Bij de verschijning van de gedichtenbundel Wierde van Wierum onder redactie van Remco Ekkers en Jane Leusink .
Wierum, bij velen bekend, heeft een grondige renovatie ondergaan. De wierde veranderde van een intieme sfeervolle plek gedurende vijf lange jaren in een desolaat landschap van slib en bagger. De begraafplaats is daar nu, als ware het een wedergeboorte, weer uit opgestaan.
De oplevering vindt 27 mei plaats op Wierum zelf en in de kerk van Dorkwerd alwaar kerkelijke (kerkvoogdij), dichterlijke (Jan Siebo Uffen, Jane Leusink, Aly Freije, Remco Ekkers) en provinciale (gedeputeerde, Landschapsbeheer, Groninger Landschap) bijdragen.
Coen Peppelenbos, uitgever van Uitgeverij kleine Uil, presenteert Wierde van Wierum en zal het eerste exemplaar aanbieden aan gedeputeerde Rudi Slager die ook het Voorwoord schreef.
De nieuwe, strakke verschijningsvorm van de wierde toont en voegt zich nu al moeiteloos in het weidse Groninger Reitdiepdal, het oudste cultuurlandschap van West-Europa.
Voor de bundel heeft een groot aantal dichters uit het gehele land een gedicht geschreven. Gerben Wynia, nalatenschapbeheerder van de overleden dichter C.O. Jellema, heeft toestemming gegeven voor plaatsing van diens gedicht 'Het waait er altijd'.
woensdag 26 mei 2010
woensdag 12 mei 2010
Hella Haasse, Heren van de thee
Hella Haasse, Heren van de thee, 1992. Em. Querido’s Uitgeverij B.V. Amsterdam. 308 pgn’s.
Het boek kreeg in 1993 de Publieksprijs van het CPNB (Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek).
Het toneelstuk van Ger Thijs, regisseur, op 8 januari 2010. Thijs heeft het grote aantal personages dat Hella Haasse in het boek laat optreden, verminderd tot zeven. Maar let op: er zijn een aantal dubbelrollen.
Het stuk is genomineerd voor de AVRO Toneel Publieksprijs. De productie is door het theaterbureau Hummelinck Stuurman. Heren van de thee is het sluitstuk van van een theaterserie over het Indische verleden van Nederland.
De recensies (ik kom hierop aan het eind terug) hebben de volgende titels:
In Elsevier van 17 oktober 2009 (door Irene Start): Hollandse stijfkop (zij heeft het dan over het hoofdpersonage: Rudolf Kerkhoven, gespeeld door Cees Geel).
In het Nederlands Dagblad van 16 oktober (door Gerda van de Haar): Emotionele Heren van de thee. Zij schrijft: Emoties die in het boek nog juist onder de oppervlakte bleven – handelsmerk van Hella Haasse – laat Thijs volledig uitspelen op het toneel. Dat levert een avond goed theater op. Gerda van de Haar maakt overigens een opmerking over het, wat zij noemt, slordig taalgebruik.
In NRC Handelsblad van 12 oktober schrijft Elisabeth Heijkoop: ‘Heren van de thee’ soms wat grof in de mond’.
En in de Volkskrant van 14 oktober (door Karin Veraart): Onderhoudende parade van papieren figuren. Ze schrijft: De personages hebben emoties die je weliswaar kunt navertellen, maar nauwelijks kunt navoelen.
Over het boek van Hella Haasse wordt – gelukkig – niet gesproken. Ik hoop met deze lezing daarover wat meer te vertellen. Ik ga in op het leven van Hella Haasse, de waardering die zij gedurende dat lange leven heeft ondervonden (zij is nu negentig jaar), op het boek zelf natuurlijk en dan vooral door belangrijke of treffende passages voor te lezen en van tekst en uitleg te voorzien. Allereerst haar leven:
Biografisch: Hella S. (Serafia) Haasse
werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, het toenmalige Nederlands-Indië, haar moeder was pianiste (Katherina Diehm Winzenhöler) en haar vader Willem Hendrik Haasse, inspecteur van financiën bij het Gouvernement. Hella Haasse bracht haar hele jeugd door in Nederlands-Indië. Ze ging er naar de lagere school en het gymnasium. Alleen tussen 1924 en 1928 heeft zij enige tijd in Nederland doorgebracht doordat haar moeder moest kuren in Davos.
In 1938 gaat ze in Nederland Scandinavische Taal- en Letterkunde studeren (ze had veel belangstellen voor sagen en mythen, speciaal die van Noorwegen), maar houdt daar naar een jaar mee op. Zij vond - aan de vooravond van de tweede wereldoorlog – dezelfde belangstelling terug bij de Duitsers die de Germaanse heldensagen gebruikten als propaganda.
In 1940 meldt ze zich bij de Toneelschool en in 1943 doet ze eindexamen. In 1944 trouwt ze met Jan van Lelyveld, die ze in 1939 had leren kennen bij Propia Cures, waar ze korte tijd in de redactie zat. In 1945 verscheen haar eerste poëziebundel Stroomversnelling.
Vanaf 1944 schrijft ze full time. Eerst poëzie, toneel- en cabaretteksten, later vrijwel alleen proza.
In 1948 publiceert zij Oeroeg (‘Oeroeg was mijn vriend’). Ze won daarmee de novelle-prijsvraag die CPNB had uitgeschreven en dat dat jaar ook Boekenweekgeschenk werd.
Wie kent het niet, Oeroeg, het is afgelopen jaar gratis verspreid door alle bibliotheken in Nederland en de film (regie Hans Hylkema, 1993) werd op de televisie uitgezonden. Bovendien hadden wij het allemaal op onze schoolliteratuurlijsten staan.
Centraal in het boek staat de vriendschap tussen een Indonesische jongen en de zoon van een Nederlandse administrateur in het Nederlands-Indië van voor de Tweede Wereldoorlog. De jongens groeien geleidelijk aan uit elkaar en als de ik-figuur, de Nederlandse jongen, in Indië terugkomt na zijn studie in Delft, blijkt er een kloof te zijn ontstaan. Het zijn de jaren van de onafhankelijksstrijd van wat later, in 1949/1945 toen Soekarno de onafhankelijkheid uitriep, Indonesië zou worden. Oeroeg heeft voor zijn eigen volk gekozen en tegen de Nederlanders, dus ook tegen zijn vriend. Die vraagt zich geschokt af of hij voorgoed een vreemde zal zijn in het land van zijn geboorte.
Oeroeg beleefde 47 drukken en verscheen in 1953 bij uitgeverij Querido. Het is in elf talen vertaald.
Voor Hella Haasse betekende het schrijven een statement, zoals zijzelf zegt, ‘van genegenheid en heimwee ten aanzien van het land waar ik geboren ben.’
Tegelijkertijd wordt in Oeroeg al het thema zichtbaar dat Hella Haasse ook in Heren van de thee uitwerkt (en dat in veel, zo niet al haar werk zit): het vreemdeling zijn. In Oeroeg is dat de merkwaardige ervaring van de ik-figuur van het vreemdeling zijn in je geboorteland.
Lang is Hella Haasse vrijwel alleen bekend geweest als de schrijfster van Oeroeg. Een voorbeeld: al in 1949 schreef zij de historische roman Het woud der verwachting en pas in 1989 werd zij daarmee ook internationaal erkend. Het boek werd in vele talen vertaald.
Prijzen
1958: De Nationaal-Atlantische prijs voor De Ingewijden
1960: De Internationaal-Atlantische prijs voor dezelfde roman
1962: De Visser Neerlandia prijs voor het toneelstuk Een draad in het donker
1977: De Litterair Witte prijs voor Een gevaarlijke verhouding of Daal- en Bergse brieven
Oeuvreprijzen
1981: Constantijn Huygens prijs
1984: P.C. Hooftprijs
1985: Dr. J.P. van Praag prijs
2004: Prijs der Nederlandse Letteren
Heren van de thee werd in 1993 genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en door de Raad voor de Kunst voorgedragen voor de Europese Literatuurprijs. In 1993 ontving Haasse de Publieksprijs voor de roman (het door het publiek meest gewaardeerde boek van 1992).
Heren van de thee
Heren van de thee speelt zich af in Nederland (voor een klein gedeelte) en in Nederlands-Indië. Het bestrijkt de periode 1848 – de geboorte van de hoofdpersoon Rudolf Kerkhoven – tot 1918, de laatste dag dat Rudolf doorbrengt op zijn theeplantage Gamboeng. Hij vertrekt die dag naar Bandoeng om daar het laatste stuk van zijn leven door te brengen.
Het boek is een roman, maar geen fictie, zegt Haasse in de Verantwoording bij het boek. Zij heeft vanaf 1986 archiefonderzoek gedaan om het boek te kunnen schrijven. Zij heeft zich verdiept in brieven en andere documenten die haar ter beschikking zijn gesteld door de Stichting Het Indisch thee- en familiearchief. Uit al dat materiaal heeft zij haar roman samengesteld.
Ze schrijft: ‘De stof is dus niet verzonnen, maar wel geselecteerd en gearrangeerd volgens de eisen die een romanaanpak stelt. Dat betekent dat ik tal van bijzonderheden die in een strikt historische benadering volledigheidshalve aan de orde zouden komen, moest laten liggen, en dat de nadruk valt op individuele lotgevallen en ontwikkelingen.’
Rudolf Kerkhoven is dus de hoofdpersoon. Hij heeft in Delft gestudeerd zoals de meeste zonen en dochters van planters deden. Ze moesten het een en ander van weg- en waterbouw afweten. Maar ook van de thee- en koffieteelt, zodat ook veel van deze toekomstige planters uit Wageningen afkomstig waren.
Rudolf heeft een ingewikkeld karakter, hij voelt zich gauw te kort gedaan, weet altijd alles beter, klaagt met grote regelmaat over het gebrek aan aandacht van zijn ouders en voelt zich achtergesteld bij zijn broer August die de plantage Ardjasari van zijn ouders mag voortzetten. Wij leren hem en zijn gedachten en dromen van binnenuit kennen. En het is inderdaad zo dat expliciete erkenning door zijn ouders uitblijft.
Gaandeweg de roman gaan we meer en meer twijfelen aan zijn gezichtspunten. Dat komt doordat Hella Haasse allerlei bestaande documenten dagboeken en brieven gebruikt en die letterlijk opneemt. Vooral na 1876 als Rudolf zijn vrouw Jenny leert kennen doet ze dat zodat we ook de gezichtspunten van de andere familieleden leren kennen. Bovendien geeft ze een beschrijving van foto’s, familieportretten vaak, en interpreteert ze deze op basis van wat ze ziet of meent te zien.
Het verhaal is opgebouwd in zes hoofdstukken en gaat over de koloniale situatie en de familiegeschiedenis van Rudolf van Kerkhoven, zijn gezin, zijn vrouw, kinderen en familie in de tweede helft van de negentiende eeuw tot aan 1918 als Rudolf naar Bandoeng vertrekt.
In het eerste hoofdstuk: Gamboeng, de eerste dag: 1 januari 1873, staat Rudolf aan de rand van een ravijn, het is zijn eerste werkdag, de grond is nog geheel onbewerkt. Overheersend is zijn gevoel voor de natuur.
Heel mooi geformuleerd wordt dat trouwens in de recensie die Kees Fens schreef bij de verschijning van het boek: ‘De roman begint met zijn aankomst en sluit af met zijn vertrek, vijfenveertig jaar later. Hij verhuist naar Bandoeng, definitief ontheemd. Nergens wordt de band tussen man en land expliciet verwoord; ik heb die zelden sterker beschreven gezien dan in het leven van Rudolf Kerkhoven, zoals dat bij Hella Haasse gestalte krijgt.’
Lezen p. 11
‘Hier!’ zei hij hardop. Zijn stem klonk ijl in de ontzaglijke ruimte […] enzovoorts
In dit eerste hoofdstuk ontvouwt zich in feite al de hele problematiek van de hoofdpersoon. Zijn gevecht met het klimaat, met zijn vader die bezwaren heeft tegen juist dit stuk land, zijn stijve optreden voor de bewoners van de kampoeng Gamboeng. En hij kan er eigenlijk niet tegen als een van zijn werknemers zelfstandig een beslissing neemt, ook al ziet hij het nut ervan.
Het laatste hoofdstuk is getiteld ‘Gamboeng, de laatste dag, 1 februari 1918.’
Het hoofdstuk eindigt zoals het begint, met het woord ‘Hier’. Het is de dag van het vertrek naar Bandoeng en hij praat met zijn dochter Bertha over waar hij begraven wil worden: ‘Ik wil niet in Bandoeng liggen’.
‘Alstublieft vader!’, zei Bertha afwerend.
Hij keek naar de grond voor zijn voeten.
‘Hier’, zei hij halfluid. ‘Hier.’
Tussen deze hoofdstukken speelt de geschiedenis zich af in vier tussenliggende hoofdstukken:
- Taferelen van voorbereiding 1869-1873, dat wil zeggen zijn studententijd tot aan zijn vertrek naar Indië
-
- De ontginning 1873-1876, het gaat dan over het stuk land dat hij kan pachten ten zuiden van Bandoeng, in de bergen van de Preanger, hoog gelegen op 1300 meter
- Het paar (dus Rudolf en Jenny) 1976-1879. Ze leren elkaar kennen in Batavia waar Rudolf zuster Cateau woont. Jenny komt uit een zeer groot rommelig gezin van elf kinderen. Haar vader die afstamt van een familie van leerlooiers, is summa cum laude afgestudeerd in Utrecht als meester in de rechten. Hij trok, na een voorbereidende cursus in Delft, naar Indië ‘omdat’ (citaat) in zijn vaderstad Zutphen geen toekomst scheen weggelegd voor begaafde jongelui.’ Via haar moeder is zij de achterkleindochter van de gouverneur-generaal Daendels die ook wel de IJzeren Maarschalk werd genoemd en die bekend stond om zijn nerveuze temperament.
Het Daendels bloed stroomt ook in Jenny, ze is zeer gevoelig voor de vervloeking die een oude vrouw, een nènèk, uitspreekt en ziet het in het oerwoud niet zitten. Net als Rudolf spreekt zij niet over haar innerlijke roerselen die wij wél te weten komen doordat Haasse allerlei dagboekfragmenten opneemt.
- Het gezin 1879-1907. Rudolf en Jenny krijgen zes kinderen, waarvan er een, een dochtertje, overlijdt, over blijven vier jongens en een meisje. De twee oudste zoons gaan voor hun opvoeding wonen bij Rudolfs zuster Cateau en haar man Joan Henny.
Na drieenhalf jaar haalt Rudolf ze daar weg. Hij heeft een zakelijke verschil met Henny die Gamboeng, waarvan Rudolf maar voor de helft eigenaar is, volgens hem te hoog taxeert, zodat hij de plantage niet verder kan overnemen. Jenny lijdt onder al die zwangerschappen en het harde werken op Gamboeng. Ze kwijnt weg, wordt zwaar depressief en uiteindelijk vergiftigt ze zichzelf. Ze wordt begraven naast haar overleden dochtertje.
Ik wil nu het een en ander voorlezen.
Uit het tweede hoofdstuk ‘Taferelen van voorbereiding’ geeft Hella Haasse op subtiele wijze achtergrondinformatie over de manier waarop de kolonie bestuurd wordt. Het is de tijd van het afschaffen van het Cultuurstelsel waarbij het erom ging de Javaanse boer alleen dié producten te laten verbouwen waaraan op de wereldmarkt behoefte was (rijst, specerijen, indigo, hout, koffie, later thee). Het toezicht daarop werd gelegd bij de inlandse hoofden. Dat afschaffen gebeurde onder druk van de liberalen in Nederland die én het vrije ondernemerschap propageerden én vonden dat Nederland een zedelijke plicht hadden een einde te maken aan de uitbuiting van de Javanen door ze in loondienst te nemen. Multatuli komt ook voor in dit hoofdstuk.
Rudolf spreekt hierover met zijn oom, een oud-planter die nu in Nederland woont, het gaat over de ideeën van Multatuli. Zijn oom vindt ze te radicaal omdat Douwes Dekker voorbij gaat aan de cultuur van het traditionele Indië. We krijgen meteen inzicht in de familierelaties. Beroemd is Multatuli’s Toespraak tot de hoofden van Lebak geworden (Max Havelaar).
Lezen p. 38 -39
Uit het derde hoofdstuk De ontginning twee fragmenten. Een over zijn problemen om een goede plantage aan te leggen. En een waarin zijn succes bij de inlanders blijkt.
Lezen p. 112-113 en 120-121
Uit het vierde hoofdstuk Het paar: over Jenny.
