oote oote - eerste indruk
van de zon van de lucht
van de plant van de vis
van de vogel van de lucht
van de grond van de tijd
van de plant van de vis
van de vogel van de lucht
van de grond van de tijd
toegerekend – opgeëist
uitgesproken
uitgesproken
neem het terug riep je
deel het opnieuw op
deel het opnieuw op
laat ons begaan
haal ons aan
haal ons aan
*
als je dat doet
zet je de sluizen open
zet je de sluizen open
___
Zodra ik een kort gedicht met veel ritmiek en een vis erin tegenkom moet ik denken aan Marc groet ’s morgens de dingen, het beroemde gedicht van Paul van Ostaijen. Het was een van de eerste “moeilijke” gedichten waarmee ik als middelbare scholier (ja, uit de vorige eeuw) werd geconfronteerd. Het was een doorbraak toen het “open” ging en ik ontdekte dat je het alleen maar heel precies hoefde te lezen, gewoon wat er staat dus. Het mag veelbetekenend genoemd worden voor mijn/onze manier van lezen dat we dat niet konden. Tegenwoordig noem ik het gedicht ook wel een grappige en ontroerende voorzetseloefening.
Bij Tsead Bruinja komt alleen de vis aan de orde, geen visserke vis, geen visselijn. De kracht van de associatie met Marc zit ‘m waarschijnlijk in het speelse, het heldere en dingachtige van in elk geval de eerste drie regels van de eerste strofe bij Bruinja.
Behalve dat het een treffend voorbeeld van parallellisme is, is in die eerste strofe het woordje ‘van’ intrigerend, drukt dat een bezitsrelatie uit? En wat is dan van de zon of van de lucht, van de plant, van de vis, van de vogel, de grond en de tijd? Het leven? Daar geeft de strofe geen antwoord op. Je kunt ‘van’ ook vervangen door “over”. De strofe gaat dan over de zon, de lucht, de plant, de vis, de vogel, de grond en de tijd. Merk op dat ‘van’ en “over” in dat geval hetzelfde betekenen.
Zie trouwens ook dat er in de eerste regel sprake is van lucht, in de laatste van grond (naast tijd), dat er in dit gedicht met andere woorden een beweging naar beneden zit.
Zie trouwens ook dat er in de eerste regel sprake is van lucht, in de laatste van grond (naast tijd), dat er in dit gedicht met andere woorden een beweging naar beneden zit.
In de tweede strofe is sprake van drie voltooid deelwoorden. Worden de “dingen” uit de eerste strofe hier misschien aan iets of iemand toegerekend, bijvoorbeeld de vogel aan de lucht, of opgeëist door iets of iemand, bijvoorbeeld de plant door de grond? Moet er ergens iets uitgesproken worden? Mmm. Is er wellicht sprake van mogelijke handelingen die we met deze dingen kunnen verrichten?
Als je het zegt, gebeurt het al: we geven betekenis aan iets zoals de conventie ons oplegt: zeg vis en de manier waarop we in ons hoofd de vis in beeld brengen, verschijnt compleet mee. Het zit in ons (taal)systeem, zeggen we dan. Zeg vis in de context van het gedicht van Tsead Bruinja en bij mij verschijnt het complete gedicht van Van Ostaijen. Dat zit kennelijk in mijn (taal)systeem. Op dat laatste verschijnsel plakken we tegenwoordig het woord intertekstualiteit. Bij ieder woord dat we gebruiken resoneert de conventie, het geheel aan betekenissen dat een woord of een zin produceert, als het ware mee. Dat geldt ook voor een heel gedicht. Het gedicht van Van Ostaijen resoneert in het gedicht van Bruinja. Voor Jane in ieder geval.
Als je het zegt, gebeurt het al: we geven betekenis aan iets zoals de conventie ons oplegt: zeg vis en de manier waarop we in ons hoofd de vis in beeld brengen, verschijnt compleet mee. Het zit in ons (taal)systeem, zeggen we dan. Zeg vis in de context van het gedicht van Tsead Bruinja en bij mij verschijnt het complete gedicht van Van Ostaijen. Dat zit kennelijk in mijn (taal)systeem. Op dat laatste verschijnsel plakken we tegenwoordig het woord intertekstualiteit. Bij ieder woord dat we gebruiken resoneert de conventie, het geheel aan betekenissen dat een woord of een zin produceert, als het ware mee. Dat geldt ook voor een heel gedicht. Het gedicht van Van Ostaijen resoneert in het gedicht van Bruinja. Voor Jane in ieder geval.
