vrijdag 20 april 2012
woensdag 18 april 2012
Recensie Liter ´Tot alles goed strak staat´ door Mart van der Hiele
Hoe de letter de tijd doodt
of: het kraken van Leusink
Ram het er maar in, alsof we het nog niet wisten: ‘Het gedicht is een werkwoord’. Alle onderafdelingen van Jane Leusinks meest recente bundel Tot alles goed strak staat, acht in totaal, worden voorafgegaan door een vers dat zo heet en dat alleen al daarom de cyclus domineert. Schuin gedrukt ook nog, zodat zelfs de voordracht – want ik lees zulke gedichten gewoon hardop in een volle kamer – eraan moet geloven: ‘Vandaag zijn wij kneedbare zinnen die / kieren forceren voor wat ook of ooit’.
Zo begint ‘1. Het gedicht is een werkwoord’, op een overigens per abuis ongepagineerde bladzijde.
Wie Leusinks vorige bundel, Er is weinig aan de lente veranderd, heeft gelezen, herkent veel; zowel inhoudelijk als in structuur zijn er veel overeenkomsten. Opnieuw wordt de taal stevig onder druk gezet: de syntaxis kraakt aan alle kanten en associaties slaan keer op keer ongegeneerd op hol. Maar net voor je denkt ik kan niet meer, stuit je op een paar strakke, kraakheldere pantoens, nu met vertrouwde dieren als inzet, in de roerende cyclus ‘Hemelwaarts’.
Ook de zweem Kouwenaar die ik in haar vorige bundel detecteerde, is er nog – ‘doof geroest’, ‘begon toen de tijd’, woorden als ‘mes’ en ‘brood’ die verlost moeten worden van de dingen, net als de ‘ze’ van ‘zichzelf’. En ten slotte is ook de (royale) lay-out, met grijs doorschoten binnenwerk en een hoge horizon op het omslag, mutatis mutandis hetzelfde.
Om de nieuwe Leusink haar eigen zegje te kunnen laten doen, gaf ik Strak (zoals ik de bundel gemakshalve, maar eerder uit affectie dan gebrek aan respect ben gaan noemen) na de eerste kennismaking in juni een tijdje rust. In september pakte ik hem weer van de plank met bovenmaatse kunstboeken waarop ik poëzie-in-uitvoering tijdelijk parkeer.
De versregels die me destijds verrasten, bleken dat nog steeds te doen. Zonder de vaak treffende en meestal beklemmende context te willen verwaarlozen, noem ik: ‘slechts hier en daar een mus die vanzelf van zijn tak viel’; ‘achter mijn rug knapt parket uit zijn verschansing’; ‘zij moet alles nader bezien, begint er meteen aan / ontdoet het huis kalm van zijn gebunkerde grondvesten’; ‘o we hebben ontzettend veel zin aan de slag te gaan / met de tijd dat onze mannen nog leefden die / in crisistijd voor geen greintje vervaard waren / veel van het leven hielden ja ook van het onze’.
‘Auf die Spitze’ daarentegen en ‘Onder alles uit’ doen me nog steeds weinig. De vulling van deze verzen is voor mij te particulier, te cryptisch en het slotgedicht, ‘Inbraak’ geheten, komt geforceerd jolig op mij over.
Maar ‘Toen het ging kraken in de structuren’ (uit de cyclus ‘Het gras in de raai’) toont Leusink in bloedvorm. Hier ligt mijns inziens de kern van de bundel, waarin haar poëtica zich zonder terughouding uitspreekt in sublieme taal. Er wordt een lijntje uitgegooid en dan nog een, gretig gehengeld naar zin en betekenis. Onnozele kinderen vangen er een hoop van, ze spelen ermee en meteen komt de klad er al in: ‘het werd hersteltijd baggertijd grondverzet / mors en vertroebeling maakten vormloos landschap / ontdane wierde kaal meidoornverdriet / en wij in die eeuwige wind gekleefd’.
En dan komt het: ‘die nacht, wij snoven de aarde – wilden dicht / bij onze onrustige doden zijn – groeven ten slotte / het graf voor onszelf, wachtten / een ademloos wachten begon’.