Lezen p. 135-136 de ontmoeting
Lezen p. 164, 166-167 Jenny’s reactie als zij voor het eerst op Gamboeng komt, haar voorspellende nachtmerrie en haar zwijgen daarover tegen Rudolf.
Uit het vijfde hoofdstuk Het gezin:
Lezen p. 171 gelukkig 172-173 zorgen en jaloezie. 242-243 De kinderen worden weggehaald bij Cateau en Henny. Eventueel 279 de wedrennen en de presentatie van Bertha, en 280,281,282 de dood van Jenny via Emile, Bertha en Rudolf zelf. 288 de laatste dag op Gamboeng
Is Heren van de thee een geslaagde roman?
Volgens Kees Fens in een recensie uit 1992 wel. Hoewel fragmentarisch en weinig expliciet (de breuken tussen de hoofdstukken, er is weinig verband – alleen chronologisch - ), is het boek juist daardoor ook vernieuwend. Hij noemt het een moderne roman.
‘Het is boeiend om te zien dat een auteur die een vertegenwoordiger is van de traditie, al jaren bezig is met de romantraditie te breken’ , zegt hij in ‘Vreemdeling tussen natuur en cultuur’. In een van zijn maandagstukken in de Volkskrant.
Hij noemt niet alleen het fragmentarische, maar ook het feit dat er geen duidelijk einde van de roman is en er nergens een duidelijke interpretatie wordt gegeven van gebeurtenissen en karakters, modern. Door het gebruik van het romanprocédé, samen met historische documenten, brieven en dagboeken benadrukt Haasse als het ware dat dé werkelijkheid niet te kennen is. Dat iedereen het verleden anders kan invullen. De schrijver, zegt Fens, legt niets vast, maar maakt juist alles los. De lezer wordt aan het werk gezet. Het raadsel Rudolf Kerkhoven blijft bestaan.
Ton van Deel in Trouw van 27 februari 1992 is kritischer. Hoeveel meer roman zou Heren van de thee geweest zijn als Haasse haar personages met wat meer verbeelding had mogen modelleren. Het karakter en de geest van Rudolf blijven nu vlak. De kroniekopzet doet afbreuk aan de psychologie. Van Deel had de personages meer uitgewerkt willen zien.
Krantenrecensies
Het boek kreeg in 1993 de Publieksprijs van het CPNB (Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek).
Het toneelstuk van Ger Thijs, regisseur, op 8 januari 2010. Thijs heeft het grote aantal personages dat Hella Haasse in het boek laat optreden, verminderd tot zeven. Maar let op: er zijn een aantal dubbelrollen.
Het stuk is genomineerd voor de AVRO Toneel Publieksprijs. De productie is door het theaterbureau Hummelinck Stuurman. Heren van de thee is het sluitstuk van van een theaterserie over het Indische verleden van Nederland.
De recensies (ik kom hierop aan het eind terug) hebben de volgende titels:
In Elsevier van 17 oktober 2009 (door Irene Start): Hollandse stijfkop (zij heeft het dan over het hoofdpersonage: Rudolf Kerkhoven, gespeeld door Cees Geel).
In het Nederlands Dagblad van 16 oktober (door Gerda van de Haar): Emotionele Heren van de thee. Zij schrijft: Emoties die in het boek nog juist onder de oppervlakte bleven – handelsmerk van Hella Haasse – laat Thijs volledig uitspelen op het toneel. Dat levert een avond goed theater op. Gerda van de Haar maakt overigens een opmerking over het, wat zij noemt, slordig taalgebruik.
In NRC Handelsblad van 12 oktober schrijft Elisabeth Heijkoop: ‘Heren van de thee’ soms wat grof in de mond’.
En in de Volkskrant van 14 oktober (door Karin Veraart): Onderhoudende parade van papieren figuren. Ze schrijft: De personages hebben emoties die je weliswaar kunt navertellen, maar nauwelijks kunt navoelen.
Over het boek van Hella Haasse wordt – gelukkig – niet gesproken. Ik hoop met deze lezing daarover wat meer te vertellen. Ik ga in op het leven van Hella Haasse, de waardering die zij gedurende dat lange leven heeft ondervonden (zij is nu negentig jaar), op het boek zelf natuurlijk en dan vooral door belangrijke of treffende passages voor te lezen en van tekst en uitleg te voorzien. Allereerst haar leven:
Biografisch: Hella S. (Serafia) Haasse
werd op 2 februari 1918 geboren te Batavia, het toenmalige Nederlands-Indië, haar moeder was pianiste (Katherina Diehm Winzenhöler) en haar vader Willem Hendrik Haasse, inspecteur van financiën bij het Gouvernement. Hella Haasse bracht haar hele jeugd door in Nederlands-Indië. Ze ging er naar de lagere school en het gymnasium. Alleen tussen 1924 en 1928 heeft zij enige tijd in Nederland doorgebracht doordat haar moeder moest kuren in Davos.
In 1938 gaat ze in Nederland Scandinavische Taal- en Letterkunde studeren (ze had veel belangstellen voor sagen en mythen, speciaal die van Noorwegen), maar houdt daar naar een jaar mee op. Zij vond - aan de vooravond van de tweede wereldoorlog – dezelfde belangstelling terug bij de Duitsers die de Germaanse heldensagen gebruikten als propaganda.
In 1940 meldt ze zich bij de Toneelschool en in 1943 doet ze eindexamen. In 1944 trouwt ze met Jan van Lelyveld, die ze in 1939 had leren kennen bij Propia Cures, waar ze korte tijd in de redactie zat. In 1945 verscheen haar eerste poëziebundel Stroomversnelling.
Vanaf 1944 schrijft ze full time. Eerst poëzie, toneel- en cabaretteksten, later vrijwel alleen proza.
In 1948 publiceert zij Oeroeg (‘Oeroeg was mijn vriend’). Ze won daarmee de novelle-prijsvraag die CPNB had uitgeschreven en dat dat jaar ook Boekenweekgeschenk werd.
Wie kent het niet, Oeroeg, het is afgelopen jaar gratis verspreid door alle bibliotheken in Nederland en de film (regie Hans Hylkema, 1993) werd op de televisie uitgezonden. Bovendien hadden wij het allemaal op onze schoolliteratuurlijsten staan.
Centraal in het boek staat de vriendschap tussen een Indonesische jongen en de zoon van een Nederlandse administrateur in het Nederlands-Indië van voor de Tweede Wereldoorlog. De jongens groeien geleidelijk aan uit elkaar en als de ik-figuur, de Nederlandse jongen, in Indië terugkomt na zijn studie in Delft, blijkt er een kloof te zijn ontstaan. Het zijn de jaren van de onafhankelijksstrijd van wat later, in 1949/1945 toen Soekarno de onafhankelijkheid uitriep, Indonesië zou worden. Oeroeg heeft voor zijn eigen volk gekozen en tegen de Nederlanders, dus ook tegen zijn vriend. Die vraagt zich geschokt af of hij voorgoed een vreemde zal zijn in het land van zijn geboorte.
Oeroeg beleefde 47 drukken en verscheen in 1953 bij uitgeverij Querido. Het is in elf talen vertaald.
Voor Hella Haasse betekende het schrijven een statement, zoals zijzelf zegt, ‘van genegenheid en heimwee ten aanzien van het land waar ik geboren ben.’
Tegelijkertijd wordt in Oeroeg al het thema zichtbaar dat Hella Haasse ook in Heren van de thee uitwerkt (en dat in veel, zo niet al haar werk zit): het vreemdeling zijn. In Oeroeg is dat de merkwaardige ervaring van de ik-figuur van het vreemdeling zijn in je geboorteland.
Lang is Hella Haasse vrijwel alleen bekend geweest als de schrijfster van Oeroeg. Een voorbeeld: al in 1949 schreef zij de historische roman Het woud der verwachting en pas in 1989 werd zij daarmee ook internationaal erkend. Het boek werd in vele talen vertaald.
Prijzen
1958: De Nationaal-Atlantische prijs voor De Ingewijden
1960: De Internationaal-Atlantische prijs voor dezelfde roman
1962: De Visser Neerlandia prijs voor het toneelstuk Een draad in het donker
1977: De Litterair Witte prijs voor Een gevaarlijke verhouding of Daal- en Bergse brieven
Oeuvreprijzen
1981: Constantijn Huygens prijs
1984: P.C. Hooftprijs
1985: Dr. J.P. van Praag prijs
2004: Prijs der Nederlandse Letteren
Heren van de thee werd in 1993 genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en door de Raad voor de Kunst voorgedragen voor de Europese Literatuurprijs. In 1993 ontving Haasse de Publieksprijs voor de roman (het door het publiek meest gewaardeerde boek van 1992).