Taal schept werkelijkheid, zou je misschien ook kunnen zeggen. Ook: taal schept de manier waarop wij orde brengen in de werkelijkheid om ons heen. In chaos kunnen we niet leven.
In de derde strofe is sprake van iemand die iets roept tegen iemand anders en ontstaat er opeens iets van een verhaal: iemand roept dat je iets moet terug nemen, en opnieuw moet opdelen. Tenminste als je je aangesproken voelt. Wie is die ‘je’?
En dan is de volgende strofe opeens in het meervoud, is er sprake van een ‘ons’, maar wie zijn hier aan het woord? De dingen soms uit strofe één, die willen dat je iets (hun indeling) opnieuw ter hand neemt? Die aangehaald willen worden? Als een kat? Of geciteerd?
En dan dat sterretje, is dat ook een strofe? Een rust soms? Of is het een asterisk en duidt het op een verwijzing, of wordt er iets weggelaten en mogen we zelf bedenken wat?
In elk geval lijken de laatste twee regels over de sluizen open zetten (let op dat er een spreekwoord meezingt) ons tot voorzichtigheid te manen.
In de derde strofe is sprake van iemand die iets roept tegen iemand anders en ontstaat er opeens iets van een verhaal: iemand roept dat je iets moet terug nemen, en opnieuw moet opdelen. Tenminste als je je aangesproken voelt. Wie is die ‘je’?
En dan is de volgende strofe opeens in het meervoud, is er sprake van een ‘ons’, maar wie zijn hier aan het woord? De dingen soms uit strofe één, die willen dat je iets (hun indeling) opnieuw ter hand neemt? Die aangehaald willen worden? Als een kat? Of geciteerd?
En dan dat sterretje, is dat ook een strofe? Een rust soms? Of is het een asterisk en duidt het op een verwijzing, of wordt er iets weggelaten en mogen we zelf bedenken wat?
In elk geval lijken de laatste twee regels over de sluizen open zetten (let op dat er een spreekwoord meezingt) ons tot voorzichtigheid te manen.
Hoe dan ook, ik lees ik dit gedicht als het leven zelf, vanaf het begin, de geboorte, tot en met het eind, de dood “tot in den eeuwigheid” (en daar duikt het onze vader al op). Via geel, blauw, groen, zwart, via de lucht, de plant, de vogel, de vis, de grond en de tijd.
http://ooteoote.nl/category/eerste-indrukken/
Kapstok
Tsead Bruinja
Uitgeverij Stichting Algemiene Fryske Underrjocht Kommisje AfÛK
ISBN 9789492176738
Dit gedicht is onderdeel van de afdeling Voorlopig land uit de bundel. De hele (tweetalige) tekst van deze afdeling is te lezen op de website van Lân fan taal.
Lees ook de recensie van de bundel op Tzum.
Tsead Bruinja
Uitgeverij Stichting Algemiene Fryske Underrjocht Kommisje AfÛK
ISBN 9789492176738





Een liefde beschrijft onverbloemd en ‘objectief’ het huwelijk van Mathilde de Stuwen en Jozef van Wilden. Het veroorzaakte bij verschijnen een geweldige opwinding. Albert Verwey vond de roman mooi en onzedelijk. Frederik van Eeden omschreef het boek als hinderlijk, ergerlijk en stuitend (shocking), echter niet onzedelijk. Kloos noemde het onwelvoeglijk. De conservatieve verontwaardiging, critici van vóór de generatie van Tachtig, is door voorspelbaarheid en inkijkje in de mannelijke geest interessant. Geen goede porno, schrijft Taco Hajo de Beer in de Portefeuille. Het gaat allen, progressief of niet, dan vooral om de volgende passage:
Perfect sluit die aan op het gedicht: ‘Onze professor legde het nog één keer uit’, dat als Voorwoord van de bundel dient. De aard van onze afwezigheid valt immers niet waar te nemen, die is afhankelijk van ons verdwijnen, heet het in dat breinbrekerige gedicht. Waar nog bijkomt, voegt de professor eraan toe, dat dat ook geldt voor wat blijft, ook dat is (en zijn wij) vaak maar halfslachtige aanwezig. Zie de moeder hierboven, die je eigenlijk maar al te graag Jan Eijkelbooms Wat blijft komt niet terug ter lezing zou willen aanbevelen. Evenals de studenten die het eind van het college niet afwachten, maar alvast beginnen hun spullen in te pakken en hun mobieltjes aan te zetten. En alleen de verteller van het gedicht hoort de professor nog zeggen dat je juist in de delen het best het totale kunt zien:

