woensdag 20 februari 2013

Uit de biografie van Bart Slijper over Willem Kloos


 
Uit de biografie van Bart Slijper over Kloos  

‘De schim van zijn vriend houdt nog lang grip op het leven van Kloos. Dat was al begonnen in de nacht na Perks sterven, toen er volgens Kloos zachtjes op zijn deur geklopt werd. Drie uur 's nachts, niemand te zien, zijn hospita weet van niets. Pas de volgende dag herinnert hij zich een afspraak met Perk van anderhalf jaar eerder, dat degene die het eerst zou gaan, de ander zou waarschuwen mocht er leven na de dood zijn'. (p. 99) 

Nogmaals (3) Kloos, nu over een bespreking van Albert Verwey in De Amsterdammer (1882, Verwey is nog maar zestien, Kloos noemt hem 'zoo'n jong kuikentje'): 'Maar je zinnen blijven niet in de maat: geen flinken golfslag, maar een goot die overloopt: je doet net als een kind, dat zijn eigen kopje vol wil schenken, je morst nog te veel buiten het kopje (...). Ben je nu boos?' (p.114-Bart Slijpers bevlogen Kloosbiografie). 
Verwey blijft onverstoorbaar. Je kunt het tenslotte heel wat slechter treffen met je recensent. Overigens mogen leerlingen van Schrijvervakscholen in den lande wel blij zijn met de aandacht die docenten in hun lessen geven aan genuanceerde feedback. Hoewel, bij nader inzien vind ik dit toch treffende genuanceerde, positieve feedback, ook jegens de tere dichtersziel. Goed lezen!:-) 
 

Onweerstaanbaar geestig is Willem Kloos ook in zijn woede: tegen Albert Verwey (1888): 'Je behoeft mij niet meer te schrijven: ik zal het jou ook niet doen: en vergaderingen kan ik van de week niet bijwonen, want ik heb geen geld om over te komen. Ik schrijf dit niet in een voorbijgaande stemming, want ik ben sinds 24 uur gewoon razend. Overkomen behoef je niet: dat zou de boel maar erger maken. Laat me maar verrekken.' 

Als Jacques Perk sterft, hij is pas 22, hoort zijn vriend (en dat laten we hier in het midden) Willem Kloos 's nachts zachtjes op de deur kloppen. 'Drie uur 's nachts, niemand te zien, zijn hospita weet van niets. Pas de volgende dag herinnert hij zich een afspraak met Perk van anderhalf jaar eerder, dat degene die het eerst zou gaan, de ander zou waarschuwen mocht er leven na de dood zijn'. Af en toe weet Kloos' biograaf Bart Slijper ons bloedstollend mee te voeren.

 

Bedankt Bart Slijper voor deze fijne en vervrolijkende staaltjes Kloos.,

 

 
 

zaterdag 26 januari 2013

Poëzie aan de etalageruit

Een bericht van Coen Peppenbos op
http://coenpeppelenbos.blogspot.nl/2012/10/poezie-banieren-in-de-stad.html

Poëzie-banieren in de stad

Wie binnenkort door de stad wandelt heeft een grote kans een etalage met een gedicht tegen te komen. Stadsdichter Stefan Nieuwenhuis heeft een simpel, maar doeltreffend plan bedacht om de vele leegstaande winkelpanden in het centrum te verfraaien. In plaats van een kale lege ruimte ziet de wandelaar een banier met een gedicht van een stadjer hangen.
Het werkt wel, merkte ik vanmiddag toen ik door de Zwanestraat liep en een meneer aandachtig het gedicht van Jean Pierre Rawie zag lezen.
Ze zijn nog bezig om nog meer banieren op te hangen. Het is ook de bedoeling dat na verloop van tijd de gedichten gewisseld worden, zodat je regelmatig een vers gedicht op de ruit ziet.
 
Coen zelf hangt in de Carolieweg. Mijn gedicht hangt daar om de hoek aan de (korte) Gelkingestraat
 
Het gedicht komt uit Tot alles goed strak staat
 
 
Dat is het niet
 
Als je dat gedaan hebt is er niets aan de hand
in een seconde ben je zo’n moment door
het is een maar eenvoudige emotie
die je niet hoeft uit te leggen
je hoeft je er niet voor te schamen
of er raar over te doen het is gewoon
vrienden onderling ik hou van je
daar ligt het niet aan er is het dak
boven ons hoofd een kamer en een bed
dat opgemaakt wil worden er zijn lakens
en wij die daar voor altijd willen slapen
er is een tafel een vaas voor op de tafel
er zijn stoelen en de bank
nu gaan we met z’n tweeën chillen op de bank
of iets met je vrienden doen vraag ze maar
denk niet dat ik het met jou niet leuk heb
ik hou van je dat is het niet het is gewoon
vrienden onderling probeer nu eens even niets
te willen alles is er toch al? het komt goed
en anders komt het goed ik hou van je
daar gaat het niet om.