Dit is in mijn ogen grootse poëzie: het verschil kunnen maken met een enkele t. Over strak staan gesproken! Zonder schaamte beken ik hier dat mijn stem stokte bij het voorlezen – terwijl ik toch een verklaarde hekel heb aan sentiment.
Valt ‘Groninger kroon’, waarmee de bundel opent, bewust buiten de (zwaar verontrustende) ruimte en (alsmaar aanvretende) tijd van het achtvoudige ‘Het gedicht is een werkwoord’? Ik citeer het hier in zijn compacte volledigheid en laat het antwoord aan de lezer, vooropgesteld dat die de bundel aanschaft, hardop leest en dan, bij het terugbladeren, opnieuw stuit op: ‘Als het vruchtvlees / om mijn rammelende zaad / zo sluit uw blote hand / zich om mij heen /
hier ben ik dan uw hand / mijn grazige land mijn thuis / mijn naam malus domestica / als appel van uw oog / in deze kroeg gekroond’
Als geheel verdient Strak beslist de kwalificatie die ik eerder (in Liter 53, blz. 74) toekende aan Er is weinig aan de lente veranderd, namelijk: ‘gespierd, eigenzinnig en overrompelend […] houdbaar tot lang na de kredietcrisis.’ Waarbij ik het verergeren van deze crisis in de tussenliggende jaren nadrukkelijk meeweeg.
Jane Leusink, Tot alles goed strak staat. Kleine Uil, Groningen 2011, 64 blz., € 15,00.
Mart van der Hiele
En hierbij ook de aankondiging van een nieuwe site: www.leesliter.nl
of: het kraken van Leusink
Ram het er maar in, alsof we het nog niet wisten: ‘Het gedicht is een werkwoord’. Alle onderafdelingen van Jane Leusinks meest recente bundel Tot alles goed strak staat, acht in totaal, worden voorafgegaan door een vers dat zo heet en dat alleen al daarom de cyclus domineert. Schuin gedrukt ook nog, zodat zelfs de voordracht – want ik lees zulke gedichten gewoon hardop in een volle kamer – eraan moet geloven: ‘Vandaag zijn wij kneedbare zinnen die / kieren forceren voor wat ook of ooit’.
Zo begint ‘1. Het gedicht is een werkwoord’, op een overigens per abuis ongepagineerde bladzijde.
Wie Leusinks vorige bundel, Er is weinig aan de lente veranderd, heeft gelezen, herkent veel; zowel inhoudelijk als in structuur zijn er veel overeenkomsten. Opnieuw wordt de taal stevig onder druk gezet: de syntaxis kraakt aan alle kanten en associaties slaan keer op keer ongegeneerd op hol. Maar net voor je denkt ik kan niet meer, stuit je op een paar strakke, kraakheldere pantoens, nu met vertrouwde dieren als inzet, in de roerende cyclus ‘Hemelwaarts’.
Ook de zweem Kouwenaar die ik in haar vorige bundel detecteerde, is er nog – ‘doof geroest’, ‘begon toen de tijd’, woorden als ‘mes’ en ‘brood’ die verlost moeten worden van de dingen, net als de ‘ze’ van ‘zichzelf’. En ten slotte is ook de (royale) lay-out, met grijs doorschoten binnenwerk en een hoge horizon op het omslag, mutatis mutandis hetzelfde.
Om de nieuwe Leusink haar eigen zegje te kunnen laten doen, gaf ik Strak (zoals ik de bundel gemakshalve, maar eerder uit affectie dan gebrek aan respect ben gaan noemen) na de eerste kennismaking in juni een tijdje rust. In september pakte ik hem weer van de plank met bovenmaatse kunstboeken waarop ik poëzie-in-uitvoering tijdelijk parkeer.
De versregels die me destijds verrasten, bleken dat nog steeds te doen. Zonder de vaak treffende en meestal beklemmende context te willen verwaarlozen, noem ik: ‘slechts hier en daar een mus die vanzelf van zijn tak viel’; ‘achter mijn rug knapt parket uit zijn verschansing’; ‘zij moet alles nader bezien, begint er meteen aan / ontdoet het huis kalm van zijn gebunkerde grondvesten’; ‘o we hebben ontzettend veel zin aan de slag te gaan / met de tijd dat onze mannen nog leefden die / in crisistijd voor geen greintje vervaard waren / veel van het leven hielden ja ook van het onze’.
‘Auf die Spitze’ daarentegen en ‘Onder alles uit’ doen me nog steeds weinig. De vulling van deze verzen is voor mij te particulier, te cryptisch en het slotgedicht, ‘Inbraak’ geheten, komt geforceerd jolig op mij over.
Maar ‘Toen het ging kraken in de structuren’ (uit de cyclus ‘Het gras in de raai’) toont Leusink in bloedvorm. Hier ligt mijns inziens de kern van de bundel, waarin haar poëtica zich zonder terughouding uitspreekt in sublieme taal. Er wordt een lijntje uitgegooid en dan nog een, gretig gehengeld naar zin en betekenis. Onnozele kinderen vangen er een hoop van, ze spelen ermee en meteen komt de klad er al in: ‘het werd hersteltijd baggertijd grondverzet / mors en vertroebeling maakten vormloos landschap / ontdane wierde kaal meidoornverdriet / en wij in die eeuwige wind gekleefd’.
En dan komt het: ‘die nacht, wij snoven de aarde – wilden dicht / bij onze onrustige doden zijn – groeven ten slotte / het graf voor onszelf, wachtten / een ademloos wachten begon’.
Dit is in mijn ogen grootse poëzie: het verschil kunnen maken met een enkele t. Over strak staan gesproken! Zonder schaamte beken ik hier dat mijn stem stokte bij het voorlezen – terwijl ik toch een verklaarde hekel heb aan sentiment.
Valt ‘Groninger kroon’, waarmee de bundel opent, bewust buiten de (zwaar verontrustende) ruimte en (alsmaar aanvretende) tijd van het achtvoudige ‘Het gedicht is een werkwoord’? Ik citeer het hier in zijn compacte volledigheid en laat het antwoord aan de lezer, vooropgesteld dat die de bundel aanschaft, hardop leest en dan, bij het terugbladeren, opnieuw stuit op: ‘Als het vruchtvlees / om mijn rammelende zaad / zo sluit uw blote hand / zich om mij heen /
hier ben ik dan uw hand / mijn grazige land mijn thuis / mijn naam malus domestica / als appel van uw oog / in deze kroeg gekroond’
Als geheel verdient Strak beslist de kwalificatie die ik eerder (in Liter 53, blz. 74) toekende aan Er is weinig aan de lente veranderd, namelijk: ‘gespierd, eigenzinnig en overrompelend […] houdbaar tot lang na de kredietcrisis.’ Waarbij ik het verergeren van deze crisis in de tussenliggende jaren nadrukkelijk meeweeg.
Jane Leusink, Tot alles goed strak staat. Kleine Uil, Groningen 2011, 64 blz., € 15,00.
Mart van der Hiele
En hierbij ook de aankondiging van een nieuwe site: www.leesliter.nl
zaterdag 14 april 2012
Gras
Zondag 15 april lees ik in het kerkje van Zuurdijk (Hogeland van Groningen) het nieuwe gedicht Gras tijdens het benefietconcert voor de restauratie van het lijkenhuisje. Baarhuisje, zeggen ze tegenwoordig in Zuurdijk, het staat op het kerkhof. Gras behandelt de geschiedenis van het huisje vanaf de bouw in 1876 tot en met het benefietconcert van zondag: waarom het gebouwd werd, wie er het eerst is opgebaard, hoe de dorpskinderen reageerden. Gras gaat over alle onbekende dorpsbewoners die geen grafsteen hebben en die ook nooit hebben gehad omdat ze die niet konden betalen. Maar aan wie wij nu weer kunnen denken: in 2009 is de steen voor 'Armhoes Joapke' opgericht, ter herinnering. Dankzij acties van het dorp, met de tekst van Geuchien Zijlma over een huilend Joapke erop gebeiteld. Steenhouwer Bertus Onderwater uit Schouwerzijl mag dat op zijn conto schrijven.'Gras' gaat over rouw en herinneren.
zie ook: www.armhoesjoapke.nl. Ten behoeve van het baarhuisje.
dinsdag 13 maart 2012
zaterdag 11 februari 2012
Amazone in 100 beste gedichten VSB-prijsbundel
Dit jaar stelde Kathleen Ferrier, jury-voorzitter van de VSB Po-ezieprijs 2012 (de belangrijkste prijs voor dichters in het Nederlands taalgebied), De honderd beste gedichten samen. De selectie is gemaakt op basis van 122 ingezonden dichtbundels die verschenen tussen 1 september en 31 augustus 2011 (achterflap).
Op pagina 98 vindt u 'Toen wij een waarachtige amazone ontmoetten' uit Tot alles goed strak staat (verschenen in april).
Voor de volledigheid:
In de bundel van 2008 werd 'The lark ascending' opgenomen uit Er is weinig aan de lente veranderd', (pagina 62, samenstelling Rob Schouten) en in 2003 ' Sneeuw die tot juli blijft liggen' (III) uit Mos en gladde paadjes, dat in dat jaar ook de C. Buddingh' prijs won (p. 99, samenstelling Ad Zuiderent).
Op pagina 98 vindt u 'Toen wij een waarachtige amazone ontmoetten' uit Tot alles goed strak staat (verschenen in april).
Voor de volledigheid:
In de bundel van 2008 werd 'The lark ascending' opgenomen uit Er is weinig aan de lente veranderd', (pagina 62, samenstelling Rob Schouten) en in 2003 ' Sneeuw die tot juli blijft liggen' (III) uit Mos en gladde paadjes, dat in dat jaar ook de C. Buddingh' prijs won (p. 99, samenstelling Ad Zuiderent).
zaterdag 21 januari 2012
Recensie Edwin Fagel op 'De Recensent'.
- Titel: Tot alles goed strak staat
- Auteur: Jane Leusink
- Uitgeverij: Kleine Uil
- ISBN: 978-94-91065-05-7
- Datum bespreking: 6 januar 2012
Talige constructies
wij openden die ochtend onze ogen gaapten wreven
zon tussen onze zorgvuldige woorden: dit is bij uitstek
de plaats waar onze verbeelding tot een vorm kan uitrijpen
(p.26)
De bundels van Jane Leusink zijn gemaakt uit taal en verbeelding. De wereld buiten de poëzie levert het materiaal voor die poëtische wereld uit taal en verbeelding. Dit gaat natuurlijk op voor (vrijwel) alle poëzie, maar zelden wordt dit zo expliciet onder woorden gebracht als in bijvoorbeeld bovenstaand citaat.
Leusink gebruikt in haar taal een heel gevarieerd palet aan tonen, aan stemmingen, aan observaties, aan vondsten. Haar taal is veelvormig. De veelheid ervan is overweldigend en door de veelal barokke regels zou je ten onrechte de indruk kunnen krijgen dat het vooral spierballenvertoon is. Maar neem een (veelzeggende) titel als ‘Tegenwoordig trek ik er in woorden op uit’, met regels als:
een vrouw tuurt naar je omtrek haar handen bladeren
dat ben jij zegt ze ik wil alles van je ontdekken
alsof je niet dood bent dat is de eerste gift van het woord
in het boek ik sla de bladzijden om naar achteren
en je ligt voor het grijpen daar en daar
junioren E werd kampioen dat jaar
ik stond voor het eerst langs de lijn te juichen
(p. 37)
Als dat geen persoonlijke regels zijn. Net als in Leusinks vorige bundel, Er is weinig aan de lente veranderd (2008), speelt rouw in deze bundel op een onnadrukkelijke manier een hoofdrol. Er staan verschillende gedichten in die als ‘in memoriam’ zijn geschreven (opvallend is het gedicht voor Fritzi Harmsen van Beek, in een taal die aan dat van Van Beek zelf doet denken). Ook wordt in verschillende gedichten de dood van een kat beschreven, en regels als bovenstaand lijken op de dood van een geliefde te wijzen.
Zowel Leusinks vorige bundel als deze nieuwe hebben een titel die zowel mismoedig als optimistisch opgevat kan worden, en ze hebben ook een vergelijkbare vormgeving. Maar bij de titel van haar nieuwste bundel moet ik toch vooral aan laarzen denken. Aan spijkers en hamers. Aan touw. Aan samengeknepen ogen. Aan waterpassen, losjes gehanteerd met een sigaret die tussen de lippen bungelt. Goed aantrekken nu, jongens. Tot alles goed strak staat. Maar wat is dat ‘alles’? Letterlijk: alles? Of zijn het toch zeilen om mee weg te varen? Of moeten we de titel meer talig opvatten en gaat het erom de regels strak te zetten?
De anekdote prevaleert in de gedichten van Leusink nergens boven de taal. De gedichten blijven, nadrukkelijk en expliciet, talige constructies. Dat wordt bijvoorbeeld benadrukt in de gedichten uit de afdeling ‘Tot alles goed strak staat’. Een reeks over familie, het verleden en het bestaan als dichter. De cursieve regels, die als een soort motto onder de titels staan, vormen een naadloze verbinding tussen de titels en de ‘normale’ regels:
zon tussen onze zorgvuldige woorden: dit is bij uitstek
de plaats waar onze verbeelding tot een vorm kan uitrijpen
(p.26)
De bundels van Jane Leusink zijn gemaakt uit taal en verbeelding. De wereld buiten de poëzie levert het materiaal voor die poëtische wereld uit taal en verbeelding. Dit gaat natuurlijk op voor (vrijwel) alle poëzie, maar zelden wordt dit zo expliciet onder woorden gebracht als in bijvoorbeeld bovenstaand citaat.
Leusink gebruikt in haar taal een heel gevarieerd palet aan tonen, aan stemmingen, aan observaties, aan vondsten. Haar taal is veelvormig. De veelheid ervan is overweldigend en door de veelal barokke regels zou je ten onrechte de indruk kunnen krijgen dat het vooral spierballenvertoon is. Maar neem een (veelzeggende) titel als ‘Tegenwoordig trek ik er in woorden op uit’, met regels als:
een vrouw tuurt naar je omtrek haar handen bladeren
dat ben jij zegt ze ik wil alles van je ontdekken
alsof je niet dood bent dat is de eerste gift van het woord
in het boek ik sla de bladzijden om naar achteren
en je ligt voor het grijpen daar en daar
junioren E werd kampioen dat jaar
ik stond voor het eerst langs de lijn te juichen
(p. 37)
Zowel Leusinks vorige bundel als deze nieuwe hebben een titel die zowel mismoedig als optimistisch opgevat kan worden, en ze hebben ook een vergelijkbare vormgeving. Maar bij de titel van haar nieuwste bundel moet ik toch vooral aan laarzen denken. Aan spijkers en hamers. Aan touw. Aan samengeknepen ogen. Aan waterpassen, losjes gehanteerd met een sigaret die tussen de lippen bungelt. Goed aantrekken nu, jongens. Tot alles goed strak staat. Maar wat is dat ‘alles’? Letterlijk: alles? Of zijn het toch zeilen om mee weg te varen? Of moeten we de titel meer talig opvatten en gaat het erom de regels strak te zetten?
De anekdote prevaleert in de gedichten van Leusink nergens boven de taal. De gedichten blijven, nadrukkelijk en expliciet, talige constructies. Dat wordt bijvoorbeeld benadrukt in de gedichten uit de afdeling ‘Tot alles goed strak staat’. Een reeks over familie, het verleden en het bestaan als dichter. De cursieve regels, die als een soort motto onder de titels staan, vormen een naadloze verbinding tussen de titels en de ‘normale’ regels:
Wat dacht je dan ik hou
nu eenmaal van dingen je weet wel
te kleine potloodjes die niet meer geslepen gestreepte
bloesjes met één knoopje eraf kopjes zonder oortjes
en andersom stoelen die hoognodig gemat
het op orde houden van spulletjes
en familieleden daar hou ik het allermeest van
de antieke Thonetschommelstoel van oma Jet
(de opkoper stond erbij te juichen)
en oma Jet
ik zie waar ze zat
aan de kuil in de biezen
(p. 39)
En net als in eerdere bundels bevat Tot alles goed strak staat pantoens, de Maleisische versvorm met een strakke vorm waar Leusink steeds bijzondere gedichten mee weet te maken. Zo veelvormig haar regels zijn, zo veelvormig zijn ook de gedichten als geheel. En zo veelvormig zijn haar bundels als geheel. Want ook deze is weer strak gecomponeerd, hetgeen in deze bundel wordt benadrukt doordat alle afdelingen, bestaande uit telkens drie gedichten, worden samengebonden door een overkoepelende reeks met als titel ‘Het gedicht is een werkwoord’.
