Op een onpersoonlijke manier persoonlijk
Het gaat veel over tuinen in de nieuwe bundel Blijven en weggaan van Ineke Holzhaus. In die tuinen ritselt het van vruchten, bloemen, vogels, slakjes en vele andere beestjes. Toch zijn we hier niet in de tuin van F. Harmsen van Beek en ook niet in die van Gerrit Kouwenaar (‘Liefste’). Misschien zijn we wel in die van de heilige Franciscus. In ‘Besloten tuin’:
Hij staat recht onder de vogels, benoemtgeborduurd bloemvlies in het najaar, vleugels
hun staart en zangtonen, zijn denken stroomt
de struik in die zomers zwarte bessen draagt
winden zich om hem heen, snavels kletsen
gretig in zijn volière zonder gaas.
Vaststaat dat we in de ‘De tuin van Nolde’ terechtkomen. Over deze tuin bij het museum van beeldend kunstenaar Emil Nolde in Seebühl, Noord-Duitsland heeft Holzhaus de cyclus van vijf gedichten geschreven waarmee ze in 2015 de HofvijverPoëzieprijs won. In deze reeks laat ze Ada, Noldes partner aan het woord. Zij vertelt, als ware ze Nolde zelf, over deze op een kale wierde gelegen plek waar ‘een zekere hardheid van ons verwacht [wordt], van planten, vogels, de bewoners.’ Over Noldes schilderijen, en versmolten daarmee, over het landschap waar zij ontstonden, je kunt ook zeggen: dat zij in zekere zin schiepen, laat de dichter haar vertellen:
je vermoedt de zee, ruikt zout, zoals wanneer jeEr is veel aardsheid, veel natuur, er zijn veel kunstenaars en hun werk in Blijven en weggaan. Er zijn ouders en grootouders, een kind. De dichter verwerkt – letterlijk – een leven, het hare. Er wordt veel gereisd. Herinneringen kleuren ervaringen, verlenen diepte aan belevenissen. De dichter ziet zichzelf gedubbeld of gespiegeld en nergens wordt dat nostalgisch of aanstellerig.
op een duin met de wind mee kijkt naar
een van zijn golvende zeegezichten.
Holzhaus kan goed kijken en beeldend precies schrijven over de complexiteit daarvan. In ‘Gemeentemuseum’ bijvoorbeeld schrijft ze over de trap die voert naar een bovenlicht:
[…] wolken schuiven van je wegkantelt het licht naar getemperd, geheime
als in een toverdoos met de zon mee, die
buiten bovenop de glaskap schijnt, helder
ingreep van de meester die ook na zijn dood
de wolken op afstand laat bewegen.
Er is de mooie reeks ‘Blijven en weggaan, die ze samen met dichter en partner Willem van Toorn schreef. Er zijn de Haagse gedichten waarin Remco Campert klaagt over de trieste, trage gele tram en waarin Nijhoff de tram door zijn sonnetten stuurt. Gek genoeg figureren, samen met Campert en Nijhoff, ook versregels van Bertolt Brecht in dit gedicht ‘Aan de haven’: ‘B.B. die zich de vorm van de wolken beter herinnerde/dan het gezicht van zijn geliefde […]’

Holzhaus schuwt de actualiteit niet. In 2015 kwam de dramatische en sterk beeldende vluchtelingenstroom vanuit het Zuiden op gang. Koel, terloops en ingetogen verwerkt ze wat ze in de media ziet in haar gedichten. Ze vermijdt de diepe valkuil van het grote woord en het effectbejag dat zo veel zogenaamd geëngageerde poëzie aankleeft.
In ‘Meer van Ohrid’: ‘[…] zo drong op dat zachte water de radeloze wereld je regels/binnen als bij gedichten in vele talen bewaard.
In ‘Météo’: ‘we toetsten météo, stuitten op vluchtelingen/in boten, leerden hedendaagse woorden – /en morgen weer geen regen […]’
In ‘Blauw plastic zakje’: ‘Vluchtende schaduwen kopen niets voor versregels/waarin ik een blauw-wit gestreept zakje zie/oplichten met iets erin dat zal worden afgepakt[…] Mag ik het blauw beschrijven?’
Het werkt, het engagement van Ineke Holzhaus. Ze schrijft op een onpersoonlijke manier persoonlijk. Ze toont als een Kouwenaar.
Jane Leusink
Ineke Holzhaus – Blijven en weggaan. Azul Press. Amsterdam/Maastricht 2016. 55 blz. € 15,00
http://www.tzum.info/2017/04/recensie-ineke-holzhaus-blijven-en-weggaan/

Een liefde beschrijft onverbloemd en ‘objectief’ het huwelijk van Mathilde de Stuwen en Jozef van Wilden. Het veroorzaakte bij verschijnen een geweldige opwinding. Albert Verwey vond de roman mooi en onzedelijk. Frederik van Eeden omschreef het boek als hinderlijk, ergerlijk en stuitend (shocking), echter niet onzedelijk. Kloos noemde het onwelvoeglijk. De conservatieve verontwaardiging, critici van vóór de generatie van Tachtig, is door voorspelbaarheid en inkijkje in de mannelijke geest interessant. Geen goede porno, schrijft Taco Hajo de Beer in de Portefeuille. Het gaat allen, progressief of niet, dan vooral om de volgende passage:
Perfect sluit die aan op het gedicht: ‘Onze professor legde het nog één keer uit’, dat als Voorwoord van de bundel dient. De aard van onze afwezigheid valt immers niet waar te nemen, die is afhankelijk van ons verdwijnen, heet het in dat breinbrekerige gedicht. Waar nog bijkomt, voegt de professor eraan toe, dat dat ook geldt voor wat blijft, ook dat is (en zijn wij) vaak maar halfslachtige aanwezig. Zie de moeder hierboven, die je eigenlijk maar al te graag Jan Eijkelbooms Wat blijft komt niet terug ter lezing zou willen aanbevelen. Evenals de studenten die het eind van het college niet afwachten, maar alvast beginnen hun spullen in te pakken en hun mobieltjes aan te zetten. En alleen de verteller van het gedicht hoort de professor nog zeggen dat je juist in de delen het best het totale kunt zien: