft het jammer genoeg bij lyrische beschrijvingen van het wonder van de taal. Met een beetje goede wil, en hoe graag wil ik niet, kun je gemakkelijk meegaan met haar soms wat naïef aandoende en vaak extatische poëzie. Blijft de vraag of deze gedichten zich ten slotte niet tegen zichzelf keren, zichzelf in de staart bijten doordat hun taal uitgehold raakt. Met taal kun je spelen, zei Ted van Lieshout onlangs laconiek, en dan heb je poëzie. Maar is dat voldoende?
    Jane Leusink
    Rozalie Hirs – Gestamelde werken. Querido, Amsterdam. 88 blz. €18,95