vrijdag 28 juli 2017

Het oog van de dichter - Recensie Anton Korteweg - 25 schilderijgedichten


25 Schilderijgedichten belicht



http://www.tzum.info/2017/07/recensie-anton-korteweg-oog-dichter/

‘Het oog van de dichter is een Musée imaginaire. De gedichten zijn de zaalteksten van de conservatoren. Mijn commentaar daarop is de tekst van de eigenwijze directeur in de catalogus. Het boek is een uitnodiging aan de lezer om, als een padvinder of rechercheur, een eigen denkbeeldig museum van zijn favoriete schilderijgedichten in te richten. Er is nog heel wat brood voor oog en hart te vinden.’ Aldus Anton Korteweg in zijn verantwoording van Het oog van de dichter.

Anton Korteweg, dichter van een stuk of twaalf bundels en oud-directeur van het Letterkundig Museum, kon zijn galerij niet beter aanbevelen dan met bovenstaande tekst. 43 bladzijden telt zijn verantwoording maar liefst, allemaal nodig om ons uit te leggen waarom hij zich toch genoodzaakt voelde af te wijken van zijn eigen strenge criterium: alleen echte schilderijgedichten opnemen. Want hij kon het gewoonweg niet laten en móest een aantal uitzonderingen maken. Aan humor heeft het Korteweg nog nooit ontbroken hetgeen ook moge blijken uit het ‘als late gepassioneerde beoefenaars’ van het genre beeldgedicht subtiel naast elkaar plaatsen van de dichters Joost Zwagerman (met ‘Jan van Eyck kon je mij niet geven’ bij het portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw) en Tom van Deel. Uiteraard verzuimt hij niet te melden dat Van Deel als docent moderne Nederlandse letterkunde het genre indertijd diepgaand heeft onderzocht. Maar uiteindelijk zocht hij naar gedichten waarin de dichter het schilderij als het ware naar zichzelf heeft toegebogen.

Door Kortewegs wat uit de hand gelopen liefde voor het beeldgedicht in het algemeen kunnen wij nu gelukkig Van Deels ragfijne gedicht ‘Fabel’ nog eens bewonderen, geplaatst naast die minstens zo ragfijne litho van Jeroen Henneman (die hier niet gekopieerd mag worden):

“Vlinder ziet een speld staan

vindt hem mooi want streng

niet doelloos doch standvastig.

Zij wil hem aan zich binden

dit eenzaam puntig wezen

[…]

‘Bang om zich te bezeren

[…]

volhardt de speld in staren

blijft stijf gesloten staan

als ik hier niet vandaan raak

grijpt het ons beiden aan.”

 

Hier komt nog zo’n prachtgedicht: ‘Meesterwerk’ van Jan Emmens, bij Rembrandts Saul en David:
 
“Wat nu de Saul van Rembrandt betreft,

mij ontbreekt het wel eens aan een tulband en iemand

die harp of harpsichord voor mij speelt,

aan een scepter en een bescheiden gordijn

waarmee ik tranen kan drogen.”

 
‘Hier wordt met ambtelijk, precies taalgebruik met understatements en ironische toevoegingen een mateloos, onbepaald, onstelpbaar verdriet opgeroepen waarin we nog kunnen geloven ook’, schrijft Korteweg. Hij noemt Emmens een poet’s poet en een dichter die geneigd is tot kleinspraak evenals, en hij noemt onder anderen Herzberg, Van Deel, Eijkelboom.

Zijn opmerking kon over zijn eigen teksten en gedichten gaan. Immers, die zijn to the point, feitelijk, strak geformuleerd, nuchter en zeer informatiedicht door verwijzingen, bronvermeldingen en samenvattende literatuurlijst. Bovendien interessant door wat hij onnavolgbaar over schilderij en kunstenaar, over gedicht en dichter heeft te zeggen. Hoe kijkt de dichter, is zijn vraag en als de meta-dichter die hij hier ook is, stuurt hij met vaste hand onze blik.

Naast veel belangwekkende (onder anderen Faverey, Jellema) neemt hij ook ‘oude’ (onder anderen Van Nijlen, Boutens) en populaire (onder anderen Herzberg , Heytze) dichters op. In totaal 25.

Sympathiek en vertederend vind ik tenslotte Kortewegs ontboezeming dat sommige musea voor hem ‘het huis van een meisje zijn met wie hij wat heeft’: Meisje met de parel (Vermeer) in het Mauritshuis: dat ze eindelijk eens op mij verliefd wordt; Meisje met de dode vogel (Zuid-Nederlandse school) in Brussels Museum voor Schone Kunsten: absoluut kinderverdriet; Meisje op rood tapijt (Casorati) in Gent: eenzaamheid van de puberteit; Idealbildnis einer Kurtisane (Veneto) in Frankfurt Städelsches Kunstinstitut als Flora: onweerstaanbare berekenende wulpsheid.

 Anton Korteweg – Het oog van de dichter, subtitel 25 schilderijgedichten belicht.

Distributie: Boekenbank en Ons Erfdeel vzw (België), Centraal Boekhuis (Nederland). Ook verkrijgbaar als e-book (ePub-formaat). 272 blz. € 35,--

http://www.tzum.info/2017/07/recensie-anton-korteweg-oog-dichter/