 

Hooft schreef nogal wat erotische gedichten

http://www.tzum.info/2013/01/filmpje-dichter-ramsey-nasr-draagt-p-c-hooft-voor/

De taal van de liefde van P.C. Hooft

 





Recensie: P.C. Hooft – <em>De gedichten</em>

Recensie: P.C. Hooft – De gedichten

zaterdag 26 januari 2013 door Jane Leusink
De taal van de liefde
‘Klare, wat heeft er uw hartje verlept,’ is de beginregel van een gedicht van P.C. Hooft. Lang voordat ik dat wist, kende ik die regel al uit een roman, eigenlijk meer een meisjesboek, waarin de vader, een hoofdonderwijzer en maniakaal citatenverzamelaar, dat tegen zijn dochter zegt: ‘Paula, wat heeft er uw hartje verlept,’. Niet nodig hier te vermelden dat ik ook wel zo’n maniak als vader wilde en bij gebrek daaraan het boek met zijn stroom citaten vele malen heb ‘verslonden’. En, vind ik prettig om te denken, later Nederlands ben gaan studeren en aldus Hooft ontmoette.

Op 19 oktober 1637 stuurt Hooft collega-dichter Constantijn Huygens een gedicht door van de dichteres Maria Tesselschade Roemer Visscher. Het is een troostsonnet geschreven bij de dood van Huygens’ vrouw Susanna van Baerle, maar – ingewikkeld – gericht aan Hooft. Daarin staat ook de volgende regel:
En stel’ zijn leed te boek, zo heeft hij ‘t niet t’onthouwen. (‘heeft’ is ‘hoeft’)
We snappen meteen waarom Huygens deze regel nog aanhaalt als hij vijfentachtig is: hoe kun je iets wat eigenlijk nogal een cliché is zo verrassend formuleren. Huygens blijft in 1637 met vier zoontjes en een pasgeboren dochtertje achter, Tesselschade heeft al eerder haar man en dochtertje verloren.
De grote gevoelens verwoorden in poëzie, het vorm geven aan je verdriet in taal was natuurlijk niet voor iedereen weggelegd, maar als remedie, als ik het zo mag noemen, was het beproefd in het zeventiende-eeuwse intellectuele milieu.

Het was de tijd van de rederijkerskamers. Je kwam er bij elkaar en schreef poëzie vol ingewikkelde versvormen en rijmschema’s, altijd bedoeld om je lezer, je publiek een boodschap, een wijze les mee te geven. Bepaald geen ‘kunst om de kunst’ dus. Dat je gezwoeg hoegenaamd geen goede tekst, maar eerder een saai, ongeïnspireerde knutselwerkje voortbracht, deerde niet. Je droeg maandelijks je laatst gemaakte gedicht voor, kreeg er ongetwijfeld de nodige feedback op terug.
Ook al stonden ze zeker open voor de nieuwe, uit Italië en Frankrijk afkomstige dichtvormen, de rederijkers zijn er in de Nederlandse literatuurgeschiedenis zeer slecht vanaf gekomen. De invloed van de beroemde Italiaanse dichter Francesco Petrarca (1304-1374) heeft daar niets aan kunnen veranderen.
Een gedicht is een ding, een met zeggingskracht volgestopt bouwwerkje van woorden. De rederijkers zullen dat nooit zo modern gezegd, laat staan gevonden hebben. Het laat onverlet dat daar, in die van taal vervulde omgeving, grote talenten konden opbloeien.
De dichter P.C Hooft (1581-1647), drost van Muiden en ambitieus lid van de Eglentier, de Amsterdamse kamer, was zo’n talent. Hij was na zijn middelbare school afgereisd naar Italië, niet alleen vanwege de zakenrelaties van zijn vader die in de handel zat, maar ook vanwege de moderne kunst en cultuur daar. Hij maakte er kennis met het sonnet en met de klassieke literatuur. Pieter Corneliszoon bleek bijzonder geïnteresseerd. Toen hij na drie jaar weer thuis was, gaf hij in de Eglentier graag staaltjes van zijn poëtisch kunnen weg.
In een van die moderne sonnetten stelde hij net als Maria Tesselschade later deed, zijn (minnaars)leed te boek in wat misschien wel zijn beroemdste sonnet zou worden.
Gezwinde Grijsaard die op wakk’re wieken staag
de dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken
altijd vaart voor de wind en ieder na laat kijken,
doodvijand van de rust, die woelt bij nacht, bij daag;
onachterhaalb’re Tijd, wiens heten honger graag
verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken,
en keert en wendt en stort staten en koninkrijken,
Voor iedereen te snel, hoe valt gij mij zo traag?
De subjectiviteit van de tijdsbeleving in schitterende metaforen vorm gegeven. Ik stel me er de Vliegende Hollander bij voor, het spookschip, gedoemd altijd maar door te varen, nooit af te meren in welke haven dan ook. Aan het eind van het octaaf lezen we waar Hooft naartoe wil, met een regel die extra reliëf krijgt door de weidsheid van het ervoor opgeroepen beeld. In het terzet vervolgt de dichter:
Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijf ik met mishagen
de schoorvoetige tijd, en tob de lange dagen
met arbeid avondwaarts. Uw afzijn valt te bang
en mijn verlangen kan de Tijdgod niet bewegen,
maar ’t schijnt verlangen daar zijn naam af heeft gekregen,
dat ik den tijd die ik verkorten wil, verlang.
Het is een ontroerende confrontatie met tijd en gemis waaraan Hooft speciaal vorm geeft door het adembenemende woordspel in de laatste twee regels. Zo blaas je en passant ook alle clichés op. Bovendien, door het persoonlijke zo slim te verhullen, springt het juist in het oog. Het gedicht is opgedragen aan Mithra Granida, zijn latere vrouw Christina van Erp. Het is gedateerd 17 februari 1610. Ze trouwden in augustus van dat jaar. Hooft had in acht maanden tijd veertien gedichten voor Christina geschreven.
Vorig jaar zijn De gedichten verschenen, verzorgd door Johan Koppenol en Ton van Strien. Zij schreven een bevlogen verantwoording waarin ze overtuigend aantonen waarom de ‘lichtheid’ van de poëzie van Hooft (mijn woorden-jl), toch zo’n ‘zware’ uitgave rechtvaardigt. De annotatie bij de gedichten is zeer verhelderend en kan tegenwoordig niet uitgebreid genoeg zijn. De spelling en interpunctie zijn aangepast waardoor de teksten stukken toegankelijker zijn geworden en een verademing voor de dappere die zich aan de beslist niet altijd eenvoudige poëzie van Hooft waagt. Daarnaast worden de gedichten verlucht door prenten, portretten handschriften en muzieknotaties. Tot mijn grote genoegen zag ik alle Emblemata amatoria terug.
Veel van zijn gedichten heeft Hooft geschreven bij bestaande melodieën, er werd in de zeventiende eeuw veel gezongen en gemusiceerd. Hooft was een wereldse, charmante door schrijvende, artistieke en geleerde vrouwen omgeven man. We kennen Brechtje, Anna, Ida, Anna, Tesselschade, Christina, Eleonora en Susanna. Als hij zijn vrienden ontving op het Muiderslot zaten daar ook de vriendinnen bij. Het thema van de teksten was meestal de liefde. En wie zou niet verliefd worden op een dichter die je een lied toestuurt dat begint met:
Amaril, de deken zacht
van de nacht,
met zijn blauwe wolkenbuien,
maakt de starren sluimerblind
en de wind
zoekt de maan in slaap te suien (= zingen)
Het gedicht is opgedragen aan Ida Quekels, een geheime geliefde. De titel ‘Bella ninfa fugitiva…’ staat boven de melodie en is de beginregel van het slotkoor van de opera Dafne van Jacopo Corsi (1600). De muzieknotatie zelf is uit Valerius’ Gedenck-clanck (1626). Natascha Veldhorst heeft de muzikale redactie van de gedichten voor haar rekening genomen. Zij heeft de melodieën bij een groot aantal gedichten gezocht, een verantwoording geschreven en van het geheel is een mooie cd verschenen. Zij is zeer grondig te werk gegaan. Hoe ‘licht’ de poëzie van Hooft eigenlijk was, daarvan krijgen we ook door haar onderzoek een goed idee.
Hoe schrijf je liefde? Hooft is een dichter die een perfecte balans wist te vinden tussen het allerpersoonlijkste en de virtuoze verwoording daarvan in het gedicht. Dat maakt, wat je zijn ‘stijl’ kunt noemen tegelijk dichtbij en afstandelijk (ondanks dat het in zijn vele liefdesliederen, -liedjes en -sonnetten wemelt van erudiete verwijzingen naar schrijvers uit de klassieke oudheid -de bezorgers vermelden keurig dat Vergilius de grootste Romeinse dichter was en Cicero de beroemdste prozaschrijver).
Ik zou alle liefdesdichters en -dichteressen, waarvan we er in ons land tienduizenden schijnen te hebben, willen adviseren vooral eens bij P.C. Hooft te rade te gaan als het gaat om te oefenen in de taal van de liefde.
Jane Leusink
P.C. Hooft – De gedichten, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 816 blz. €45,-.
 
Gerelateerde berichten:



 
 

 
 
 

maandag 17 december 2012

Dat wat ik vasthield liet mij zomaar los. Eijkelboom op Tzum.nl

Recensie:  J. Eijkelboom – <em>Verzamelde gedichten</em>

Recensie: J. Eijkelboom – Verzamelde gedichten

woensdag 12 december 2012 door Jane Leusink
Dat wat ik vasthield liet mij zomaar los
Eijkelbooms poëzie is herkenbaar en toegankelijk. Velen, ook jongeren (Eijkelboom was al drieënvijftig toen zijn eerste bundel verscheen) liepen ermee weg, niet in de laatste plaats waarschijnlijk door het onburgerlijke, enigszins onaangepaste karakter ervan. Zijn thema’s zijn onveranderlijk de drank, de liefde, de eeuwige strijd met zichzelf en het leven en de naderende dood. Zijn wijze van zeggen was altijd gedurfd, ironisch en genadeloos persoonlijk.
Dat blijkt al uit het gedicht ‘Inferno’ (met de mooie derde regel ‘Dat wat ik vasthield liet mij zomaar los.’) in Wat blijft komt nooit terug:
Wel had ik nooit iets opgelost,
altijd maar liever meegegeven
en wás er iets, dan had ik dorst.
Om te eindigen met:
Erger dan wanhoop is het kwaad
dat mij hier doodstil gadeslaat.
Zelf kreeg ik de eerste twee bundels bij mijn afstuderen cadeau. Mijn lievelingsgedicht werd ‘O’ uit De gouden man:
O
O, dat ik ooit nog eens
een vers met o beginnen mocht,
dat het dan ongezocht een ode
werd waarin zeg maar een dode
dichteres tot leven kwam
ofwel een warm lief lijf
tot marmer werd waardoor
voor wie daarvoor gevoelig is
een adem ging als was het
leven nu voorgoed betrapt.
Maar nee, wat bij mij ingaat moet bezinken,
verdicht zich tot een sprakeloos substraat
dat roerig wordt en uit wil breken
en soms vermomd de mond verlaat.
0, klonk het nog eens ongehinderd.

