donderdag 4 januari 2018

Recensie: Benno Barnard – Het trouwservies


 
Een mens is een mens door andere mensen
Het verstrijken van de tijd en daarmee van zijn leven, is het overheersende thema van Benno Barnards forse, klankrijke, uiterst strak gecomponeerde bundel Het trouwservies, waarin de gedichten alle bestaan uit drieregelige, soms van rijm voorziene strofen met daarin regelmatig meezingende lievelingsdichters. Kan het biografischer, intellectueler, maar ook, kan het traditioneler?

Barnard zou echter Barnard niet zijn als hij in ‘Goede raad’ niet ook schrijft: ‘Jochie, kijk uit voor het rijm dat bedwelmt’. De gedreven dichter die hij is, aan wie de laatste veertig jaar poëziegeschiedenis niet ongemerkt voorbij zijn gegaan en die gewend is geen blad voor de mond te nemen, schrijft in gedicht III van de afdeling ‘Gebed zonder eind’: 

Ik overwoog de heiligheid van gedichten.

Nogal wat dichters waren dogmatische gekken

en de tempels van hun dichtkunst oorden

 
van intolerantie, waar onvertogen woorden

over de woorden vielen, waar logge ideeën omtrent

de werkelijkheid en haar kale mimesis

 
ruzie zochten. Maar soms zat een muis in de onverlichte

hoek van een onopvallend enjambement

heimwee te hebben naar haar oorspronkelijke plekje […]


 Barnard heeft het allemaal meegemaakt. Zijn commentaar snijdt: ‘de plechtstatiger reiger zocht naar vis/en niet naar God; de bureaulamp was geen giraf/die haar nek uitstak;’ Soms moet je overdrijven om foute enjambementen aan de kaak te stellen, eroverheen gaan. Mooie voorbeelden zijn dat.

 Het postmodernisme, waar Barnard aanvankelijk een rol in speelde (eind jaren tachtig van de vorige eeuw) omhelsde hij de poëzie van postmodernistisch dichters als Spinoy en Van Bastelaere. Het postmodernisme krijgt er echter flink van langs in ‘Vaderdromen’ waarin de vader lacht om de ‘postmoderne bekommernissen’ van zijn zoon. En in ‘Goede raad’ klinkt het luidkeels: ‘Minacht het postmodernisme/het heeft geen kloten’. Barnard is er, zoals ook Spinoy (Van Bastelaere koos een andere weg) dwars doorheen gegaan. 

 Barnard is een verklaard darwinist. In de ontroerende afdeling ‘Darwins dieren’ eert hij in aansprekend parlando apart de schildpad, hond en haas. In ‘De schildpad’, noemt hij april de tijd ‘van de warmbloedige schepsels met hun ongemakkelijke herinneringen en hun afschuwelijke kwetsbaarheid’. Dat is treffende zeggingskracht  van de dierenliefhebber die zichzelf niet spaart, de eerste regel van deze reeks luidt dan ook veelzeggend: ‘Ik ben altijd weer ontevreden in het dode leer/van mijn schoenen’. Na een aanrijding spreekt hij de haas toe en heeft het over ‘- mijn lafheid en jouw pijn, […]’

 De bundel in zijn geheel is een vitale, ook ontroerende hommage aan Barnards vader, de dichter Guillaume van der Graft, aan zijn huwelijk, zijn vrouw Joy, zijn kinderen. Zijn geadopteerde dochter Anna stierf bij een verkeersongeluk, nu iets meer dan een jaar geleden, de tragiek uit zich doordat hij niet over haar schrijft, niet over haar kán schrijven. Het enige gedicht aan haar gewijd schreef hij al voor dat ongeluk: ‘Voor een geadopteerde dochter’.

Aan zijn zoon Christopher draagt Barnard de afdeling ‘Gebed zonder eind’ op die bestaat uit maar liefst tien lange gedichten: ‘Er kwam een storm op ons af toen ik vader/zou worden’. Zo begint de eerste. De laatste eindigt subtiel met: ‘er komt storm en ik moet nog vader worden.’ Maar veel gedichten van deze reeks lijken vooral Barnards eigen preoccupaties te behelzen. Gezien het cadeautje voor Christopher als hij achttien wordt, lijkt zijn niets ontziende eerlijkheid tegenover zichzelf hier soms ook op koketteren.

Uitgebreid komt zijn zestigste verjaardag voorbij: ‘Alweer november en je wordt godsamme zestig’. Hij wijdt er de uit vijf gedichten bestaande afdeling met de onuitsprekelijke titel ‘Umuntu Ngumuntu Ngabantu’ aan: a person is a person through other people.
 
De afdeling waaraan de bundel zijn titel ontleent kreeg de opdracht ‘Voor Joy’ mee met een citaat van T.S. Eliot: ‘These are private words adressed to you in public.’  Het eerste gedicht heet, met een typische Barnard-geestigheid, ‘Sonnet CXIII’ (Shakespeare, jl) Het sonnet waarin de ik in de natuur niets anders meer kan zien dan de contouren van de bij hem weggelopen geliefde. Barnard daarentegen schrijft:

Ik ben een puber van zestig en mijn gemoed,

gevoelig gebleven voor melkwegen, slaat vijftien

glazen achterover om een beetje te zwijmelen

 
en te rijmelen: ik zie haar handen een stras

van sterren in haar haren vlechten – kijk eens aan,

ze schittert weer even als het mokkel dat ze was.


 Je zou om minder al blij worden.