Heren van de thee
Heren van de thee speelt zich af in Nederland (voor een klein gedeelte) en in Nederlands-Indië. Het bestrijkt de periode 1848 – de geboorte van de hoofdpersoon Rudolf Kerkhoven – tot 1918, de laatste dag dat Rudolf doorbrengt op zijn theeplantage Gamboeng. Hij vertrekt die dag naar Bandoeng om daar het laatste stuk van zijn leven door te brengen.
Het boek is een roman, maar geen fictie, zegt Haasse in de Verantwoording bij het boek. Zij heeft vanaf 1986 archiefonderzoek gedaan om het boek te kunnen schrijven. Zij heeft zich verdiept in brieven en andere documenten die haar ter beschikking zijn gesteld door de Stichting Het Indisch thee- en familiearchief. Uit al dat materiaal heeft zij haar roman samengesteld.
Ze schrijft: ‘De stof is dus niet verzonnen, maar wel geselecteerd en gearrangeerd volgens de eisen die een romanaanpak stelt. Dat betekent dat ik tal van bijzonderheden die in een strikt historische benadering volledigheidshalve aan de orde zouden komen, moest laten liggen, en dat de nadruk valt op individuele lotgevallen en ontwikkelingen.’
Rudolf Kerkhoven is dus de hoofdpersoon. Hij heeft in Delft gestudeerd zoals de meeste zonen en dochters van planters deden. Ze moesten het een en ander van weg- en waterbouw afweten. Maar ook van de thee- en koffieteelt, zodat ook veel van deze toekomstige planters uit Wageningen afkomstig waren.
Rudolf heeft een ingewikkeld karakter, hij voelt zich gauw te kort gedaan, weet altijd alles beter, klaagt met grote regelmaat over het gebrek aan aandacht van zijn ouders en voelt zich achtergesteld bij zijn broer August die de plantage Ardjasari van zijn ouders mag voortzetten. Wij leren hem en zijn gedachten en dromen van binnenuit kennen. En het is inderdaad zo dat expliciete erkenning door zijn ouders uitblijft.
Gaandeweg de roman gaan we meer en meer twijfelen aan zijn gezichtspunten. Dat komt doordat Hella Haasse allerlei bestaande documenten dagboeken en brieven gebruikt en die letterlijk opneemt. Vooral na 1876 als Rudolf zijn vrouw Jenny leert kennen doet ze dat zodat we ook de gezichtspunten van de andere familieleden leren kennen. Bovendien geeft ze een beschrijving van foto’s, familieportretten vaak, en interpreteert ze deze op basis van wat ze ziet of meent te zien.
Het verhaal is opgebouwd in zes hoofdstukken en gaat over de koloniale situatie en de familiegeschiedenis van Rudolf van Kerkhoven, zijn gezin, zijn vrouw, kinderen en familie in de tweede helft van de negentiende eeuw tot aan 1918 als Rudolf naar Bandoeng vertrekt.
In het eerste hoofdstuk: Gamboeng, de eerste dag: 1 januari 1873, staat Rudolf aan de rand van een ravijn, het is zijn eerste werkdag, de grond is nog geheel onbewerkt. Overheersend is zijn gevoel voor de natuur.
Heel mooi geformuleerd wordt dat trouwens in de recensie die Kees Fens schreef bij de verschijning van het boek: ‘De roman begint met zijn aankomst en sluit af met zijn vertrek, vijfenveertig jaar later. Hij verhuist naar Bandoeng, definitief ontheemd. Nergens wordt de band tussen man en land expliciet verwoord; ik heb die zelden sterker beschreven gezien dan in het leven van Rudolf Kerkhoven, zoals dat bij Hella Haasse gestalte krijgt.’
Lezen p. 11
‘Hier!’ zei hij hardop. Zijn stem klonk ijl in de ontzaglijke ruimte […] enzovoorts
In dit eerste hoofdstuk ontvouwt zich in feite al de hele problematiek van de hoofdpersoon. Zijn gevecht met het klimaat, met zijn vader die bezwaren heeft tegen juist dit stuk land, zijn stijve optreden voor de bewoners van de kampoeng Gamboeng. En hij kan er eigenlijk niet tegen als een van zijn werknemers zelfstandig een beslissing neemt, ook al ziet hij het nut ervan.
Het laatste hoofdstuk is getiteld ‘Gamboeng, de laatste dag, 1 februari 1918.’
Het hoofdstuk eindigt zoals het begint, met het woord ‘Hier’. Het is de dag van het vertrek naar Bandoeng en hij praat met zijn dochter Bertha over waar hij begraven wil worden: ‘Ik wil niet in Bandoeng liggen’.
‘Alstublieft vader!’, zei Bertha afwerend.
Hij keek naar de grond voor zijn voeten.
‘Hier’, zei hij halfluid. ‘Hier.’
Tussen deze hoofdstukken speelt de geschiedenis zich af in vier tussenliggende hoofdstukken:
- Taferelen van voorbereiding 1869-1873, dat wil zeggen zijn studententijd tot aan zijn vertrek naar Indië
-
- De ontginning 1873-1876, het gaat dan over het stuk land dat hij kan pachten ten zuiden van Bandoeng, in de bergen van de Preanger, hoog gelegen op 1300 meter
- Het paar (dus Rudolf en Jenny) 1976-1879. Ze leren elkaar kennen in Batavia waar Rudolf zuster Cateau woont. Jenny komt uit een zeer groot rommelig gezin van elf kinderen. Haar vader die afstamt van een familie van leerlooiers, is summa cum laude afgestudeerd in Utrecht als meester in de rechten. Hij trok, na een voorbereidende cursus in Delft, naar Indië ‘omdat’ (citaat) in zijn vaderstad Zutphen geen toekomst scheen weggelegd voor begaafde jongelui.’ Via haar moeder is zij de achterkleindochter van de gouverneur-generaal Daendels die ook wel de IJzeren Maarschalk werd genoemd en die bekend stond om zijn nerveuze temperament.
Het Daendels bloed stroomt ook in Jenny, ze is zeer gevoelig voor de vervloeking die een oude vrouw, een nènèk, uitspreekt en ziet het in het oerwoud niet zitten. Net als Rudolf spreekt zij niet over haar innerlijke roerselen die wij wél te weten komen doordat Haasse allerlei dagboekfragmenten opneemt.
- Het gezin 1879-1907. Rudolf en Jenny krijgen zes kinderen, waarvan er een, een dochtertje, overlijdt, over blijven vier jongens en een meisje. De twee oudste zoons gaan voor hun opvoeding wonen bij Rudolfs zuster Cateau en haar man Joan Henny.
Na drieenhalf jaar haalt Rudolf ze daar weg. Hij heeft een zakelijke verschil met Henny die Gamboeng, waarvan Rudolf maar voor de helft eigenaar is, volgens hem te hoog taxeert, zodat hij de plantage niet verder kan overnemen. Jenny lijdt onder al die zwangerschappen en het harde werken op Gamboeng. Ze kwijnt weg, wordt zwaar depressief en uiteindelijk vergiftigt ze zichzelf. Ze wordt begraven naast haar overleden dochtertje.
Ik wil nu het een en ander voorlezen.
Uit het tweede hoofdstuk ‘Taferelen van voorbereiding’ geeft Hella Haasse op subtiele wijze achtergrondinformatie over de manier waarop de kolonie bestuurd wordt. Het is de tijd van het afschaffen van het Cultuurstelsel waarbij het erom ging de Javaanse boer alleen dié producten te laten verbouwen waaraan op de wereldmarkt behoefte was (rijst, specerijen, indigo, hout, koffie, later thee). Het toezicht daarop werd gelegd bij de inlandse hoofden. Dat afschaffen gebeurde onder druk van de liberalen in Nederland die én het vrije ondernemerschap propageerden én vonden dat Nederland een zedelijke plicht hadden een einde te maken aan de uitbuiting van de Javanen door ze in loondienst te nemen. Multatuli komt ook voor in dit hoofdstuk.