Voor een pas afgestudeerde met dichterlijke aspiraties was dit precies wat ze horen wilde. Hoe onnadrukkelijk nadrukkelijk die o-klanken. Hoe elegant het beeld van die in Hegeliaans aandoende dialectiek gevatte tegenstellingen dood-leven, leven-beeld, beeld-adem. Alleen de (leven scheppende) adem ontbreekt. Zeiden ze dat in de Oudheid al niet van de Aphrodite van Praxiteles?
In de tweede strofe zijn het de rauwe r-klanken, het binnensmonds mompelen en het gevoel in het zeggen almaar mis te kleunen die de wanhoop van de dichter ook in woord en klank verbeelden. Waarna de laatste regel het gedicht met een diepe zucht afsluit. En dat alles ook nog eens vervat tussen twee, nee drie O’s. Wat een perfecte taal, wat een schitterende compositie.
Jan Eijkelboom (1926-2008) publiceerde zijn eerste, vele malen herdrukte bundel, Wat blijft komt nooit terug, in 1979. Voor zijn tweede, De gouden man, ontving hij in 1982 de Herman Gorterprijs en met Een olifant met geheugenverlies schreef hij in 2005 zijn laatste. In totaal schreef Eijkelboom twaalf bundels. Hij ontving in 1994 de Anna Blamanprijs voor zijn gehele oeuvre en in 2003 voor Heden voelen mijn voeten zich goed de Jan Campertprijs. Dit jaar verschenen zijn Verzamelde gedichten.
‘Ik tracht nu hardnekkig / aan de dood te denken’, schrijft Eijkelboom rond zijn tachtigste in ‘Atrium’ (Nagelaten gedichten), ‘maar mijn gedachten dwalen af, / bijvoorbeeld naar die ruisende heg / in de zon, de wind doet hem buigen’. Om te eindigen met: ‘Ik moet hem nodig snoeien / maar heb nog alle tijd om dat te doen, / te laten ook.’
Aardig natuurlijk, maar ook wat gemakkelijk. Soms leidt dit type, waarschijnlijk zen-achtig bedoelde observaties tot regelrechte meligheid zoals in het gedicht ‘Interieur’ (Een olifant met geheugenverlies) waarin de ik zich vergelijkt met een oude crapaud met koekkruimels, oude centen en een potloodstompje tussen zitting en zijkant. Om te eindigen met: ‘Maar het moet gezegd, aan het eind van een verbruikte dag / zit hij wel goed’. Een punchline (clou) schijnt Eijkelboom dergelijke afsluitende regels wel genoemd te hebben. Ze komen in al zijn bundels voor. Ondanks de perspectiefwisseling die hij daarbij toepast, zou je toch willen dat hij zich wat vaker had kunnen inhouden en wat meer aan schrappen had gedaan. Bovendien benadrukken zulke regels het anekdotische van zijn gedichten dat hem zo vaak is verweten.
Dit gezegd hebbende, noem ik hier liever uit Wat blijft komt nooit meer terug het ontroerende, naar aanleiding van de zelfmoord van dichter en vriend Jan Emmens geschreven ‘Egidius’.
En uit De gouden man, de acht gedichten onder de titel ‘Wolwevershaven’. In de beginregels: ‘Water praat met het huis, / je hoort het ruisen en klokken.’ hoor je inderdaad de waterman, de precieze luisteraar, maar ook kijker, die Eijkelboom was, net als in: ‘Water, hoe ordent men dat?’ (2); en in: ‘Zie door de scheefgestreepte ruit / een vogel die hardwerkend / toch stilstaat in de storm.’(3); of in: ‘Uit weelde wil ik niet slapen, / kijk over het water uit. / Een trage golf breekt niet / maar wrijft zich tegen ’t huis.’ (8).
Het water is Eijkelbooms geliefde Merwede in zijn al even geliefde stad Dordrecht. In Dordrecht ook werd hij stadsdichter, in 2003. Een eervol en levenslang stadsdichterschap dat eindigde in 2008.
Leuk om hier even te noemen is het gedicht ‘De kat’, met de verwijzing naar de dubbelgepuntmutste kat in het gedicht van Fritzi Harmsen van Beek. Hij kende Harmsen van Beek van Jagtlust, maar de drank en vrije seks daar werden ook een Eijkelboom al gauw te veel.
Ten slotte het belangrijke gedicht ’21 november 1981’, over de beroemde demonstratie tegen de kruisraketten, waar 400.000 mensen aan meededen:
Je liep daar naast mij in je gouden jack.
Ik liep je te nog te leren kennen,
Jij moest nog aan de oorlog wennen
Die ik nog niet had afgelegd.
Eijkelboom was niet iemand van demonstraties of van vol met maatschappij gevulde gedichten. Maar aan deze demonstratie deed hij mee, misschien wel dankzij de nieuwe geliefde. En hij schreef erover. In het gedicht doet hij een geslaagde poging het ongerijmde, dat wil zeggen de politiek, de liefde en zijn oorlogsverleden (hij nam deel aan de politionele acties in Indië), zo niet met elkaar te verzoenen, dan toch wel in te zetten teneinde een oorlogstrauma te verwoorden:
Jij stond daar naast me in je gouden jack
Het oproer bleef uitbundig stromen
Ik heb mijn ransel afgenomen
en achteloos opzijgelegd.
In de bundel Het lied van de krekel staat ‘Callantsoog’ met de slotregels: ‘In feite zitten zij nog net zo om die tafel / in dat doorzichtige huis, zo blijvend / buiten bereik.’ In Het arsenaal ‘De winterschilder’ dat eindigt met: ‘Die dan weer weet: het was genoeg, / heel deze overvloed / aan schaarste.’ Kijk, dat vind ik nu twee voorbeelden van geslaagde punchlines.
Jan Eijkelboom was groot vertaler van Engelse/Amerikaanse dichters. We vinden in de diverse bundels het een en ander terug van Emily Dickinson, Philip Larkin, W.B.Yeats, Derek Walcott en W.H. Auden. Zijn veelgeprezen vertaling van gedichten en preken van John Donne kwam al in 1957 apart uit. Hun invloed op zijn eigen poëzie is groot. De bezorger van de Verzamelde gedichten Kees van ‘Hof werpt in de biografische schets achterin het boek bij monde van Kees Fens (een bron ontbreekt) een interessant licht op deze invloed. In dezelfde tijd dat in Nederland de Vijftigers actief waren keerde men in Engeland veelal terug naar meer rationele poëzie en traditionele vormen. Eijkelboom heeft zich hierin waarschijnlijk herkend. Ook zijn vriendschap met verwante dichters als Jan Emmens en Ed Leeflang krijgt hierdoor wellicht een diepere betekenis.
Jan Eijkelboom was de laatste dertig jaar van zijn leven dichter, daarvoor was hij actief als journalist en (hoofd)redacteur van Vrij Nederland, Het Vrije Volk en de Dordtenaar, medewerker van Maatstaf en Propria Cures en mede-oprichter van het literaire blad Tirade. Bezorger Kees van ’t Hof heeft voor deze uitgave prijzenswaardig – Verantwoording -, soms pijnlijk nauwkeurig werk geleverd: in de Aantekeningen bij de gedichten vraag je je af wie hij als lezer voor ogen had met zijn uitleg (ketter: iemand die afwijkt van de leer; earl grey: een theesoort). En als je niet oppast denk je bij al die bekende straatnamen: gut heeft Eijkelboom soms ook in Groningen gewoond? Opvallend is dan weer dat in de biografische schets de chronologische dwars door de systematische ordening van de feiten heen loopt. Verwarrend. Maar misschien zijn dat wel erg veel spijkers op laag water. Feit blijft dat we Jan Eijkelboom door middel van deze mooi bezorgde uitgave van Van ‘t Hof kunnen blijven gedenken én lezen. In Eijkelbooms eigen woorden:
Als ik die overrompeling
toch vast wil leggen, dan moet dat zijn
in onversierde taal, bijna vanzelfsprekend.
Uit: Een olifant met geheugenverlies
Jane Leusink
J. Eijkelboom – Verzamelde gedichten. De Arbeiderspers, Utrecht. 560 blz. €45,-
     