Hoe divers ook, de gedichten hebben altijd nadrukkelijk een vorm en altijd wordt daar de aandacht op gevestigd. Natuurlijk zijn uiteindelijk alle gedichten constructies. Maar ik geloof dat dit geconstrueerde juist bij Leusink van wezenlijk belang is. De wereld buiten het gedicht speelt een belangrijke rol in het gedicht. Maar uiteindelijk heeft die wereld geen zeggenschap over wat er in de wereld van het gedicht gebeurt. Leusink bouwt in taal haar persoonlijke schip. Tot alles goed strak staat en de muze er de regels in kan blazen:
iemand zegt: mevrouwtje je zit met je Groningse bril
aan het stamtafeltje hebt behoefte aan een liefdevolle
maar flexibele plek voorzien van internetverbindingen
en eenvoudige kantoorvoorzieningen waar je durf
met behoedzaamheid kunt mixen verlegenheid
met vastberadenheid, let op nu gaat het out of the box
zodat bomen massaal in blad kunnen alles kruipen
vliegen boeien gaat de houtduif nestelt de zwaluw
metselt, iemand zegt: mevrouwtje je kletst de borreltafel vol
waar het op aankomt kijk op het moment dat ze
het minst wordt verwacht staat daar Erato of welke
muze dan ook het over deze boeg te gooien.
(p. 45)
In haar vierde bundel bouwt Leusink verder aan wat verdacht veel op een eigen, eigenzinnig en veelvormig bouwwerk van taal begint te lijken. Een indrukwekkend bouwwerk waarbinnen de bezoekers hun ogen uit kunnen kijken.
Edwin Fagel
Lees ook:
Jane Leusink - Er is weinig aan de lente veranderd
nu eenmaal van dingen je weet wel
te kleine potloodjes die niet meer geslepen gestreepte
bloesjes met één knoopje eraf kopjes zonder oortjes
en andersom stoelen die hoognodig gemat
het op orde houden van spulletjes
en familieleden daar hou ik het allermeest van
de antieke Thonetschommelstoel van oma Jet
(de opkoper stond erbij te juichen)
en oma Jet
ik zie waar ze zat
aan de kuil in de biezen
(p. 39)
Hoe divers ook, de gedichten hebben altijd nadrukkelijk een vorm en altijd wordt daar de aandacht op gevestigd. Natuurlijk zijn uiteindelijk alle gedichten constructies. Maar ik geloof dat dit geconstrueerde juist bij Leusink van wezenlijk belang is. De wereld buiten het gedicht speelt een belangrijke rol in het gedicht. Maar uiteindelijk heeft die wereld geen zeggenschap over wat er in de wereld van het gedicht gebeurt. Leusink bouwt in taal haar persoonlijke schip. Tot alles goed strak staat en de muze er de regels in kan blazen:
iemand zegt: mevrouwtje je zit met je Groningse bril
aan het stamtafeltje hebt behoefte aan een liefdevolle
maar flexibele plek voorzien van internetverbindingen
en eenvoudige kantoorvoorzieningen waar je durf
met behoedzaamheid kunt mixen verlegenheid
met vastberadenheid, let op nu gaat het out of the box
zodat bomen massaal in blad kunnen alles kruipen
vliegen boeien gaat de houtduif nestelt de zwaluw
metselt, iemand zegt: mevrouwtje je kletst de borreltafel vol
waar het op aankomt kijk op het moment dat ze
het minst wordt verwacht staat daar Erato of welke
muze dan ook het over deze boeg te gooien.
(p. 45)
In haar vierde bundel bouwt Leusink verder aan wat verdacht veel op een eigen, eigenzinnig en veelvormig bouwwerk van taal begint te lijken. Een indrukwekkend bouwwerk waarbinnen de bezoekers hun ogen uit kunnen kijken.
Edwin Fagel
Lees ook:
Jane Leusink - Er is weinig aan de lente veranderd
maandag 9 januari 2012
Mos en gladde paadjes revisited
Lees en huiver (waar had men het over), maar zie de commentaren en oordeel...een tijdsdocument?
http://poezierapport.blogspot.com/2006/06/mos-en-gladde-paadjes-jane-leusink.html
http://poezierapport.blogspot.com/2006/06/mos-en-gladde-paadjes-jane-leusink.html
Abonneren op:
Posts (Atom)