Rudolf spreekt hierover met zijn oom, een oud-planter die nu in Nederland woont, het gaat over de ideeën van Multatuli. Zijn oom vindt ze te radicaal omdat Douwes Dekker voorbij gaat aan de cultuur van het traditionele Indië. We krijgen meteen inzicht in de familierelaties. Beroemd is Multatuli’s Toespraak tot de hoofden van Lebak geworden (Max Havelaar).
Lezen p. 38 -39
Uit het derde hoofdstuk De ontginning twee fragmenten. Een over zijn problemen om een goede plantage aan te leggen. En een waarin zijn succes bij de inlanders blijkt.
Lezen p. 112-113 en 120-121
Uit het vierde hoofdstuk Het paar: over Jenny.
Lezen p. 135-136 de ontmoeting
Lezen p. 164, 166-167 Jenny’s reactie als zij voor het eerst op Gamboeng komt, haar voorspellende nachtmerrie en haar zwijgen daarover tegen Rudolf.
Uit het vijfde hoofdstuk Het gezin:
Lezen p. 171 gelukkig 172-173 zorgen en jaloezie. 242-243 De kinderen worden weggehaald bij Cateau en Henny. Eventueel 279 de wedrennen en de presentatie van Bertha, en 280,281,282 de dood van Jenny via Emile, Bertha en Rudolf zelf. 288 de laatste dag op Gamboeng
Is Heren van de thee een geslaagde roman?
Volgens Kees Fens in een recensie uit 1992 wel. Hoewel fragmentarisch en weinig expliciet (de breuken tussen de hoofdstukken, er is weinig verband – alleen chronologisch - ), is het boek juist daardoor ook vernieuwend. Hij noemt het een moderne roman.
‘Het is boeiend om te zien dat een auteur die een vertegenwoordiger is van de traditie, al jaren bezig is met de romantraditie te breken’ , zegt hij in ‘Vreemdeling tussen natuur en cultuur’. In een van zijn maandagstukken in de Volkskrant.
Hij noemt niet alleen het fragmentarische, maar ook het feit dat er geen duidelijk einde van de roman is en er nergens een duidelijke interpretatie wordt gegeven van gebeurtenissen en karakters, modern. Door het gebruik van het romanprocédé, samen met historische documenten, brieven en dagboeken benadrukt Haasse als het ware dat dé werkelijkheid niet te kennen is. Dat iedereen het verleden anders kan invullen. De schrijver, zegt Fens, legt niets vast, maar maakt juist alles los. De lezer wordt aan het werk gezet. Het raadsel Rudolf Kerkhoven blijft bestaan.
Ton van Deel in Trouw van 27 februari 1992 is kritischer. Hoeveel meer roman zou Heren van de thee geweest zijn als Haasse haar personages met wat meer verbeelding had mogen modelleren. Het karakter en de geest van Rudolf blijven nu vlak. De kroniekopzet doet afbreuk aan de psychologie. Van Deel had de personages meer uitgewerkt willen zien.
Krantenrecensies
zaterdag 8 mei 2010
Zulke blikken
Heeft die lenige vrouw met haar taal u gesnapt
of genaast
zij is op minuscule aarden laarzen
zij heeft haar fiets met bloeiende rozen
zij is in november, aarde
donker loopt de weg
vol onvoorspelbare
omstandigheden
navigeren zich bleke ochtendsloten
als ogentroostige vingers
als feiten door het maanloze, het meetkundige
teneinde u aan haar bestaan te wagen
in het blikveld
is het een passen en meten
zij is tussenin
zij is verderop
geraakt hijgend
ergens tussen rand en veld
van vallende taal hebt u zich omgedraaid
haar bloeiende schaduw de vorm bij het diep in november
of genaast
zij is op minuscule aarden laarzen
zij heeft haar fiets met bloeiende rozen
zij is in november, aarde
donker loopt de weg
vol onvoorspelbare
omstandigheden
navigeren zich bleke ochtendsloten
als ogentroostige vingers
als feiten door het maanloze, het meetkundige
teneinde u aan haar bestaan te wagen
in het blikveld
is het een passen en meten
zij is tussenin
zij is verderop
geraakt hijgend
ergens tussen rand en veld
van vallende taal hebt u zich omgedraaid
haar bloeiende schaduw de vorm bij het diep in november
maandag 12 april 2010
Moskou (8)
Visum voor Rusland aanvragen
Dochter werkzaam op de ambassade in Moskou had door de telefoon gezegd dat ik bij het Russisch consulaat aan de Scheveningse weg eerst op een grote, donkere Rus zou stuiten dat-ie geen woord Engels, laat staan Nederlands sprak maar dat ik hem gewoon het briefje van de Russische consul in Moskou onder de neus moest drukken dat ze had gemaild en dat ik dan zo door kon lopen, niet in de rij hoefde te staan en dat ik ook niets hoefde te betalen voor het visum.
Dat is het voorrecht van familie, had ze gezegd.
Het consulaat is een wit pand met bij de voordeur een pijl die naar een gesloten groen geschilderd hoog traliehek met bel verwijst. Als ik bel komt uit een microfoon een stem die iets in het Russisch zegt. Ik gok en zeg visum aanvragen. Het hek gaat open. Ik kom op een binnenplaats waar onder een afdak een lange rij stoelen staat, het ziet er vreemd uit. Links is de deur van de ingang en eenmaal binnen zie ik achter een loket inderdaad de Rus. Hij stuurt me door een gang naar achteren. Ik beland in een tamelijk kleine ruimte met rechts twee loketten en tegenover me ook twee.
Boven de loketten zijn nummers aangebracht. Voor loket 1 staat al een hele rij mensen. Met de opmerking over het niet wachten van dochterlief in het achterhoofd loop ik op het dichtstbijzijnde loket met een 4 erboven af en steek mijn je consul-briefje in de lucht. Dat werkt jammer genoeg niet en het Russisch van de vrouw achter het loket versta ik niet, ook niet als ze haar microfoon aanzet. Ze wijst naar het volgende loket. Daar zit hetzelfde typet vrouw: bleek, bril, keurig, stug. Ze haalt het briefje onder het loket door, bestudeert het, schuift het terug, zegt iets en wijst naar loket 1. Daar sta ik dan. Niemand reageert en ik voel me al bijna in Rusland: je snapt niks, kan niks vragen, moet wachten. Ik staar een tijdje naar de curieuze tekst op de wand: Dear Sirs, The Consulair Department is not responsible for the mistakes that were not pointed out before your departure.
Maar kijk, heel langzaam komt er beweging in de rij. Achter loket 1 zit een vrouw die Engels spreekt, achter loket 2 een jongeman die ook al Engels spreekt. Zij behandelen onze visumaanvragen. Wij, dat zijn aardig wat Russen trouwens met benijdenswaardig weinig taalproblemen. Het in ontvangst nemen van onze paspoorten, visum aanvragen en Ruslandverklaringen schiet trouwens niet erg op: de vrouw en de jongeman bestuderen computerschermen, ook die van elkaar, overleggen, verrichten onduidelijke handelingen of staan op om de ingenomen paspoorten ergens achterin de loketruimte op een stapel te leggen. Soms staat de vrouw achter loket 3 op om mee te helpen. De hele tijd denk je het ergste.
Bij loket 1 staat een grote vrouw in pak met sterke plusbrillenglazen en een heleboel paspoorten in haar handen. Ze blijkt Nederlandse en het lijkt erop dat ze daar staat om ons te helpen, tenminste als je haar toon als zodanig opvat. Blijf je daar staan, snauwt ze me toe als ik aan de beurt ben. Ik haal mijn plastic mapje met papieren te voorschijn en wil er paspoort, visumaanvraag en Ruslandverklaring uithalen maar ze graait het al uit mijn vingers: het is te dik en het plastic moet van het paspoort af; vervolgens schuift ze maar de helft van de Ruslandverklaring onder het loket door. In de rij voel ik solidariteit met de barse vrouw opkomen.
In ruil voor het paspoort krijg ik uiteindelijk een briefje waarmee ik me bij loket 3 moet vervoegen, de vrouw erachter plaatst rode streepjes en schuift het door naar loket 4. Cash desk staat daarboven. Ik hoef niet te betalen.
Tussen twaalf en een moeten we allemaal terugkomen om het visum op te halen, voor twaalven willen ze je hier niet zien. Maar dan gaat alles ook behoorlijk vlot. Als we weer naar buiten willen, blijkt het hek gesloten, niemand kan eruit of erin, waarom is onduidelijk. Zo staan we een poos. Raar.
Dochter werkzaam op de ambassade in Moskou had door de telefoon gezegd dat ik bij het Russisch consulaat aan de Scheveningse weg eerst op een grote, donkere Rus zou stuiten dat-ie geen woord Engels, laat staan Nederlands sprak maar dat ik hem gewoon het briefje van de Russische consul in Moskou onder de neus moest drukken dat ze had gemaild en dat ik dan zo door kon lopen, niet in de rij hoefde te staan en dat ik ook niets hoefde te betalen voor het visum.
Dat is het voorrecht van familie, had ze gezegd.
Het consulaat is een wit pand met bij de voordeur een pijl die naar een gesloten groen geschilderd hoog traliehek met bel verwijst. Als ik bel komt uit een microfoon een stem die iets in het Russisch zegt. Ik gok en zeg visum aanvragen. Het hek gaat open. Ik kom op een binnenplaats waar onder een afdak een lange rij stoelen staat, het ziet er vreemd uit. Links is de deur van de ingang en eenmaal binnen zie ik achter een loket inderdaad de Rus. Hij stuurt me door een gang naar achteren. Ik beland in een tamelijk kleine ruimte met rechts twee loketten en tegenover me ook twee.
Boven de loketten zijn nummers aangebracht. Voor loket 1 staat al een hele rij mensen. Met de opmerking over het niet wachten van dochterlief in het achterhoofd loop ik op het dichtstbijzijnde loket met een 4 erboven af en steek mijn je consul-briefje in de lucht. Dat werkt jammer genoeg niet en het Russisch van de vrouw achter het loket versta ik niet, ook niet als ze haar microfoon aanzet. Ze wijst naar het volgende loket. Daar zit hetzelfde typet vrouw: bleek, bril, keurig, stug. Ze haalt het briefje onder het loket door, bestudeert het, schuift het terug, zegt iets en wijst naar loket 1. Daar sta ik dan. Niemand reageert en ik voel me al bijna in Rusland: je snapt niks, kan niks vragen, moet wachten. Ik staar een tijdje naar de curieuze tekst op de wand: Dear Sirs, The Consulair Department is not responsible for the mistakes that were not pointed out before your departure.
Maar kijk, heel langzaam komt er beweging in de rij. Achter loket 1 zit een vrouw die Engels spreekt, achter loket 2 een jongeman die ook al Engels spreekt. Zij behandelen onze visumaanvragen. Wij, dat zijn aardig wat Russen trouwens met benijdenswaardig weinig taalproblemen. Het in ontvangst nemen van onze paspoorten, visum aanvragen en Ruslandverklaringen schiet trouwens niet erg op: de vrouw en de jongeman bestuderen computerschermen, ook die van elkaar, overleggen, verrichten onduidelijke handelingen of staan op om de ingenomen paspoorten ergens achterin de loketruimte op een stapel te leggen. Soms staat de vrouw achter loket 3 op om mee te helpen. De hele tijd denk je het ergste.
Bij loket 1 staat een grote vrouw in pak met sterke plusbrillenglazen en een heleboel paspoorten in haar handen. Ze blijkt Nederlandse en het lijkt erop dat ze daar staat om ons te helpen, tenminste als je haar toon als zodanig opvat. Blijf je daar staan, snauwt ze me toe als ik aan de beurt ben. Ik haal mijn plastic mapje met papieren te voorschijn en wil er paspoort, visumaanvraag en Ruslandverklaring uithalen maar ze graait het al uit mijn vingers: het is te dik en het plastic moet van het paspoort af; vervolgens schuift ze maar de helft van de Ruslandverklaring onder het loket door. In de rij voel ik solidariteit met de barse vrouw opkomen.
In ruil voor het paspoort krijg ik uiteindelijk een briefje waarmee ik me bij loket 3 moet vervoegen, de vrouw erachter plaatst rode streepjes en schuift het door naar loket 4. Cash desk staat daarboven. Ik hoef niet te betalen.
Tussen twaalf en een moeten we allemaal terugkomen om het visum op te halen, voor twaalven willen ze je hier niet zien. Maar dan gaat alles ook behoorlijk vlot. Als we weer naar buiten willen, blijkt het hek gesloten, niemand kan eruit of erin, waarom is onduidelijk. Zo staan we een poos. Raar.
Hond en trein (3)
Hond en trein
De trein zou toch pas over een kwartier vertrekken, dus zocht ik in alle rust naar de stiltecoupé en een plaats waar ook Hond kon liggen zonder anderen lastig te vallen en ook zonder dat anderen haar lastig konden vallen (daar let ik tegenwoordig extra op: dat anderen Hond niet lastig vallen door op haar of zelfs maar op haar staart te trappen). Verderop zaten alleen twee oudere grijs gewatergolfde dames.
Ik pakte de krant, gaf Hond die allang uitgebreid over de vloer lag uitgestrekt een hondenkoekje en verdiepte me in de Culturele bijlage van de krant waarin prachtig over de kunstenaar Dennis Hopper geschreven werd. Dat verdiepen ging overigens moeizaam. Hoewel de dames drie banken verderop zaten kon ik verstaan waar ze het over hadden, hun dode mannen natuurlijk. Ik wilde mijn grote oren niet te luisteren leggen maar begon me wel onrustig te voelen.
Het is hier toch een stilte coupe, dacht ik, uitgelezen kans om mijn vaardigheden op dit terrein weer eens te beproeven, alleen nu nog niet, we reden nog niet eens, laat ze maar even. De trein liep vol, de dames verhieven hun stemmen. Nu dacht ik, nu is het moment, we vertrekken bijna. Voor ik er erg in had stond ik al, stapte op de dames af, wenste ze goedemorgen en vroeg of ik ze iets mocht vragen (altijd bij lastige vragen eerst vragen of je iets mag vragen, werkt altijd). Ze keken me stralend en afwachtend aan. Ze waren uit vandaag en hadden het naar hun zin.
Weet u wel dat het hier een stiltecoupe is, vroeg ik met een wat ik dacht vriendelijke open glimlach en zette me inwendig schrap. O natuurlijk, antwoordden ze weer even stralend, dan moeten we stil zijn hè, maar we gaan gewoon heel zachtjes praten. Ze zeiden het allebei afzonderlijk tegelijk, knikten vriendelijk. Ik was verbluft en taaide af, dank u wel knikkend met het vage gevoel dat ik in de maling genomen werd.
Toen de trein zowat vertrok sprongen er nog twee jongens in die op de bank naast de onze (Hond en mij, Hond zoals gezegd uitgestrekt op de vloer) gingen zitten. Ze pakten hun walkmannen en het voor omstanders zo bekende geluid van op schoolborden krassende krijtjes ( goed dat ze die rotborden niet meer hebben) en roestig keel schrapen begon. Ha, nog een kans, ik begon er nu echt lol in te krijgen. Ik boog me naar opzij en zei met een minstens zo stralende lach als die van de dames daarnet (daarbij overdreven naar het apparaat knikkend) dat het hier een stiltecoupe was .
O sorry, zeiden ze en deden hun walkmannen uit. Heel gewoon. Jeetje dacht ik de wonderen zijn de wereld weer in. Hier moest ik over nadenken totdat mijn hond belangstellend aan een van de gympen van de jongens begon te ruiken. Getver. Ik riep haar terug. Ze ruikt hond, zei de jongen. Ik was meteen verkocht, een jongen die van honden houdt, wat enig. Vanaf dat moment bleef het rustig, althans (1), de dames bleven toch wel tamelijk hoorbaar en ook begon verderop een kind enthousiaste kinderkreten de coupé in te sturen.
Maar daar ging ik niets meer van zeggen, ik had ik al twee overwinningen achter de rug, althans (2) was dat wel zo? Waar kwam dat rare schrap zetten eigenlijk vandaan en waarom had ik eigenlijk het gevoel voor het lapje gehouden te worden? Het bleef me de gehele verdere reis bezig houden, ondanks Dennis Hopper. Hond bleef er de gehele verdere reis uitgestrekt bijliggen, oogstte daarvoor allerwegen complimentjes.
De trein zou toch pas over een kwartier vertrekken, dus zocht ik in alle rust naar de stiltecoupé en een plaats waar ook Hond kon liggen zonder anderen lastig te vallen en ook zonder dat anderen haar lastig konden vallen (daar let ik tegenwoordig extra op: dat anderen Hond niet lastig vallen door op haar of zelfs maar op haar staart te trappen). Verderop zaten alleen twee oudere grijs gewatergolfde dames.