     

     


    donderdag 22 november 2012

    Ontmoet de dichter ...


    50 gedichten van 50 dichters
    die optraden in het Poëziecentrum Nederland
    met 50 prenten van Gerrit Westerveld

    http://nederlandsepoezie.wordpress.com/2012/11/14/ontmoet-de-dichter/

    'In deze uitgave hebben wij de prenten van de eerste vijftig dichters die in 'Ontmoet de dichter ...' hun opwachting maakten, bijeengebracht', schrijft Wim van Til, oprichter van het Poëziecentrum, in het Voorwoord.
    Het centrum vestigde zich in 2005 in Bredevoort Boekenstad, in een voormalige basisschool omgedoopt tot Boek op 't Zand. Ikzelf zat op een middag in 2008 bij Wim van Til aan tafel. Het klaslokaal stond barstensvol dichtbundels (Van Til is groot verzamelaar). Om de tafel zaten poëzieliefhebbers en - grote verrassing - mijn moeder, zus en haar partner - helemaal vanuit Arnhem afgereisd. Ook daardoor werd het een bijzondere middag: Wim van Til betrok mijn familie bij het gesprek. Van Til is een meester in wat hij zelf noemt 'loslippigheid': 'elke dichter was zonder uitzondering loslippig', schrijft hij ook in het Voorwoord. Hij vroeg de dichters om een gedicht en graficus Gerrit Westerveld maakte er een prent bij. Mooie en bijzondere prenten zijn dat geworden. Mijn moeder, zus met partner en ik gingen na afloop een hapje eten in een onderaards ogend restaurant in Bredevoort. Ik koester de herinnering aan die middag.
     
    Mijn gedicht, dat uiteindelijk uitgroeide tot een reeks van acht gedichten die terecht kwam in Tot alles goed strak staat (2011) neem ik hier op:
     
     
    Het is de vraag

     
    Er zijn gedachten die geen ruimte of kiertje open laten

    voor wat ook beendroge gedachten niet meer te plooien

    nog gisteren met potlood neer-  en ingeschreven

     
    vandaag is het gedicht een muur van metershoog levend

     
    moest ik steeds naar bomen kijken zag

    wat hij gezien had en schilderde een oeroud

    landschap open verbinding waar jij en ik

    ons kunnen vertreden boeiend uitzicht zomer

    en winter in steigers van hedera helix

     
    vandaag is het gedicht omwille geplukt

     
    fixeert een dromende hond zijn wakkere vlucht

    tot standbeeldje in zijn hart liggen herinneringen

    te wachten op ontslaping er staat geen wind

    de wind instinct schaap of wild zwijn

    dat door de varens ruist.

     
    vandaag is het gedicht een scheet in een netje

     
    willen ook kleren bewoond worden

    ze hebben je nodig herinneringen houden ze

    vast al die lege kleren prachtige spullen

    als een pratende verzameling stiltes

    je onuitsprekelijkheid bewaart

     
    vandaag is het gedicht potdicht gegroeid

     
    zweet een vrouw met het puntje van haar tong

    tussen haar lippen het verschil het schort hier

    niet aan verbinding schrijft ze, ik zie niets

    in het licht van bevroren conflicten

    en omstandigheden

     
    op  haar vleugels vatten dode schilders post

    onder haar vleugels drijven schapenhonden

    lege kleren snijden haar reliëf

    de vraag is of ze vormt of mis-

    dinsdag 20 november 2012

    Recensie Charlotte Mutsaers' 'Dooier op drift'


     Op Tzum, het literaire weblog van Coen Peppelenbos

     
    Recensie Jane Leusink van Charlotte Mutsaers Dooier op drift
     

    Annie Hall met toffe stropdas

     Het engste schilderij dat ik ken is Kronos verslindt zijn kind, in 1637 geschilderd door Rubens. In het openingsgedicht van haar gedichtenbundel Dooier op drift schrijft Mutsaers ‘Kronos at met smaak / zijn eigen kinders / op / peanuts / naast / de aangevreten / hartenklop’. Zodra je bent geboren gaat de dood al aan het werk, gedurende je leven word je al dooier en dooier, zelfs je hart dat toch bij uitstek het symbool is van de liefde. Dat is het allerergst. Het universum van Charlotte Mutsaers is van taal en associaties gemaakt en je wordt daar in deze bundel pardoes en uiterst doeltreffend ingezogen. Vitale taal, al wil ik zo’n suggestieve term liever niet plakken op iemand die net de zeventig is gepasseerd, op haar verjaardag een bundel gedichten presenteert en Charlotte Mutsaers heet. We kennen haar immers al van avontuurlijke prozawerken zoals daar zijn Kersebloed, De Markiezin, Rachels rokje, Koetsier Herfst en uit mijn boekenkast plukte ik ook nog de hilarische bundel emblemata Circus van de geest uit 1983, het eerste werk. Laat je door de opgewekte toon van ‘When walls come tumbling down’ (in het Engels bekt het beter) dus niet beduvelen. Overal loert dood en doodsangst. En levensdrift. De meute (drift) gedichten die Mutsaers op ons afstuurt eindigt met het gedicht ‘Zeventig’:
     
    De zilte struiken hielden mij
    voortdurend uit de slaap
    de honden naast me
    dreven langs voor aap
     
    Koreaanse oesters met Koreaanse baarden
    zeepaarden gestuwd door paardenstaarten
    dennenstroop met tuiten langs de mastschacht
    korenaren wiegend in de zweetnacht
     
    Zo sliep ik in
    mijn bed op open zee
    alles normaal alleen
    mijn leeftijd vreemd
     
