woensdag 5 oktober 2016

Opening tentoonstelling Verkuno in de fotostudio van Alfred Oosterman (Peize)

Kwam mezelf ook tegen bij #Alfred #Oosterman in Peize. Volle bak daar in de fotostudio. Daarna door de Onlanden (what's in a name: enge kastelen, Dracula en Bram Stoker misschien?) terug naar Stad via het Stadspark. Maar 's morgens door nevels en witte wieven al heen gefietst waarbij ook een ontmoeting met tien(!) fazanten, een valkje en een buizerd op een paaltje

foto van Jane Leusink.


Kwam mezelf ook tegen bij #Alfred #Oosterman in Peize. Volle bak daar in de fotostudio. Daarna door de Onlanden (what's in a name: enge kastelen, Dracula en Bram Stoker misschien?) terug naar Stad via het Stadspark. Maar 's morgens door nevels en witte wieven al heen gefietst waarbij ook een ontmoeting met tien(!) fazanten, een valkje en een buizerd op een paaltje

foto van Jane Leusink.
foto van Jane Leusink.
foto van Jane Leusink.

Poëzie op zondag in de OBA 16 oktober

Zondag 16 oktober - Poëzie op Zondag 
met Jane Leusink

Ook dit najaar komen er bijzondere dichters naar de OBA. Ze lezen voor uit hun werk en praten met Ineke Holzhaus aan de hand van één gedicht. Zo’n kort gesprek blijkt een goede start voor het luisteren naar hun werk.. Zo wordt poëzie toegankelijker. Ineke Holzhaus leest gedichten uit de wereldliteratuur die niet vergeten mogen worden

Zondag 16 oktober - Jane Leusink
Voor haar laatste bundel Een grazende streep in de lucht, kreeg Jane Leusink opnieuw lovende besprekingen, zoals steeds sinds haar debuut; Mos en gladde paadjes in 2003, waarvoor ze de C. Buddinghprijs ontving. In haar laatste bundel zoekt ze de grenzen van de poëzie op in lange, soms verhalende gedichtenreeksen.
Ineke Holzhaus leest gedichten van Rutger Kopland.

Kaarten zijn verkrijgbaar aan de balie in de entreehal of via http://www.oba.nl/activiteit.leusink.html
Met OBA-pas en voor ANBO leden € 3,75 / anderen € 7,50 (incl.koffie/thee).




Poëzie op zondag in de

Zondag 16 oktober - Poëzie op Zondag 
met Jane Leusink

Ook dit najaar komen er bijzondere dichters naar de OBA. Ze lezen voor uit hun werk en praten met Ineke Holzhaus aan de hand van één gedicht. Zo’n kort gesprek blijkt een goede start voor het luisteren naar hun werk.. Zo wordt poëzie toegankelijker. Ineke Holzhaus leest gedichten uit de wereldliteratuur die niet vergeten mogen worden

Zondag 16 oktober - Jane Leusink
Voor haar laatste bundel Een grazende streep in de lucht, kreeg Jane Leusink opnieuw lovende besprekingen, zoals steeds sinds haar debuut; Mos en gladde paadjes in 2003, waarvoor ze de C. Buddinghprijs ontving. In haar laatste bundel zoekt ze de grenzen van de poëzie op in lange, soms verhalende gedichtenreeksen.
Ineke Holzhaus leest gedichten van Rutger Kopland.

Kaarten zijn verkrijgbaar aan de balie in de entreehal of via http://www.oba.nl/activiteit.leusink.html
Met OBA-pas en voor ANBO leden € 3,75 / anderen € 7,50 (incl.koffie/thee).

dinsdag 26 juli 2016

dinsdag 12 juli 2016

Recensie Maarten Buser - Club Brancuzzi





Als een moeder die haar kind al ziet struikelen

Club Brancuzzi is een club die het ‘begin van je ware leven’ in petto zegt te hebben. Dat zou dus ook wel eens jouw echte schepping kunnen zijn. De Bijbelse verwijzingen in deze bundel zijn al vanaf het motto talrijk. In dit gedicht ‘De uitnodiging’ bijvoorbeeld kruipt de avond als een slang sissend naderbij: ‘Ga gerust slapen, maar//als je wakker wordt zit ik om je been’. Niet fijn. De belofte die groot en gouden boven de entree van de club staat, ligt al meteen onder vuur.