Ik pakte de krant, gaf Hond die allang uitgebreid over de vloer lag uitgestrekt een hondenkoekje en verdiepte me in de Culturele bijlage van de krant waarin prachtig over de kunstenaar Dennis Hopper geschreven werd. Dat verdiepen ging overigens moeizaam. Hoewel de dames drie banken verderop zaten kon ik verstaan waar ze het over hadden, hun dode mannen natuurlijk. Ik wilde mijn grote oren niet te luisteren leggen maar begon me wel onrustig te voelen.
Het is hier toch een stilte coupe, dacht ik, uitgelezen kans om mijn vaardigheden op dit terrein weer eens te beproeven, alleen nu nog niet, we reden nog niet eens, laat ze maar even. De trein liep vol, de dames verhieven hun stemmen. Nu dacht ik, nu is het moment, we vertrekken bijna. Voor ik er erg in had stond ik al, stapte op de dames af, wenste ze goedemorgen en vroeg of ik ze iets mocht vragen (altijd bij lastige vragen eerst vragen of je iets mag vragen, werkt altijd). Ze keken me stralend en afwachtend aan. Ze waren uit vandaag en hadden het naar hun zin.
Weet u wel dat het hier een stiltecoupe is, vroeg ik met een wat ik dacht vriendelijke open glimlach en zette me inwendig schrap. O natuurlijk, antwoordden ze weer even stralend, dan moeten we stil zijn hè, maar we gaan gewoon heel zachtjes praten. Ze zeiden het allebei afzonderlijk tegelijk, knikten vriendelijk. Ik was verbluft en taaide af, dank u wel knikkend met het vage gevoel dat ik in de maling genomen werd.
Toen de trein zowat vertrok sprongen er nog twee jongens in die op de bank naast de onze (Hond en mij, Hond zoals gezegd uitgestrekt op de vloer) gingen zitten. Ze pakten hun walkmannen en het voor omstanders zo bekende geluid van op schoolborden krassende krijtjes ( goed dat ze die rotborden niet meer hebben) en roestig keel schrapen begon. Ha, nog een kans, ik begon er nu echt lol in te krijgen. Ik boog me naar opzij en zei met een minstens zo stralende lach als die van de dames daarnet (daarbij overdreven naar het apparaat knikkend) dat het hier een stiltecoupe was .
O sorry, zeiden ze en deden hun walkmannen uit. Heel gewoon. Jeetje dacht ik de wonderen zijn de wereld weer in. Hier moest ik over nadenken totdat mijn hond belangstellend aan een van de gympen van de jongens begon te ruiken. Getver. Ik riep haar terug. Ze ruikt hond, zei de jongen. Ik was meteen verkocht, een jongen die van honden houdt, wat enig. Vanaf dat moment bleef het rustig, althans (1), de dames bleven toch wel tamelijk hoorbaar en ook begon verderop een kind enthousiaste kinderkreten de coupé in te sturen.
Maar daar ging ik niets meer van zeggen, ik had ik al twee overwinningen achter de rug, althans (2) was dat wel zo? Waar kwam dat rare schrap zetten eigenlijk vandaan en waarom had ik eigenlijk het gevoel voor het lapje gehouden te worden? Het bleef me de gehele verdere reis bezig houden, ondanks Dennis Hopper. Hond bleef er de gehele verdere reis uitgestrekt bijliggen, oogstte daarvoor allerwegen complimentjes.
woensdag 17 maart 2010
De Avonden
De Avonden
dinsdag 23 september 2008
Jane Leusink woont in Winsum, in de provincie Groningen, waar ze schrijft en kookt. Haar culinaire belangstelling heeft er toe geleid dat ze momenteel mede-eigenaar is van het Schathoes Verhildersum in Leens dat een Michelinster heeft. Het heeft lang geduurd voordat ze, zoals zij dat noemt, een 'echt' gedicht schreef, een gedicht dat met taal gemaakt was, met woorden dus, en niet met emoties.
Wim Brands en Erik-Jan Harmens praten met Jane Leusink over haar nieuwste bundel 'Er is weinig aan de lente veranderd'.
http://www.vpro.nl/programma/deavonden/afleveringen/39831767/items/40067900/
dinsdag 23 september 2008
Jane Leusink woont in Winsum, in de provincie Groningen, waar ze schrijft en kookt. Haar culinaire belangstelling heeft er toe geleid dat ze momenteel mede-eigenaar is van het Schathoes Verhildersum in Leens dat een Michelinster heeft. Het heeft lang geduurd voordat ze, zoals zij dat noemt, een 'echt' gedicht schreef, een gedicht dat met taal gemaakt was, met woorden dus, en niet met emoties.
Wim Brands en Erik-Jan Harmens praten met Jane Leusink over haar nieuwste bundel 'Er is weinig aan de lente veranderd'.
http://www.vpro.nl/programma/deavonden/afleveringen/39831767/items/40067900/
Recensie 'Er is weinig aan de lente veranderd' , De Recensent, Edwin Fagel
Titel: Er is weinig aan de lente veranderd
Auteur: Jane Leusink
ISBN: 9789077487662
Uitgever: Uitgeverij Kleine Uil
Datum bespreking: 18 Februari 2009
Melancholisch, nuchter, lyrisch, mystiek, grappig, filosofisch, erudiet, plat en experimenteel
Het moest even opgezocht, maar nu weet ik het voortaan: het pantoen is een Maleisische dichtvorm, bestaande uit strofen van vier regels met gekruiste rijmen: de regels 2 en 4 van de eerste strofe worden regel 1 en 3 van de tweede strofe, en zo verder. In de derde bundel van Jane Leusink, de winnares van de C. Buddingh’-prijs 2003, fascineren vooral de pantoens. De herhaalde regels geven de gedichten een pregnante toon, een zekere urgentie, en ik heb het idee dat Leusink hier aan de kern komt van wat ze zegt met haar bundel Er is weinig aan de lente veranderd.
De pantoens staan in de reeks ‘Oefenplaats (dan is er weer vorm, en vorm)’. Lees bijvoorbeeld ‘Aan het reizen bij verdriet’, bij de Winterreise van Schubert:
Reis altijd licht: die Liebe liebt das Wandern
Ik hoor het in haar stem. God heeft haar zo gemaakt
En de natuur vanzelf, want het is god Natuur
Buig licht voorover als storm over velden woedt
Ik hoor het in haar stem. God heeft haar zo gemaakt
Zing pianissimo als ware het nat van tranen
Buig licht voorover als storm over velden woedt
Men regent hier, dan daar, het wordt voor ons besloten
Zing pianissimo als ware het nat van tranen
En de natuur vanzelf, want het is god Natuur
Men regent hier, dan daar, het wordt voor ons besloten
Reis altijd licht: die Liebe liebt das Wandern
(p. 37)
Er is weinig aan de lente veranderd. De titel leest als de verzuchting van iemand die rouwt (om een geliefde?) en ziet hoe in de lente alles weer begint te leven, onaangedaan door het verlies. De bewuste regel is afkomstig uit een gedicht ter nagedachtenis aan C.O. Jellema, maar ook elders in de bundel speelt de dood een rol. Toch is Er is weinig aan de lente veranderd geen bundel over rouw of sterfelijkheid geworden. Integendeel: de gedichten lezen als een stevige omarming van het leven en alles wat leeft – al gebeurt dat enigszins grimmig, wanhopig bijna. Er spreekt uit de zwierige, beweeglijke, en hier en daar hortende taal een nervositeit, alsof alle waarnemingen en gedachten tegelijk moeten worden uitgedrukt:
Anders is het op deze overschoten hoogte
overhoekje (van een kromme plek krijg je een kromme rug)
zouden we deze dimensie misschien met iets kleins
kunnen trotseren, een brekerig takje of een woord of zo waarop
iets zich heeft verschanst
of zich heeft terug getrokken?
(Uit: ‘Over het volgen van het verstand’, p. 17)
De bundel is opgedeeld in de afdelingen ‘Nu’, ‘Hier’ en ‘Dit’, en dit versterkt de gedachte dat het hier gaat om een dichteres die alle taal gebruikt die in haar macht ligt om vat te krijgen op het nu, het hier, het dit. Maar het ontglipt haar onmiddellijk – juist door die taal, zoals treffend wordt geïllustreerd door de enigszins absurde ondertitels van de afdelingen. Bij ‘Nu’ wordt bijvoorbeeld toegevoegd: ‘(vandaag is onverbiddelijk stil)’, en bij ‘Hier’: ‘(is het krimpend wind en vrouwen aan boord)’.