    Kun je je het levensdriftiger voorstellen? Voor Mutsaers geen Japanse oesters of tranen met tuiten, ze doet er schepjes bovenop. En wat is vruchtbaarder dan korenaren? En alles op rijm, of het nu binnen of aan het einde van de regel zit. Het dwingt al die wilde beelden in het gelid, het is strak geordende chaos, die je aan een schilderij van Matthijs Röling of Wout Muller doet denken. Maar ze heeft die (ver)vreemde(nde) leeftijd toch maar mooi gehaald. Je wrijft je ogen erbij uit.
    Charlotte Mutsaers schreef tot nu toe twaalf boeken. Haar literaire werk werd achtereenvolgens bekroond met de Jan Greshoffprijs, de Busken Huetprijs, de Constantijn Huygensprijs en de PC Hooftprijs. Voor haar literaire en beeldende werk ontving zij de Jacobus van Looyprijs. Ze werd genomineerd voor zowel de AKO Literatuurprijs, de Gouden Uil als de Libris Literatuur Prijs. In mei 2010 heeft Charlotte Mutsaers de P.C. Hooftprijs ontvangen voor haar gehele oeuvre. Dooier op drift is eigenlijk haar tweede bundel. In 2009 verscheen Slagboom in bloei bij Druksel in Gent, waar maar 126 exemplaren van werden gedrukt. Die gedichten zijn ook opgenomen in deze bundel, zodat we nu alles kunnen lezen.
    Naast de dood heerst er angst voor de taal, hoe kan het anders. In ‘Lexicaal bedreigd’ is het de taalmacht, die het kind bevangt als eerst het woord ‘moordenaar’, afkomstig van de vader, en dan het woord ‘medeminnaar’, van de moeder, ’s nachts opstaan en gaan rondspoken: ‘Words words / onderschat ze niet / taaier dan draadjesvlees / scherper dan scheermessen / vachtloze voorbodes van / verdriet. ‘Vachtloos’, kan het veelzeggender? En in ‘Knoflookkapsel beter dan capsules’ waarin zowel Medusa, als de schroeilucht van knoflookvlechten en Goud-Elsje langskomen heet het: ‘Doe maar voort fictie / fik maar rustig zo door’.
    De dood heerst ook onder de vrienden met wie de ik eeuwig vriendschap gesloten dacht te hebben: ‘Wist ik veel / dat er maar één / bestaat / die recht van sluiten / heeft / de nietsontziende / claviger / geheten / Dood’. De sleutelbewaarder, het is net een concierge.
     Ook geliefde kunstenaars worden bediend, maar altijd net even of radicaal even anders dan je zou verwachten: Ensor, waarin ze met een bos plastic tulpen een kat van zijn graf aan zee mept en de lokroep van de dood weerstaat, want helaas ‘alles wat dood is blijft eeuwig / bestaan en leeft levenslang met u mee’. Louise Bourgeois die wreed met haar naam is opgezadeld, met in hetzelfde gedicht de Hitlerkever. Dali die altijd met een lepel in zijn hand insliep en wakker schoot als die op de grond viel: ‘Zo lukte het / droom / na droom / op te scheppen’. Verder Goldberg, Kafka van wie Mutsaers in 'Herziene uitgave' het einde van Het Proces herschrijft: ‘Veranderen wij / domweg / Hund in Mensch / Wie eins Mensch / sagte er, / wie ein Mensch’.  Passeren verder nog Kierkegaard, Mulisch, Max en Moritz, Raveel, Bergman, Castro (samen in een gedicht) en Proust.
    Wat ik me afvroeg is waarom Mutsaers in deze kunstenaarstentoonstelling geen gedicht heeft gewijd aan de voor haar kijk op de werkelijkheid zo inspirerende Russische dichter Daniil Charms. Ze schrijft over hem op p. 163 van mijn uitgave van Kersebloed (1990): ‘Misschien dat nu duidelijk wordt waarom het werk van Charms niet louter als een circus van de grappigheid dient te worden beschouwd en waarom het je gevoel geen haar minder beroert dan je verstand. Het is geen verzameling van vrijblijvende surrealistische bedenksels maar een zorgvuldige ordening van chaotische dwaze, geestige, opstandige, reële en hoogst persoonlijke waarheden’
    Maar er is ook nog het ruiterkekuikerke dat in het gedicht waaraan de bundel zijn titel ontleend (de dooier die men niet zag, want uitgekomen op de rug van een witte schimmel - let op het pleonasme) een tragisch einde vindt in het vers dat tegen de rijmrichting in de duistere snelweg op dendert: ‘Ik heb het al vaker gezegd: / men kan aan mij zien / wat ik allemaal weet / van wat er / van anderen / zal kunnen / geworden’. De ik in het gedicht lijdt aan een ongebreidelde fantasie, waar je mee uit moet kijken ‘want het kan je vreugde om totaal in iets op te gaan lelijk vergallen’, zegt Mutsaers in een interview. Ondertussen schetst ze een liefdevol beeld van het kuiken.
    Haar dierenliefde is bekend. De in het gedicht ‘Terugkerende jagers over de bergwei’ gaan van bierproeverij naar dierproeverij ‘een bitterbal in het vizier’.
    Mutsaers gedichten schrijnen, ze balanceren soms op de rand van meligheid, maar vallen er nooit overheen. Daarvoor zijn ze ook te geestig, ook te barok, te zonderling, bizar en grillig. Ze ont-roeren zoals de gedichten van Fritzi Harmsen van Beek Mutsaers ontroert moeten hebben: ze brengen iets bewegingloos in onrustige beweging en verwarren je. In ‘Voor je tentoonstelling’, een brief van Harmsen van Beek, door Mutsaers opgenomen in Schilderijen, opgeluisterd met een brief beschrijft Harmsen van Beek het land waar ze woont: ‘waar de golven een beestachtig lawaai maken zoals andijvie’. Ze zal er hartelijk om gelachen hebben en zich zeer mee verwant hebben gevoeld.
     
    Hier nog het vervolg van het hilarische gedicht van Daniil Charms over de roodharige man die slechts voorwaardelijk rood was doordat hij geen haar op zijn hoofd had. De voordracht op You Tube (zie de link hierboven) geeft niet de rest van het gedicht:
     
    'Hij kon niet spreken, want hij had geen mond, een neus had hij ook al niet,
    Hij had zelfs geen armen en benen en geen spoor van ingewanden. Hij had niets! Zodat het niet duidelijk is over wie het eigenlijk gaat. Laten we het liever niet over hem hebben.
     
    'Ik las ze', schrijft Charlotte Mutsaers 'en al mijn zintuigen werden ververst'.
    (Kersebloed, p. 159)