Het verhaal wordt verteld door een ik-verteller, ook het lyrisch ik, we hebben het tenslotte over poëzie. Samen met Claude, een branie van een beeldend kunstenaar, en Sybille, zijn model, vormt hij een driemanschap. Daarmee ontvouwen zich thematiek en intrige van de bundel: de coming of age van drie jonge mensen. In het slotgedicht ‘Aftitelingsmuziek’ blijken in ieder geval twee van de drie sadder but wiser:

Ik stopte om tussen twee vinnen
een kathedraal van wrakhout te bouwen

(je kunt je er vast geen voorstelling van maken
hoeveel plezier we hebben gehad),
die geschikt is voor vieringen

Paradoxaal, theatraal en volstrekt logisch. Het leven van het drietal gaat na de aftiteling gewoon verder. De ik is ook vast van plan Club Brancuzzi z’n hele leven lang subliem te blijven noemen, al was het voor hem helemaal niet zo leuk binnen de driehoeksverhouding, hij was jaloers, hunkerde naar contact én, inderdaad, naar Sybille. In ‘Baken’:

Wat ik wil is een film, net interessant genoeg
om door te blijven kijken, en waarvan ik weet
dat ik rustig een stuk kan missen om glazen

appelsap te halen, zonder bang te hoeven zijn
dat bij terugkomst die twee opeens
hun verschrikte gezicht op hebben gezet

Hoewel Sybille figureert in gedichten met als koptitel ‘Muisje’, ‘Duifje’, ‘Musje’ is er weinig van deze diertjes in haar terug te vinden. Eerder lijkt ze een wat hoerige Maria (we lezen in een katholieke bundel), een verleidster met benen als steeds langer wordende schaarbladen. Ze verleidt dan ook de ik die zich daarna permanent – uiteraard – een verrader voelt. Met Claude lijkt het ondertussen niet helemaal goed te gaan, er is een gedicht dat ´Voogdij´ heet, waarin Claude opgezocht en opgepast moet worden, hij ogen van ´een puppy in een stikhete auto´ heeft en in een opgerold tapijt (dwangbuis?) blijkt afgevoerd. Hoewel de ik nu met Sybille is, blijft zijn schuldgevoel hem op het pathologische af plagen (´Zilverlingen´ en ´Het zalven´).

Een leuk motief is dat van het hout (aan het slot dus wrakhout). In ‘Duifje’, schrijft Buser: ´Misschien rolde ze vannacht in bed/wel in een verdwaalde splinter/ kruisigingshout van een of andere heilige’. En in ‘Dit lichaam’: ‘Ze laat me haar nek inspecteren/Er steekt een stukje hout uit/Ik plaats mijn vingers eromheen; ze rilt//als een beekje en de splinter komt los’.
Inmiddels mag duidelijk zijn dat de jongelui het paradijs dat de club lijkt te bieden niet in zullen gaan (omgekeerd Adam- en Evamotief?). Claude wilde toch al niet meer naar binnen, de andere twee twijfelen: ‘We besluiten dat naar huis lopen ook ascese is’ (‘Hier zijn’).
Dat het in de bundel ook om een homo-erotische aantrekkingskracht gaat, lees ik in het mooie, subtiele ‘Belijdenis’, waarin Claude en de ik besluiten dat buigen onder een te laag dak ook een soort van bidden is, en dat je hoofd daartegen stoten en vervolgens  sterretjes zien en vogeltjes horen fluiten, net zo goed een goddelijke ervaring kan zijn:

Net als toen keken we elkaar niet aan,

maar ik wist dat hij op zijn lip beet
Hoe we ook ons best deden, we kwamen nooit dichterbij
dan zijn duizelige sterretjes en kanaries

Maarten Buser vertelt vanuit het perspectief van een mij regelmatig ontroerende ik-verteller een ogenschijnlijk spannend verhaal dat met een - ja logische - sisser afloopt. Zo gaan de dingen. Hij is goed in het niet tegemoet komen aan mijn platvloerse verwachtingen als lezer. Op het niveau van de intrige of de plot kom ik gelukkig ellipsen tegen die de gang van de vertelling verstoren, maar ook mijn fantasie prikkelen, ik hou erg van ellipsen. Op poëtisch niveau vind ik originele vergelijkingen, concentratie, effectieve maar onnadrukkelijke enjambementen en veel binnenrijm. Maximaal is de constructie van de bundel. Door de vele, vaak tegenstrijdig aandoende verwijzingen in en tussen de gedichten, raakte ik op een prettige manier in verwarring, prettig omdat ik op het niveau van de taal niet echt bleef zitten met losse eindjes. Met uitzondering dan van het gedicht ‘Voorstudie’, dat me binnen het geheel nogal gezocht lijkt (al komt er veel hout in voor).  Het is ook leuk om te zien dat Maarten, behalve van de Bijbelse, nog van veel andere markten thuis is, variërend van hip hop (opgezocht hoor) naar mythologie, Griekse tragedies en naar Nijhoffs bijen en dan zal me nog wel het een en ander zijn ontgaan. Als laatste zeur ik over de interpunctie: vreemde interpunctie, wel komma’s, geen punten. Ook met opzet?
Een mooi, beloftevol debuut.




http://www.tzum.info/2016/07/recensie-maarten-buser-club-brancuzzi/

donderdag 2 juni 2016

Jaar dat woord werd, woord dat vlees werd



In het eerstvolgende nummer van literair tijdschrift Liter verschijnen twee gedichten van mijn hand. Ze hebben als overkoepelende titel: het jaar 1916. 1916 is thema van het nummer.