Op dezelfde manier ontglippen de gedichten van Jane Leusink je, op het moment dat je denkt dat je ze tussen duim en wijsvinger houdt. Hoe bijvoorbeeld het gedicht op p. 27 te typeren, het derde gedicht uit de reeks ‘Schuilplaats (een hand voor ogen)’. Is het:
· Melancholisch en fatalistisch?
Straks slapen wij naast elkaar in deze heuvel/de slingerende rouwstoeten hebben hun zwijgende/werk gedaan
· Nuchter en koel?
In de grond van de zaak/gaan wij naar de zoute oceaan
· Lyrisch?
liefste waar alles geboren wordt jij mij/ met zo’n sierlijke boog over je torso gooide/ dat ik aanspoelde in die smorende golf/van goud
· Mystiek?
straks is alles weer nu gelijktijdig en eeuwig/luidruchtig in deze moederaardse omhelzing/ aanwezig of niet of vruchtbaar weer gekeerd/ als gras bloemen goddelijk stof jij mij
En die cursieve gedichten na de genummerde gedichten in deze reeks, en die weer totaal anders van toon zijn, sterker nog: die het negatief vormen van de genummerde gedichten, hoe die dan te typeren?
Wat passeert hier nu eigenlijk
nuchter beschouwd een schare van lopers
van noord naar zuid met plakkerige
broodpakjes in hun Fjällraven rugtasjes
hun ademende waterafstotende Tenson
Soft Shell windstoppers
(…)
(p. 28)
De pantoens vormen wat mij betreft het hoogtepunt van deze bundel. Maar daarmee wil ik niets afdoen aan de kwaliteit van de overige gedichten. Waar Leusink enerzijds hooggestemd schrijft over mystieke ervaringen (Hadewijch wordt in deze bundel zelfs direct aangesproken), heeft ze het anderzijds in een anekdotisch gedicht over een nogal ongemakkelijk gesprek met ‘de rustige man van CPNB’ (in: ‘Gegroet wij zullen verder moeten’, p. 47).
Er is weinig aan de lente veranderd is kortom een melancholische, nuchtere, lyrische en mystieke bundel. Maar ook is de bundel grappig, filosofisch, erudiet, plat en experimenteel. En dat allemaal tegelijk. Dat maakt deze bundel ongrijpbaar, en rijk, en het lezen ervan een telkens herhaald avontuur.
Edwin Fagel
Auteur: Jane Leusink
ISBN: 9789077487662
Uitgever: Uitgeverij Kleine Uil
Datum bespreking: 18 Februari 2009
Melancholisch, nuchter, lyrisch, mystiek, grappig, filosofisch, erudiet, plat en experimenteel
Het moest even opgezocht, maar nu weet ik het voortaan: het pantoen is een Maleisische dichtvorm, bestaande uit strofen van vier regels met gekruiste rijmen: de regels 2 en 4 van de eerste strofe worden regel 1 en 3 van de tweede strofe, en zo verder. In de derde bundel van Jane Leusink, de winnares van de C. Buddingh’-prijs 2003, fascineren vooral de pantoens. De herhaalde regels geven de gedichten een pregnante toon, een zekere urgentie, en ik heb het idee dat Leusink hier aan de kern komt van wat ze zegt met haar bundel Er is weinig aan de lente veranderd.
De pantoens staan in de reeks ‘Oefenplaats (dan is er weer vorm, en vorm)’. Lees bijvoorbeeld ‘Aan het reizen bij verdriet’, bij de Winterreise van Schubert:
Reis altijd licht: die Liebe liebt das Wandern
Ik hoor het in haar stem. God heeft haar zo gemaakt
En de natuur vanzelf, want het is god Natuur
Buig licht voorover als storm over velden woedt
Ik hoor het in haar stem. God heeft haar zo gemaakt
Zing pianissimo als ware het nat van tranen
Buig licht voorover als storm over velden woedt
Men regent hier, dan daar, het wordt voor ons besloten
Zing pianissimo als ware het nat van tranen
En de natuur vanzelf, want het is god Natuur
Men regent hier, dan daar, het wordt voor ons besloten
Reis altijd licht: die Liebe liebt das Wandern
(p. 37)
Er is weinig aan de lente veranderd. De titel leest als de verzuchting van iemand die rouwt (om een geliefde?) en ziet hoe in de lente alles weer begint te leven, onaangedaan door het verlies. De bewuste regel is afkomstig uit een gedicht ter nagedachtenis aan C.O. Jellema, maar ook elders in de bundel speelt de dood een rol. Toch is Er is weinig aan de lente veranderd geen bundel over rouw of sterfelijkheid geworden. Integendeel: de gedichten lezen als een stevige omarming van het leven en alles wat leeft – al gebeurt dat enigszins grimmig, wanhopig bijna. Er spreekt uit de zwierige, beweeglijke, en hier en daar hortende taal een nervositeit, alsof alle waarnemingen en gedachten tegelijk moeten worden uitgedrukt:
Anders is het op deze overschoten hoogte
overhoekje (van een kromme plek krijg je een kromme rug)
zouden we deze dimensie misschien met iets kleins
kunnen trotseren, een brekerig takje of een woord of zo waarop
iets zich heeft verschanst
of zich heeft terug getrokken?
(Uit: ‘Over het volgen van het verstand’, p. 17)
De bundel is opgedeeld in de afdelingen ‘Nu’, ‘Hier’ en ‘Dit’, en dit versterkt de gedachte dat het hier gaat om een dichteres die alle taal gebruikt die in haar macht ligt om vat te krijgen op het nu, het hier, het dit. Maar het ontglipt haar onmiddellijk – juist door die taal, zoals treffend wordt geïllustreerd door de enigszins absurde ondertitels van de afdelingen. Bij ‘Nu’ wordt bijvoorbeeld toegevoegd: ‘(vandaag is onverbiddelijk stil)’, en bij ‘Hier’: ‘(is het krimpend wind en vrouwen aan boord)’.
Op dezelfde manier ontglippen de gedichten van Jane Leusink je, op het moment dat je denkt dat je ze tussen duim en wijsvinger houdt. Hoe bijvoorbeeld het gedicht op p. 27 te typeren, het derde gedicht uit de reeks ‘Schuilplaats (een hand voor ogen)’. Is het:
· Melancholisch en fatalistisch?
Straks slapen wij naast elkaar in deze heuvel/de slingerende rouwstoeten hebben hun zwijgende/werk gedaan
· Nuchter en koel?
In de grond van de zaak/gaan wij naar de zoute oceaan
· Lyrisch?
liefste waar alles geboren wordt jij mij/ met zo’n sierlijke boog over je torso gooide/ dat ik aanspoelde in die smorende golf/van goud
· Mystiek?
straks is alles weer nu gelijktijdig en eeuwig/luidruchtig in deze moederaardse omhelzing/ aanwezig of niet of vruchtbaar weer gekeerd/ als gras bloemen goddelijk stof jij mij
En die cursieve gedichten na de genummerde gedichten in deze reeks, en die weer totaal anders van toon zijn, sterker nog: die het negatief vormen van de genummerde gedichten, hoe die dan te typeren?
Wat passeert hier nu eigenlijk
nuchter beschouwd een schare van lopers
van noord naar zuid met plakkerige
broodpakjes in hun Fjällraven rugtasjes
hun ademende waterafstotende Tenson
Soft Shell windstoppers
(…)
(p. 28)
De pantoens vormen wat mij betreft het hoogtepunt van deze bundel. Maar daarmee wil ik niets afdoen aan de kwaliteit van de overige gedichten. Waar Leusink enerzijds hooggestemd schrijft over mystieke ervaringen (Hadewijch wordt in deze bundel zelfs direct aangesproken), heeft ze het anderzijds in een anekdotisch gedicht over een nogal ongemakkelijk gesprek met ‘de rustige man van CPNB’ (in: ‘Gegroet wij zullen verder moeten’, p. 47).
Er is weinig aan de lente veranderd is kortom een melancholische, nuchtere, lyrische en mystieke bundel. Maar ook is de bundel grappig, filosofisch, erudiet, plat en experimenteel. En dat allemaal tegelijk. Dat maakt deze bundel ongrijpbaar, en rijk, en het lezen ervan een telkens herhaald avontuur.
Edwin Fagel
Abonneren op:
Posts (Atom)