God is een ober in Portugal
Hilbrand Rozema (1971) is dichter en journalist. Zijn debuut, Paradijs, werd in 1997 genomineerd voor de C. Buddingh’- prijs. In 2000 verscheen Embargo, in 2003 Blauwe plekken en in 2008 Slagveldtoerisme (de laatste twee bij De Arbeiderspers). Waarom ik een dichtbundel uit 2008 bespreek? Simpel. Rozema is een christelijk dichter. Ik ben geïnteresseerd in de omgang van christelijke dichters met God. Mijn achtergrond is vergelijkbaar met die van Rozema. In mijn universum bleef God uiteindelijk zwijgen. Wellicht dat mijn uitzicht daarop minder beslagen zal zijn na lezing van Slagveldtoerisme.
Het eerste gedicht van de eerste afdeling ‘Begin’ zet meteen de toon
"Contactadvertentie
Ik zoek contact. Ziehier mijn advertentietekst."
En aan het eind van het gedicht
"Vroeger werd ik zelf nog wel gevonden.
Nu ben ik vaak weg. Meer weten? Ik ook […]"
We zijn gewaarschuwd. De overige gedichten uit deze afdeling behandelen de schooltijd totdat de ik op kamers gaat. Opgeruimde gedichten lijken het aanvankelijk, want hier en daar tonen ze zich met een verontrustend randje. Daarbinnen worden dingen overhoop gehaald die zich, althans door mij, niet altijd laten begrijpen of interpreteren. Dat overhoop halen gebeurt in bijvoorbeeld ‘Schoolplein’ overigens op vernuftige wijze: ‘Het knikkerspel hield de ronde momenten vast/van het onbekende: ons eigen jura en krijt/dat ons inhaalde.’
Rozema heeft veel gereisd, dat bleek ook al in zijn vroegere bundels. In de afdeling ‘Reizen’ van Slagveldtoerisme lezen we het poëticale gedicht ‘Woordvangen’ met als ambitie een woord te vangen dat ‘de stilte eromheen niet/verinneweert’. Treffend.
In de ook weer ogenschijnlijk luchtige reeks ‘De ober’ lees ik over de zelfhaat van de ik maar blijkt de ober van begin af aan liefdevol en barmhartig. Ik zoek naar het verband. Het laatste gedicht van deze afdeling ‘De ontklepeling’, over de torenklok van Workum die zijn klepel verloren zou hebben, is als motto Leonard Cohens Ring the bells that still can ring gevoegd. In dat gedicht begint haast ongemerkt het terugverlangen. Maar waarnaar?
Het universum van Rozema blijkt naarmate ik er verder in doordring vol existentieel ongemak. Behalve het poëticale gedicht, zie hierboven, vind ik geen aanwijzingen over de rol die de taal speelt bij het schrijven. De zeer heldere, vaak bijzonder originele beelden stapelen zich daarentegen op. Rozema is de bouwer die zich in de beelden lijkt te verliezen. Uiteindelijk wijst het overkoepelende thema van de bundel de weg. Ik vind het in gedicht 2 van ‘Ardennenoffensief’ (afdeling ‘Slagveldtoerisme’): ‘Van een uitgehard geluk is dit/ de definitie: je was verdwaald. Maar je kwam thuis.’ Het verlangen krijgt hier zijn concrete invulling. Het kan nauwelijks duidelijker.
Ik spoed mij naar de laatste afdeling ‘Gebroken lampen’. Ik wil persé weten hoe Rozema, zijn bundel eindigt. Hij is tenslotte een echte, christelijk dichter, een die soepel de prachtigste Bijbelcitaten in zijn teksten verwerkt. Prettig is dat hij het getuigen vermijdt, daardoor nergens irriteert. Het verbaasde me wel in een bundel die zo vol staat met twijfel, geen geloofstwijfel aan te treffen. Het is of Rozema’s geloofsovertuiging één ding is en de zwervende, door zelfhaat gekwelde dichter het andere – toch is hij beslist geen van de kudde afgedwaald schaap. Hoe dan ook, in ‘Gebroken lampen’ is sprake van een wedergeboorte, van een thuiskomst, van dichters die wegrijden na jeugdherinneringen te hebben opgehaald. Waar? In het Groningse Overschild, waar het kerkje stond dat generaties Rozema’s en andere verwanten onder zijn dak heeft thuis gebracht. De dichter zelf komt gelouterd uit de strijd en brengt
‘[…] voor elke dag mij hier gegeven/U hoger reiner loflied toe//en is hun nalatenschap mijn ruim/en is hun testament het skelet van mijn bestaan’.
Rozema’s poëzie is een integer en ontroerend verslag van een slagveldtoerist, in alle mogelijke interpretaties van het woord.
Jane Leusink
Hilbrand Rozema – Slagveldtoerisme. Arbeiderspers, Amsterdam. 106 blz.