Ik schrijf, het zal je niet verbazen, over WO I (de slag aan de Somme, de slag bij Mametz), maar, dat zal je ook niet vreemd vinden, beschouw die door de ogen van dichters: Martinus Nijhoff, Paul van Ostaijen, Siegfried Sassoon en Robert Graves. De laatste twee, én legerofficier én dichter, zijn met hun in poëzie en proza gegoten oorlogservaringen in feite de scheppers geworden van de adembenemende poet's walk langs dito Belgische loopgraven en oorlogsbegraafplaatsen. Sassoon en Graves waren strijdende dichters of zo je wilt dichtende strijders. Romantici ook, tegen het oorlogsgeweld maar vooral vóór de hechte oorlogsvriendschappen die erdoor ontstonden. Lees Sassoon er maar op na.

Paul van Ostaijen schreef het gedicht:
'Gulden Sporen Negentienhonderd Zestien', met de schitterende regel:
"...jaar dat woord werd, woord dat vlees werd ...". Die regel werd de titel van mijn eerste gedicht.
Martinus Nijhoff schreef:  'Zingende soldaten', wat de titel werd van het tweede gedicht.
Alleen al aan de titels kun je het modernisme van Van Ostaijen en Nijhoff aflezen. Ze waren strijders met de pen, namen afstand, reflecteerden, legden ironie als een vitrage over de afschuw heen.

Maar beide veldslagen ook gezien door de ogen van fotograaf
Erwin Olaf in een interview (in de Wereld draait door) over zijn tentoonstelling Catwalk in het Rijksmuseum.  Die tentoonstelling valt volgens zijn gevoel samen met de vluchtelingencrises. In de vorm van een ruwe tegenstelling. Hij voelt zich daarover oprecht ongemakkelijk.
Én door de ogen van Aad van der Drift, trouwe vriend en verwoed verzamelaar van alles wat met WO I te maken heeft. Ook ooggetuige en recensent van het monument dat de slag bij Mametz herdenkt. Hij geeft in ons gesprek én in het gedicht ongegeneerd lucht aan zijn afschuw over die vuurspuwende vuurrode draak.

Eigenlijk gaan beide gedichten natuurlijk over engagement. Met een enorme omhaal van woorden, dat wel.

Paul van Ostaijen, Het Sienjaal. In de Verzamelde gedichten (1981)
M. Nijhoff, De Wandelaar. In de Verzamelde gedichten (1964)
De wereld draait door van 19 februari 2016.

Over Mametz:
Zie ook Michel Renshaw, Mametz wood. Battle ground Somme. Leo Cooper (1999) en Nigel Cave Pen&Sword Military (2006, 2011).



dinsdag 8 maart 2016

Tom van Deel over Een grazende streep in de lucht.

Een grazende streep in de lucht

Titel:Een grazende streep in de lucht
Auteur:Jane Leusink
Uitgever:Uitgeverij Kleine Uil
Jaar van uitgave:2015
Pagina's:72 pagina's
ISBN:978-94-921900-8-6
Rating:
Jane Leusink is laat gedebuteerd maar direct herkend als een authentiek geluid in de poëzie. Haar eerste bundel kreeg meteen de Buddingh'prijs voor het beste debuut (2003). Dit is haar vijfde bundel in ruim tien jaar. Het overkoepelende thema is dood - met afscheid, vertrek etc. als verwante motieven. Ze put uit haar eigen geschiedenis en die van de provincie Groningen, maar weet alle gevoelens en waarnemingen altijd breder van toepassing te maken. De hoofdmomenten van deze prachtige bundel bestaan uit 'Kaddisj', waarin op grond van foto's de geschiedenis van een familielid wordt gevolgd, tot aan Sobibor toe: 'Zo kwam ik in Sobibor terecht / het was vrijdag, drieëntwintig april, de zon scheen / het leek een stralende zomerdag. / Ik heet Thomas, ze noemen me Toivi. Ik kom uit Izbica.' Veel indruk maakt het lange prozaïsche slotgedicht over een pasgeboren meisje uit 1872 dat vlak na haar geboorte stierf. Zij wordt na zoveel jaar waardig in deze serieuze poëzie herdacht en herbegraven. Dit is poëzie om lang bij stil te blijven staan. T. van Deel.
Biblion/Boekensalon